Uit de historie
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten
Wet en Evangelie allegorisch voorgesteld; reeds in het Oude Testament waren er tweeerlei kinderen Abrahams. Vers 21—30.
Hoofdstuk IV.
Wet en Evangelie allegorisch voorgesteld; reeds in het Oude Testament waren er tweeerlei kinderen Abrahams. Vers 21—30.
Zegt mij, gij, die onder de Wet wilt zijn : hoort gij de Wet niet ? Vers 21.
Paulus heeft hier zijn brief willen beëindigen, want hij wilde liever niet meer schrijven. Veeleer wenschte hij persoonlijk met de Galaten te spreken en in contact te treden. Daar de apostel echter met hun lot begaan is, maakt hij thans nog gebruik van een allegorie, welke hem wellicht op dat oogenblik juist inviel.
Door de allegorie en het gebruik van gelijkenissen worden de gewone menschen nu eenmaal gemakkelijk onder den indruk gebracht.
Ook Christus heeft zich meermalen van dergelijke inkleedingen bediend.
Het gaat met de allegorie en met gelijkenissen als met een schilderij. Vooral eenvoudige zielen worden door hetgeen in beeld gebracht is, licht getroffen. Eerst brengt Paulus onder de Galaten het woord en schrijft hij hun een brief ; daarna schildert hij zijn boodschap hun op aangename manier voor oogen.
De apostel is een voortreffelijk kunstenaar geweest, die goed de kunst verstond om met allegorieën te kunnen omgaan.
Op de leer des geloofs en der genade, alsmede op Christus zelf, betrekt hij zijn beelden, en niet op de Wet en de werken, zooals Origines en Hieronymus gedaan hebben.
Paulus spreekt hier van „wet", en bedoelt daarmede het boek Genesis, gelijk uit zijn aanhaling van de geschiedenis van Hagar en Ismaël blijkt.
Toch staat er in genoemd boek geen wetgeving alis zoodanig, doch alleen de wet op de besnijdenis. De geschiedenis, welke hij aanhaalt, is in geenen deele, een „wet" ; zij is slechts de historie van twee zonen van Abraham.
De apostel stelt zich hier op joodsch standpunt ; de joden toch spreken van het eerste boek van Mozes als over een ,,wet". Zooals ik al zei : het boek Genesis handelt alleen over de besnijdenis, en legt nadruk op het geloof, betuigende, dat God in de aartsvaders een welgevallen gehad heeft om hun geloof.
Niettemin hebben de joden, alleen om de reden, dat er in het boek sprake is van de besnijdenis, het eerste geschrift van Mozes „wet" genoemd, en begrepen onder de overige boeken van Mozes.
Dat doet Paulus nu ook.
En in Johannes 15 vers 25 begrijpt Christus zelfs de Psalmen onder de Wet, als Hij zegt : „Dit is geschied, opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is : Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat". Deze woorden zijn een aanhaling uit Psalm 35 : 19.
Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, éénen uit de dienstmaagd, en éénen uit de vrije. Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vleesch geboren geweest ; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis. Vers 22 en 23.
Het is als wil de apostel zeggen : Ge verlaat de genade en het geloof en Christus, om af te vallen tot de Wet. Ge wilt onder de Wet leven, en door haar wijs worden. Daarom wil ik eens met u over de Wet praten.
Let goed op.
Abraham had twee zonen : één uit Hagar en één-uit Sara, te weten Ismaël en Izaak.
Beide waren echte zonen van Abraham.
Doch wat was hun onderscheid ?
Niet, dat de eene uit een dienstmaagd en de andere uit een vrije geboren is, maar dat de een zonder de belofte Gods het levenslicht zag, terwijl de ander zich daarin mocht verheugen.
Hoe komt dat ?
Alhoewel beide kinderen zijn van eenzelfden vader, is er toch een groot verschil. Bij Izaak hebben we te doen met een vooraf door God gegeven belofte, en niemand zou daar aandacht aan geschonken hebben, wanneer Paulus hierop niet met nadruk gewezen had.
De houding van Sara getuigt van grooten deemoed, om zich te willen vernederen door haar man Hagar toe ie staan. Ongetwijfeld heeft zij gedacht : God is geen leugenaar ; wat Hij mijn man beloofd heeft, zal Hij stellig houden. Wellicht wil God echter niet, dat ik de moeder van het beloofde zaad word. Daarom benijd ik Hagar niet om de eer, welke haar te beurt gevallen is.
Bij de geboorte van Ismaël is geen speciale uitspraak des Heeren : alleen maar de toestemming van Sara.
Het staat echter anders bij Izaak.
Ook in Romeinen 9 vers 6—9 zegt Paulus met andere woorden, dat niet alle kinderen van Abraham kinderen Gods zijn : „Ik zeg dit niet, alsof het Woord Gods ware uitgevallen ; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël ziin ; noch omdat zij uit Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen, maar : In Izaak zal u het zaad genoemd worden ; dat is : niet de kinderen des vleesches, die zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend ; want dit is het woord der beloftenis : Omtrent dezen tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon hebben".
Zoo zijn dus niet de kinderen naar het vleesch kinderen Gods, dooh de kinderen der beloftenis.
Met deze woorden wordt de mond der hoogmoedige joden gestopt, die er zich op beroemden, Abrahams zaad en kinderen te zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's