De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de historie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de historie

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

5 minuten leestijd

Wet en Evangelie allegorisch voorgesteld ; reeds in het oude testament waren er tweeerlei kinderen van Abraham. Vers 21—31.

HOOFDSTUK IV.

Wet en Evangelie allegorisch voorgesteld ; reeds in het oude testament waren er tweeerlei kinderen van Abraham. Vers 21—31.

Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben ; want deze zijn de twee verbonden : het eene van den berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar ; want dit, namelijk Agar, is Sinai, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met hare kinderen. Vers 24 en 25.

De allegorie heeft geen theologische bewijskracht, doch zij maakt een zaak mooier. Door er een schilderstuk van te maken, licht zij een of ander gedachte toe.

Wanneer Paulus dan ook de gerechtigheid des geloofs niet met sterkere bewijzen gestaafd had tegenover de gerechtigheid, welke uit de werken is, dan zou de allegorie hier niets beteekenen. Daar hij echter in het voorgaande de zaak, waar het om gaat, met buitengewoon krachtige bewijzen heeft gefundeerd, ontleend als ze waren aan de ervaring, aan het voorbeeld van Abraham, alsmede aan getuigenissen en gelijkenissen der Heilige SchrifL, — zoo voegt hij er ten slotte bij wijze van versiering nog een allegorie aan toe.

Het is namelijk schoon, om een zaak alsnog geestelijk toe te lichten en te verduidelijken, wanneer het bewijs, waarom het gaat, toch reeds geleverd is.

Gelijk een schilderstuk een huis voorstelt, dat in werkelijkheid reeds kant en klaar bestaat, zoo will de allegorie een betoog of zaak toelichten en verhelderen, welke op andere wijze reeds bewezen werd.

Abraham is een zinnebeeld van God. Hij had twee zonen, wat heen wijst naar twee volken, te weten naar Ismaël en Izaak. Deze twee zonen werden Abraham geboren uit Hagar en Sara, hetwelk twee testamenten beduidt, namelijk het oude en het nieuwe. Het oude testament, dat tot dienstbaarheid baart, is de berg Sinaï, welke met Hagar vergeleken wordt. Dezelfde berg wordt namelijk door de joden Sinaï en door de Arabieren Hagar of Agar genoemd. Behalve door Paulus, wordt zulks ook opgemerkt door Ptolemaeüs en andere Grieksche geleerden. Evenzoo wisselen bij andere volken bergen dikwijls van naam. De berg, welke door Mozes Hermon genoemd wordt, heet bij de Amorieten Senir, en bij de Sidoniërs Sirion. Het treft nu eigenaardig, dat de berg, die bij de Arabieren Hagar heet, tegelijk de naam draagt van Abrahams dienstmaagd. En ik geloof, dat deze overeenkomst Paulus er toe gebracht heeft, om deze allegorie ten beste te geven.

Gelijk nu de dienstmaagd Hagar aan Abraham een echten zoon schonk, die toch niet zijn erfgenaam was, doch een dienstbare, zoo heeft de berg Sinaï, ook wel Agar of Hagar genoemd, God een echten zoon gebaard, dat wil zeggen : een vleeschelijk volk.

Insgelijks : zooals Ismaël een echte zoon van Abraham was, zoo heeft het volk Israël den waren God tot zijn Vader gehad.

God heeft Zijn volk namelijk de Wet gegeven en het Zijn Woord toebetrouwd, gelijk geschreven staat in Psalm 147 vers 19 ; „Hij maakt Jacob Zijn woorden bekend ; Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten."

Er is echter ook onderscheid. Ismaël was geboren uit een maagd, zooveel het vleesch aangaat, dat wil zeggen : zonder de belofte. Daarom kon hij geen erfgenaam zijn.

Evenzoo heeft de zinnebeeldige Hagar, te weten de berg Sinaï waarop de Wet gegeven is, den Grooten Abraham een volk gebaard, hetwelk zonder de belofte een vleeschelijk en dienstbaar volk was. Ook dit volk kon Gods erfgenaam niet zijn.

Aan de Wet zijn nu eenmaali geen beloften van een zegenenden Christus verbonden ; evenmin werden aan haar de verlossing en de vrijmaking van den vloek der Wet toegekend, alsmede de vergeving van zonde uit louter genade, enz.

De Wet zegt „Wie deze dingen doet, zal door dezelve leven".

De „beloften" der Wet houden dus een voorwaarde in ; zij stellen het eeuwige leven niet uit genade in uitzicht, maar zeggen het hun toe, die de Wet houden. En omdat niemand de Wet houden .kan, laten de beloften der Wet een mensch zonder meer in het onzekere.

De belloften des nieuwen testaments echter kennen geen voorwaarden ; met onze eigen waardigheid houden zij allerminst rekening. Zij schenken ons om niet : de vergeving van zonden, genade, gerechtigheid en het eeuwige leven : om Christus' wil.

De Wet en het oude testament kent slechts beloften met een voorwaarde.

Daar de joden deze dingen niet aldus beschouwden, lieten zij het voorwaardelijk karakter van de beloften van Wet en oude testament varen, menende, dat God hun zonder meer zou schenken, wat Hij bij een gehoorzame betrachting der Wet had beloofd.

Daarom hebben de joden later de profeten vervolgd en gedood, toen zij de verwoesting van Jeruzalem, den tempel en het koninkrijk aanzegden en voorspelden, alsmede den ondergang van den priesterstand. De profeten toch maakten onderscheid tusschen de uitwendige beloften der Wet en de geestelijke toezeggingen aangaande Christus en Zijn Rijk. Daarom vervolgden en doodden de joden hen als ketters en lasteraars van God ; zij zagen namelijk de door God gestelde voorwaarde over het hoofd : Wanneer ge Mijn geboden houden (!) zult, dan zal het u welgaan.

De slavin Hagar baart dus een slaaf.

Daarom is Ismaël niet de erfgenaam, hoewel hij een natuurlijke zoon van Abraham is ; hij blijft een dienstbare. Hoe komt dat ?

Dat komt door de belofte en den zegen des Woords.

Sinaï duidt dus ook op knechten, omdat aan de Wet als zoodanig geen beloften in Christus' toegevoegd zijn.

Daarom, Galaten, wanneer ge de belofte en het geloof laat voor wat ze zijn, en weer afvalt tot de Wet en de werken, dan zult ge het nooit verder brengen dan tot knechten, dat wil zeggen : nooit zult ge vrij worden van zonde en dood ; ge zult bestendig blijven leven onder den vloek der Wet.

Hagar baart geen erfgenaam, noch het zaad der belofte.

Dat wil zeggen : de Wet rechtvaardigt niet ; zij Ieidt niet tot het kindschap Gods. Veeleer verhindert zij een mensch, om daar­ toe te geraken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1942

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Uit de historie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1942

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's