Of uiteengaan
Gemeente-opbouw heeft de gedachte aan een uiteengaan niet kunnen onderdrukken. Wij zagen daarin, dat het idealisme, waardoor het rapport wordt gedragen, niet blind is voor de mogelijIdieid, dat onverzoenbare tegenstellingen zouden worden ontdekt. Indien men niet waarlijk Christelijk kan samengaan, dan maar uiteengaan.
Desondanks achten wij het streven van Gemeenteopbouw niet zonder bedenking.
Daar ligt ergens een norm, waardoor deze gedachtengang bepaald is, welke aan den eenen kant door gemeenschappelijke erkenning het saamgaan moet bevorderen en aan den anderen kant de grens van het niet meer kunnen moet aangeven.
Deze norm moet zoo hoog liggen, dat men begint met allen, ongeacht de richtingen, als leden der kerk te bejegenen, terwijl men daarbij de mogelijkheid plaatst, dat zij nog niet zoo onbereikbaar hoog is om allen daaronder te vangen.
Men begint echter met de spanning heel ruim te nemen, zoodat de bekende spanningen der richtingen daarbij worden geacht grootendeels in het niet te zullen verdwijnen.
Mogelijk wil men ontkomen aan het drijven van een dogmatisme en wil men het gevaar ontloopen, dat menschelijk gezag boven Gods Woord wordt gesteld. En inderdaad is dit gevaar niet denkbeelldig. Men zij er echter op bedacht, dat dit gevaar ook dreigt van de zijde, die afkeerig of afwijzend tegenover het kerkelijk dogma staat. Er is ook een gevaar, dat men het kerkelijk dogma ontwijkt en gevangen wordt in een onkerkelijk dogma. Indien dit zou geschieden zou het middel erger worden dan de kwaal, want dan zou men zeker menschelijke berekeningen boven Gods Woord verheffen.
Het is zeker niet te veel gezegd, dat iedere richting haar dogma heeft, waardoor haar houding jegens Schrift en belijdenis wordt bepaald. Zonder zulk een dogma kan ook een richting niet bestaan, zoomin de kerk zonder belijdenis kan bestaan.
Het streven van gemeenteopbouw zal juist met die richtingsdogmata hebben te maken, want zulllen de richtingen plaats maken voor een gezond kerkelijk leven, dan zullen haar grondstellingen, waardoor zij van elkander zoo uiteenloopend en tegengesteld verschillen, moeten wijken voor de leer der Apostelen en Profeten.
Met nadruk spreken wij van de leer der Apostelen en Profeten, omdat deze als de eenige norm is aangewezen. Misschien zijn er, die dit ook een dogma willen noemen, maar dan moeten wij daartegen opkomen. Wie deze leer onder het dogma wil rangschikken, heeft het kerkelijk — wijl Schriftuurlijk — standpunt reeds opgegeveij. Hij ontzegt aan deze leer het goddelijk gezag, hetwelk de Apostelen en Profeten daaraan toekennen, m.a.w. hij is in conflict met het gezag van Gods Woord en het fundament der kerk. Zulk een standpunt kan alleen voortkomen uit Schriftbeschouwingen, die in strijd zijn met het geloof der gemeente van Christus. En zulke beschouwingen staan op een dogma van menschelijke wijsheid, hetwelk onvereenigbaar is met de helijdenis aangaande de Heilige Schrift.
De Heilige Schrift komt met een goddelijke leer en de fundamenteele stukken des geloofs berusten niet op menschelijke beschouwingen, maar zij worden alzoo door Woord en Geest geleerd. Als zij leert, dat God de wereld geschapen heeft door het Woord Zijner kracht, is dat geen dogma, waartoe de kerk in den strijd der meeningen is gekomen, maar het is Gods openbaring. En als de kerk God als Schepper en Onderhouder der wereld belijdt, is dat geen dogma, maar belijdenis des geloofs in God, die Zich alzoo openbaart. De kerk kan niet anders dan dit belijden.
Datzelfde geldt van alle hoofdstukken des geloofs : dat Hij is een Drieëenig Wezen, dat het Woord is vleeschgeworden, dat de Zoon ons vleesch en bloed heeft aangenomen door de geboorte uit een vrouw, dat Hij heeft geleden en is gestorven om onze zonden en opgestaan om onze rechtvaardigmaking, en zoovele stukken meer, die hier waren te noemen. Als wij eenigermate volledig wilden zijn, zouden wij de geheele belijdenis des geloofs moeten nagaan om aan te toonen, dat zij getuigenis geeft van de leer der Schrift.
Wij willen niet voorbij zien, dat in de belijdenisgeschriften ook dogmata voorkomen, indien zij teruggaan op kerkelijke beslissingen in aangelegenheden en bestrijdingen aangaande een stuk van de leer der Apostelen en Profeten. Men vindt deze uit den aard der zaak in de artikelen en vragen, waarin b. v. het Roomsche of Doopersche standpunt wordt bestreden, zooals o.a. bij de behandeling der sacramenten en bij de goede werken.
In zulke gevallen laten de reformatoren niet na het licht der Schrift te laten schijnen over de zaken, die in het geding zijn. Want zij begeerden niet anders dan discipelen van Christus te zijn en van Hem geleerd te worden. Het is hun te doen geweest om de leer der Apostelen en Profeten. Daarom zij men voorzichtig met zijn oordeel en bestudeere de belijdenisgeschriften eens vanuit dit aspect. Men zal dan ontdekken, dat de belijdenis des geloofs vóór alles belijdenis van de leer der Schrift wil zijn en bij nader onderzoek ook zal blijken te zijn.
Uit dien hoofde komen wij altijd weer terug op de waardeering der Heilige Schrift, als het punt, waar de riohtingskwestie op vast zit. Zoodra men eenstemmig is in de belijdenis der kerk omtrent de Heilige Schrift, zijnde Gods Woord, zal ook het onderzoek der belijdenisgeschriften aan den dag brengen, dat zij getuigenis zijn van het geloof, dat geen anderen regel kent dan de leer der Apostelen en Profeten.
Dit nauw verband tusschen Schrift en belijdenis moet met nadruk worden betoond, opdat men ook aan de confessie de beteekenis toekent, welke haar toekomt. Zij geeft niet uitdrukking aan een zeker dogmatisme, maar getuigt uit het geloof, waaruit de kerk der eeuwen leeft.
Daaraan sluit een tweede punt. Men wil, dat de richtingen elkander zullen beschouwen als leden van één kerk. Wij lezen in de eerste plaats : leden van éénzelfde kerkformatie, éénzelfde kerkelijke organisatie.
Als de Schrift zegt : leden van één lichaam, heeft zij het oog niet op een organisatie, maar op een levende betrekking tot den Christus der Schriften. Er is slechts één kerk, de algemeene Christelijke kerk. Iedere vergadering, die zich als kerk aandient, heeft de roeping zich als de kerk van Christus te openbaren.
Uit dien hoofde is zij aan de leer der Apostelen en Profeten gebonden en kan niet anders dan confessioneel van aard zijn.
Zij belijdt die leer en heeft die ook in haar prediking uit te dragen. Wanneer men dus een beroep doet op de gemeenschap als leden van één kerk, doet men tevens een beroep op de gemeenschappelijke belijdenis. Anders heeft dat beroep geen zin.
De gemeenschap der kerk is een geloofsgemeenschap en deze wordt niet bepaald door een regel des geloofs, welke afhankelijk is van menschelijke beschouwingen, maar door de leer der Heilige Schrift, zooals die aan de heiligen is overgeleverd.
En nu sluit de kerk niemand uit, die zich onder die leer voegt, maar zij mag niet toestaan, dat een ander evangelie van haar kansels wordt verkondigd dan dat, hetwelk zij door de Apostelen van den Heere Jezus Christus ontvangen heeft.
Wanneer men op dien grondslag de eenigheid en gemeenschap der kerk zoekt, zal vergaderd worden wat bijeen behoort. En degenen, die zich daaronder niet voegen en zulk een prediking niet brengen, omdat zij een ander evangelie begeeren, sluiten zichzelf van de gemeenschap der kerk uit. Zij zijn van ons uitgegaan, want zij waren uit ons niet.
En nu is het niet aan ons om uit te maken, wie van de kerk zijn en wie niet. Daarop mag nog wel eens gewezen. De eisch der Christelijke liefde is elkander te verdragen om Christus' wil. Doch de Apostel, die veelal de Apostel der liefde wordt genoemd, betuigt : Hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zoo wij Zijn geboden bewaren. Ik heb u niet geschreven, omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is. Hetgeen gij dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. (1 Joh. 2).
Nog eens, het is niet aan ons om te oordeelen, maar het is de roeping der kerk — en deze drukt op allen, die bij de kerk zijn, — om van de waarheid te getuigen. De scheidsilijn kon wel eens geheel anders loopen, dan wij die zouden trekken, maar één ding is zeker, dat zij scheiding maakt tusschen geloof en ongeloof. Daarom kunnen wij die niet trekken.
Wij zijn schuldig voor broeders en zusters in den geloove te houden, die zich onder de waarheid voegen, de belijdenis des geloofs aannemen en daarnaar wandelen. Wie echter de waarheid wederstaan, hebben zich zellf afgescheiden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's