Een geestelooze en doodige tijd
De aan meerderen van ons bekende Alexander Comrie leefde van 1706—1784. Hij was een Schot, die in 1727 naar Rotterdam kwam en in de gelegenheid gesteld werd om theologie te studeeren. In 1735 deed hij intree te Woubrugge, waar hij bijna zijn geheele verdere leven heeft gearbeid. Meerdere werken verschenen van zijn hand. Het meest is wel bekend zijn A. B. C. des geloofs. Dit mag er echter niet toe leiden om andere geschriften van dezen gereformeerden voortrekker, in wien God onze Kerk een ijveraar schonk voor Zijne waarheid, te verwaarlozen. Zijn leerredenen b.v. mogen gerust eens trouw worden gelezen. Onder den zegen Gods zou dit nog menige rijke vrucht kunnen afwerpen.
Deze Comrie nu schreef een „Verzameling van Leerredenen, waarin vertoond wordt, uit onderscheidene teksten, de afgezakte kranke en kwijnende staat der geloovigen, voornamelijk in dezen tijd, tot overtuiging en beschaming over hunne ongestalte. Vervolgens : De geloovigen, daarover met smart aangedaan, en begeerig naar herstelling ; in welke hunne innige begeerten voorgesteld en de zwarigheden, welke zij ontmoeten en hen dikwerf onvrij moedig maken, geopperd en opgelost worden Eindelijk : Hunne herstelling, en de werkzaamheid hunner ziel, als herstelde en in hun vorig element gebragte". De door ons bedoelde uitgave is door J. Beyer. (1859)
Comrie schrijft in zijn „Aan den Lezer" dat het geene schrijf lust is, om den lezer te overkroppen met boeken, noch ook om zich eenigen naam te maken, dat tot de uitgave van dit werk aanzette. Maar 't is alleen het aandachtig beschouwen, met droefheid des harten, van den naren en ellendigen toestand van Gods Kerk, in welke zich een doodswezen op doet.
De eerste leerrede handelt over Psalm 143 vers 11 : Eene doodige en benauwde ziel, biddende om levendmaking en troost. Comrie gaat dan eerst spreken over de doodigheid. Maar, om hierover klaar en uitvoerig te spreken, gaat hij eerst de redenen opnoemen, waarom hij over deze stof handelen zal. Hij schrijft dan als volgt :
„Omdat de tijd, dien wij beleven, een zeer geestelooze en doodige tijd is. De Heere is zeer geweken van Zijn volk ; Hij staat van verre. Hij verbergt zich van Zijn erfdeel ; want de ongerechtigheid heeft een groote scheiding gemaakt, en de zonde is oorzaak, dat, ofschoon men al roept, de Heere niet alleen niet hoort, maar daarenboven, dat Hij rookt tegen het gebed : dewijl, niettegenstaande al het roepen in het openbaar en in het verborgen, om verlost te worden van de oordeelen, onder welke wij zuchten, er geene verlossing, maar integendeel vermeerdering en verzwaring van oordeelen is. De algemeene klacht van de vromen in landen en steden, niet alleen hier, maar ook in andere koninkrijken, bevestigen dit zeer klaar, dewijl een ieder bijna uitroept, dat nu, of voor twintig of dertig jaren. God zeer geweken is . . . . . . . . "
Wat hier geschreven staat, mogen wij ook wel in onzen tijd ter harte nemen. Veel is reeds gezegd en gedrukt over den nood der Kerk. Van meerdere zijden is deze reeds belicht. Ook Comrie's woord spreekt van dezen nood. En hij wijst bij zonderlijk op het geestelooze en doodige van zijn tijd. Welnu, van onzen tijd kunnen we waarlijk niets beters getuigen. Wel een gaarne verlost wililen worden van tijdelijke oordeelen en gaarne bevrediging ontvangen van alle eigen wenschen. Maar waar is de begeerte van zonde en ongerechtigheid verlost te zijn? En oprecht te wandelen voor Gods Aangezicht ? Ook nu maken de overtredingen scheiding. Vandaar zijn er en blijven er oordeelen. De Heere verbergt Zijn Aangezicht voor het gebed. Niet alleen zijn er velen, die in afkeerigheid en vormendienst blijven voortleven. Maar — en dat is het wat Comrie onderstreept — degenen, die den Heere hebben leeren vreezen, zijn niet op hun plaats. Bij hen is geesteloosheid en doodigheid.
Laat ons dit bij het spreken over den nood der Kerk niet vergeten. God kinderen zijn niet, wat ze zijn moeten.
Weinig vertrouwen.
Weinig teere omgang met den Heere.
Veel ingezonkenheid in het geloofsleven. En zoo is er nog veel meer op te noemen. Waardoor er weinig kracht van Gods Kerk uitgaat en het getuigenis der gemeente zoo zwak weerklinkt. Ook nu is er helaas alle reden te spreken over een geestelooze en doodige tijd. Dat het ter harte genomen worde, opdat het gebed rijze om leven aan de ziel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's