Geloof en ongeloof
De belijdenis staat op den bodem der werkelijkheid. Zij weet, dat geloof en ongeloof in de kerk tegelijkertijd samenwonen. Geestetijk gezien, dat wil zeggen, de geestelijke werkelijkheid in aanmerking genomen, is de kerk de vergadering der ware Christgeloovigen. Doch niet allen, die bij de kerk zijn, staan in die geestelijke werkelijkheid. En de reformatoren hebben niet geteerd, dat men op aarde een kerk van louter waarachtig geloovigen zal vinden. Zij hebben ook niet geleerd, dat men zulk een zuivere kerk moet trachten te vergaderen. Zij wilden door Gods Woord geleerd zijn en deden, wat zij beleden, naarstiglijk en met goede voorzichtigheid uit het Woord Gods onderzoeken, welke de ware kerk zij. Zij deden dat, omdat zij geloofden dat dit de weg was. (Vgl. art. 29 Ned. Gel. bel.).
Aanleiding daartoe hadden zij gevonden in de mis-toestanden der kerk, waarin zij geboren waren. Dat is de Roomsche kerk. Prof. Kraemer spreekt in zijn brochure : „De nood der kerk" van de herontdekking der kerk.
Wij mogen gerust zeggen, dat de reformatoren de kerk opnieuw hadden ontdekt, beter, dat zij door Woord en Geest aan de kerk werden ontdekt, omdat hun ziel geopend werd voor de waarheid van het Evangelie. Ook zij leefden in een kerk met vele wantoestanden. Gods Woord werd voor hen geopend. Zij kregen oog voor de geestelijke werkelijkheid, ook van de kerk. Zoo kon Calvijn schrijven, dat God ook onder het pausdom Zijn kerk had bewaard. Hij maakte dus scheiding tusschen de ware kerk, zooals die uit de Heilige Schrift wordt gekend, en de menschelijke instellingen en leeringen, die de kerk bedekten.
Zij stichtten geen nieuwe kerk, zij scheidden zich ook niet af, maar allen, die bij de kerk waren en het geloof der ware kerk deelachtig werden, trachtten haar te ontdoen van alles, wat in den weg stond om haar tot openbaring te brengen naar den eisch des Woords. Zoo leidde de herontdekking der kerk tot reformatie der kerk. De kerk nam de gestalte aan, die met haar aard en wezen overeenkomt.
Onder dit aspect kunnen wij ook de verwarde kerkelijke toestanden zien, waarin wij thans leven. Evenals de reformatoren vasthielden aan de ware kerk, welke God ook onder 't pausdom bewaard heeft, zoo mogen wij gelooven, dat God onder alle omstandigheden nog altijd Zijn kerk heeft bewaard. De ware kerk is er nog, zij leeft voort ondanks atles wat haar gezonde openbaring in den weg staat. Het geloof kent slechts één kerk en die is de ware.
Wanneer er van herontdekking dier kerk mag gesproken worden, zal dat niet anders zijn dan in den reformatorischen tijd. Zij zal ontdekt worden uit het Woord, zoodat zij in haar geestelijke gestalte en in haar roeping wordt gezien.
Indien men tengevolge daarvan elkander wil bejegenen als leden der kerk en niet als tegen elkander verdeelde richtingen en partijen, vindt dat onmiddellijk steun in het aangehaalde artikel der belijdenis en het voorafgaande.
Want hier wordt onderscheid gemaakt tusschen de kerk en de sekten. De kerk wordt dan in haar uitwendige verschijning genomen. Dat is heel duidelijk uit hetgeen er staat : „Wij spreken hier niet van het gezelschap der hypocrieten, welke in de kerk onder de goeden vermengd zijn. En hier-en-tusschen van de kerk niet zijn, hoewel zij naar het licliaam in dezelve zijn". Hypocrieten zijn dus menschen, die naar het lichaam in de kerk zijn, maar niet naar den geest. Met zulke hypocriete n zijn dus diegenen bedoeld, die niet in het waarachtig geloof staan, hoewel zij bij de kerk zijm en zich onder haar onderwijzing en tucht voegen.
Niettemin wordt beleden, dat de kerk is een vergadering der ware Christgeloovigen. Zij staat op het standpunt des geloofs. En, indien de kerk herontdekt wordt, zal het kerkelijk oordeel zich wederom door het geloof laten leiden, dat naar de Schriften is. De kerk zal zich voegen naar de ware kerk. De wetenschap, dat er ook hypocrieten in de kerk zijn, behoeft haar niet te weerhouden. Uit dat oogpunt kan men beginnen met elkander als leden van één lichaam te bejegenen, wetende, dat er altijd ongeloovigen onder de ware geloovigen zijn vermengd.
De belijdenis stelt de kerk tegenover de sekten, die zich met den naam kerk bedekken. Zij ontzegt ten eenenmale aan de sekten den naam en de waardigheid der kerk, omdat zij de eenigheid der kerk niet onderhouden.
Wij komen hierdoor echter in de grootste ongelegenheid, omdat de kerk feitelijk in een toestand is geraakt, die haar maakt tot een mengeling van sekten. Inzooverre is het alweer volkomen juist, dat aan geen der richtingen, die toch een soort van sekten vormen, op zichzetf de naam der kerk toekomt.
Men zou haast tot de conclusie komen, dat dan ook de vergadering dier sekten moeilijk een kerk kan genoemd worden. Deze zou echter overhaast zijn, want wij zijn gehouden naarstiglijk en met goede voorzichtigheid uit Gods Woord te onderscheiden, welke de ware kerk zij, en dan staan wij weer voor de geestelijke werkelijkheid en gelooven, dat God Zijn kerk ondanks al deze dingen nog bewaard heeft.
Instede van deze waarheid te onderdrukken, zal men beter doen de richtingen te negeeren en zich op het standpunt des geloofs te plaatsen. Indien er geloof is, zal dat ook ten goede uitloopen en indien dit uit het geloof opkomt, zal de uitkomst niet falen. Dan gaan wij niet in het onzekere, alsof wij een slag in de lucht doen, maar dan zal de kerk openbaar worden en uit haar verval worden opgericht.
Dan echter heeft de belijdenis ons nog meer te zeggen. Het is niet genoeg met elkander te confereeren en te spreken, hoewel dat zijn nut kan hebben, maar dan moet men spreken van uit hot schriftuurlijk geloof aangaande de kerk en zich buigen onder het juk van Christus. Dan moet men de onderwijzing en tucht van Zijn Woord aannemen en elkander daarbij bepalen. Niet de verantwoordelijkheid voor elkander alleen, maar eerst de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de vervulling van de roeping der kerk en daaruit de verantwoordelijkheid voor elkander.
Allen, die bij de kerk zijn, zijn schuldig naar vermogen daartoe mede te werken. Maar dan komt men bij de eigenlijke zaak : de reine predikatie des Evangelies en de reine bediening der Sacramenten. Dat beteekent vanzelf ook de waarneming van de tucht des Woords, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd.
Wat onder dit alles verstaan wordt, kan dus niet in kwestie zijn. En wanneer geloof en ongeloof daarover moeten delibereeren, is het reeds in kwestie gesteld. Hier zal het geloof alleen kunnen spreken, zoo waarlijk de ware kerk uit het geloof teeft. De ware kerk moet aan het woord komen, omdat zij geleerd heeft te buigen onder het juk van Christus.
Uit dien hoofde is er reeds alle reden om zich te laten leiden door de belijdenis der reformatoren, tenzij men mocht meenen, dat deze niet uit het geloof der ware kerk is geboren. Laat men haar dan toetsen aan de leer der apostelen en profeten en zoo zij daarmede niet overeenkomt, laat men haar verwerpen, maar indien wèl, laat men haar volgen.
De vrees is echter niet ongegrond, dat sommigen ook van de leer der apostelen en profeten niet willen weten, omdat zij slechts hun eigen leer voor goed houden of in het geheel geen leer wenschen.
Het geloof der ware kerk kan echter niet veranderd zijn. Er is slechts één geloof. En wat niet uit het geloof is, is ongeloof. Geloof wordt hier gebruikt in den zin, waarin het ook in de Schrift vaak voorkomt van het geloof in het Evangelie, tot het geloof komen, het geloof in den Christus, het geloof, dat den heiligen is overgeleverd. Wij bedoelen het niet in den zin van : wat gelooft gij nu eigenlijk omtrent den dood, omtrent de menschelijke ziel, omtrent haar al of niet voortbestaan, welke beschouwingen hebt gij aangaande de opstanding, e.d.g. meer. Het geloof in den Christus der Schriften omhelst den Christus als de weg, de waarheid en het leven en is aangaande deze vragen niet in het onzekere.
Uit dit alles kan blijken, dat Gemeenteopbouw terecht de Heilige Schrift en de belijdenis noemt. Het vraagstuk der richtingen kan niet worden overwonnen, zoo men geen levend contact met de ware kerk onderhoudt. Men kan wel beginnen met elkander als leden van één lichaam — zij het ook in uitwendigen zin als het lichaam der kerk genomen — te bejegenen, maar dan zal men elkander hebben te ontmoeten ten overstaan van de leer der Schriften omtrent de ware kerk. En dan ook kan zulk een bezinning niet nalaten het gewicht der belijdenis ten volle te laten gelden. Temeer, omdat deze belijdenis is geboren uit de „herontdekking" van het waarachtig geloof en de ware kerk.
De roeping, om de eenigheid der kerk te onderhouden, strekt zich uit tot de kerk der eeuwen. Zij wil niet alleen de gemeenschap in den tegenwoordigen tijd, maar houdt ook vast aan de eenigheid der kerk als het lichaam van Christus, dat door alle tijden heen wordt tezamengebracht. Wie dat verband niet acht, vervalt evenzeer in het euvel der afscheiding, als degene, die in het tegenwoordige de eenigheid der kerk verbreekt.
De kerk van heden en de kerk in het verleden is één. Herontdekking der kerk nu, beteekent herontdekking der kerk toen. De reformatoren hebben dat verband voor oogen gehouden èn wij zijn schuldig de eenigheid met de kerk der reformatie te onderhouden.
En deze ware onderhouden, zoo men haar belijdenis in eere gehouden had, en de eenige wijze om dat te doen is nog altijd aan die belijdenis de plaats geven, welke haar toekomt.
Het geloof der kerk kan men kennen uit haar confessie en door haar aan de Heilige Schrift te toetsen, gelijk zij aan de Schrift wil getoetst zijn, kan men onderscheiding maken tusschen getoof en oingelooi. De kerk heeft te verwerpen, wat niet naar den regel des geloofs is, en heeft te leeren, wat daarmede overeenkomt. Want, al maakt zij geen scheiding tusschen geloof en ongeloof, zij maakt wel onderscheiding tusschen beide. Deze onderscheiding is met het Evangelie gegeven. Het is zeer wel mogelijk, dat deze dwars door de richtingen heenloopt. Bovendien is die scheidingslijn onzichtbaar en bewegelijk in dien zin, dat wie thans tot het geloof nog niet kwam, op een later tijdstip van harte belijdt.
Maar daarom moet de kerk het geloof prediken, opdat het ongeloof ontdekt kan worden. Wil men zich op het plan der kerk stellen en van geen richtingen gesproken hebben, dan moet men zich op het plan van het algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof stellen, waarvan de kerk in haar confessie getuigenis geeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's