De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vrijzinnigheid en ongeloof

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vrijzinnigheid en ongeloof

6 minuten leestijd

Nu wij van den strijd des geloofs tegen de vrijzinnigheid in het hart van den rechtzinnige gewaagden, kunnen wij de tegenstelling tusschen rechtzinnig en vrijzinnig vervolgen, als zij is ontdaan van haar rationalistisch karakter.

Wij lazen van gedachtenschema's en rechtzinige zegswijzen, welke bedenkingen opwekken bij den vrijzinnige, doch met meer recht nog kan men spreken van de gedachtenschema's der vrijzinnigheid. Inderdaad wordt de tegenstelling veelal als een verschillend denken genomen, getuige de uitdrukking : andersdenkenden. Dat is wellicht de vrucht van een overheerschend intellectualisme.

Daartegen zijn verschillende reacties opgekomen, die een plaats opeischen voor de werkingen in het zieleleven, die niet in het verstandelijke opgaan. Het gevoels en wilsleven vraagt om zijn rechten. In verband daarmede doen zich ook veranderingen voor in de beschouwingen van het religieuze en zedelijke leven. Reeds uit het oogpunt van deze verandering is het niet juist de tegenstelling van rechtzinnig en vrijzinnig als een tegenstelling van verschillende denkwijzen te zien.

Anderzijds mag men het verstandelijke niet veronachtzamen. Verstand, wil en gevoel worden alle in het religieuze leven betrokken. De religie vervult het gansche leven. Zij gaat over verstand, wil en gevoel.

Het geloof heeft een eigen kennis. Het is echter niet alleen een zeker weten, maar ook een vast vertrouwen, waardoor wij alles voor waarachtig houden, wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft. Religie is niet alleen een beweging van ons gevoelsleven, zij gaat gepaard met een onderwerping van den wil tot gehoorzaamheid aan Christus en een kennis van Zijn weldaden. Die kennis draagt een geestelijk karakter. Zij wordt gewerkt door den Heiligen Geest. Door deze geestelijke kennis wordt ook het verstand bevrucht. De theologie tracht het verband tusschen de geloofswaarheden te onderzoeken en te verstaan. Vandaar, dat men van gedachtenschema's kan spreken. Men vergete echter niet, dat die gedachtenschema's nog geen religie zijn. De religie openbaart zich in het geloof, waaruit ook de theoloog arbeidt. Wanneer men dus een onderscheid in gedachtenschema's waarneemt en daaraan een tegenstelliing tusschen rechtzinnigheid en vrijzinnigheid ontdekt, moet men daarbij niet blijven staan, maar doordringen tot een dieper onderscheid in den grond, waaruit dat alles is opgekomen.

Zoo komt men tot een tegenstelling in het geloofsleven.

Deze tegenstelling kan men niet overbruggen door een vaag vermoeden, dat men in de sfeer van het religieuze eigenlijk dezelfde werkelijkheid omhelst, alsof de verschillende wijze van uiting niet anders dan een straalbreking van hetzelfde licht zou beduiden. Daarom wordt met nadruk gewezen op de kennis des geloofs als een geestelijke gave, een inzicht in de dingen, die des Geestes Gods zijn, welke kennis vrucht is van de werkingen van denzelfden Geest, die de Apostelen en Profeten heeft gedreven. Die geloofskennis wortelt in het door den Geest des Heeren gewekte leven. Het geloof en de kennis des geloofs kunnen zonder dat leven niet zijn. Het geloof is openbaring van dat leven. Daarom is dat geloof onderscheidend. De Schrift spreekt van degenen, die uit het geloof zijn. (Gal. 3 : 7, 9). Zij zijn door ongeloof afgebroken (Rom. 11:20). In Corinthe 14 : 23, 24 spreekt de Apostel van ongeleerde of ongeloovige. Hebr. 3 : 19 die niet kunnen ingaan vanwege hun ongeloof. De scheiding ligt alzoo tusschen geloof en ongeloof. Zoo spreekt Gal. 6 : 10 van de huisgenooten des geloofs, een beeld, dat op een familie of huisgezin wijst, als op degenen, die hetzelfde leven deelachtig zijn.

Dit geloof is niet zonder inhoud. Het is op den Christus gericht. Het omhelst Hem en al Zijn weldaden. Lees slechts het evangelie van Johannes om telkens weer uit den mond van Christus te vernemen : „die in Mij gelooft, zal leven". Beluister de prediking der Apostelen, dat Jezus is de Christus. Het geloof ziet op Hem, omhelst Hem en dit niet op eenige wijze, zooals Hij zich - niet heeft geopenbaard, maar zooals Hij zich geopenbaard heeft en in het Evangelie voor ons staat. Daarom is het geloof ook gebonden aan Zijn Woord : Indien gij Mozes geloofdet, zoo zoudt gij Mij gelooven. Maar zoo gij zijn schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden gelooven ? (Joh. 5 : 48). Mozes heeft immers van Hem en door Zijn Geest gesproken. Hij bestraft de Emmaüsgangers, omdat zij niet gelooven al hetgeen de profeten gesproken hebben. (Luk. 24 : 25).

Men ziet dus, hoe Christus zelf verband legt tusschen het geloof van al hetgeen de profeten geschreven hebben en het geloof in Hem. Het is er dus verre vandaan, dat het christdijk geloof niet anders dan een vage en onuitsprekelijke aanraking met de sfeer van het religieuze of geestelijke zou zijn. Het is zeer nauw aan den Christus gebonden, gelijk Hij zich openbaart en daarom aan de Schriften. Ook van de discipelen, die twijfelachtig bij het geopende graf stonden, staat geschreven : zij wisten nog de Schrift niet, dat hij van de dooden moest opstaan. (Joh. 20 : 9).

Christus opent de Schriften en de Apostelen onderwijzen in de Schriften, zoodat het geloof bij de Heilige Schrift wordt geleid, want het is één en dezelfde Geest, die het geloof werkt en die door de profeten heeft gesproken.

Niet zonder recht wordt het geloof als Schriftuurlijk of Schriftgeloof onderscheiden. Het is dan ook volkomen Schriftuurlijk, dat de confessie de Heilige Schrift den eenigen regel en het richtsnoer des geloofs noemt. In het leven van den geloovige is het ook een voortdurende oefening om bij de Schrift te leven, zijn geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. In dien strijd des geloofs ontdekt hij steeds weer zijn eigendunkelijkheid, die een afgoderij is, welke voor God niet kan bestaan, zijn ongeloof om zich aan Gods Woord over te geven en daarop te betrouwen. En als hij de kracht vindt om het te doen, wordt hij nooit beschaamd, want de Heere doet wat Hij belooft.

Wat is eigendunkelijkheid anders dan een soort vrijzinnigheid, die zich tegenover God en Zijn Woord zoekt te handhaven ? Een soort vrijzinnigheid, die op ongeloof en ongehoorzaamheid neerkomt. De waarachtig geloovige zal dit in zich zelf vinden, waarom hij spreekt van den ouden en den nieuwen mensch. Hij weet ook, dat godsdienstigheid en vroomheid nog geen geloof is, en dat zijn godsdienstigheid hem zelfs in den weg kan staan om in waarachtige ootmoed voor God te leven.

Zou dan de vrijzinnigheid wellicht niet een vroomachtig soort ongeloof kunnen zijn, dat aan het waarachtig geloof in den weg staat ? Het blijkt toch telkens weer, inzonderheid als zij over de Heilige Schrift schrijft, dat zij haar op een wijze waardeert, die geheel en al verschilt van de belijdenis der kerk en van den eisch der Schrift. En zoolang zij zich niet aan haar onderwerpt en , niet kan gelooven al wat de profeten gezegd hebben, zal zij meer tegen het geloof dan tegen het ongeloof bevonden worden te strijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1942

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Vrijzinnigheid en ongeloof

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1942

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's