De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CHRISTENDOM EN HUMANISME

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CHRISTENDOM EN HUMANISME

10 minuten leestijd

De wederzijdsche waardeering van Christendom en humanisme volgt over en weer uit hun beginselen, d.w.z. dat het Christendom een waardeering heeft van het humanisme, welke daaraan te beurt valt niet krachtens de beginselen, waarvan het uitgaat, maar krachtens de theologische wereldbeschouwing. Het Christendom erkent dat het humanisme door de eeuwen heen veel heeft bijgedragen tot verrijking van het cultureele leven. Het is zich daarvan dan ook ten volle bewust, gelijk het zich ook bewust richt op de cultuur van den mensch en daarin de verwezenlijking van zijn idealen nastreeft. Het roemt zijn helden van den geest, die in wijsbegeerte, wetenschap en kunst een naam onder de menschen hebben verworven, en niemand zal ontkennen, dat hun arbeid bewonderenswaardige geestkracht, vernuft en scherpzinnigheid ten toon spreidt en allengs een geheel ander aanzien aan de saamleving heeft geschonken.

Terecht zal iemand opmerken, dat de roem van al die cultuurgoederen toch niet toekomen kan aan een bepaalden kring, die zich zelf onder den naam humanisme aandient.

Het is ook zoo. Men kan zoo in het algemeen slechts van humanisme spreken, als men op de bewegingen en de strevingen ziet, die het hart van den mensch in den strijd voor zijn aardsche bestaan beroeren. Dan ziet men hem in den harden strijd om het bestaan, in zijn worsteling met zoovele machten, die hem angst aanjagen en benauwen, aan wier doodelijken greep hij zoekt te ontkomen en die hij tracht te bedwingen en onder de heerschappij van zijn geest te brengen.

In die worsteling werd de mensch allengs ontdekt aan de kracht en het vermogen, welke hem onderscheiden van de andere schepselen. En hij die voorheen zijn offer plengde op het altaar der goden wier gunst hij hoopte te verwerven of wier toon hij zocht te stillen, sterkte zich in zijn groeien zelfbewustzijn. De mensch zelf werd het object van zijn kennend streven en dit vond zijn voortzetting de cultuur van den mensch naar het voorgesteld ideaal, waarin het goede en schoone werden vereenigd.

Zoo werd het klassieke humanisme geboren, welk ideaal bij den uitgang der Middeleeuwen, den naar vrijheid strevenden mensch als opnieuw inspireerde. Alleen die mensch had mede den invloed der kerk ondervonden, en hoewel hij geen kind van de reformatie wilde zijn en door zijn tijd onder de libertijnen werd gerangschikt, had zijn humanisme naar het uiterlijk voorkomen het klassieke heidendom afgelegd. Doch met alle humanisme had het gemeen, dat het zich op den mensch richtte en de aarde voor den mensch opeischte.

Wil dat humanisme nu voor zijn aandeel naast het Christendom aangerekend zijn in de moderne beschaving - om niet alleen van de Nederlandsche te spreken - dan zullen wij dat, zooals boven gebleken is, niet bestrijden. Integendeel - maar in het humanisme zijn ook de verderfelijke leeringen en strevingen opgekomen, die tot de geweldigste crisis hebben geleid, welke de wereldgeschiedenis heeft gekend.

Het humanisme, dat in onzen tijd zijn stem verheft, zal dat niet voor zijn rekening nemen, omdat het zich daartegen evenzeer als de kerk heeft verzet. Immers het beantwoordt niet aan zijn gekoesterd ideaal, een ideaal, dat het slechts heeft ontdekt of herontdekt temidden van de ontstellende werkelijkheid van de nationaal· socialistische terreur, die over ons kwam. Wij heeten die duivelsch en de duivel heeft er zijn rol in gespeeld. Doch als de humanist van heden zoo aan den lijve ervaren heeft, dat zijn ideaal dusdanig door de daemonische machten, die over den mensch heerschappij nemen in puin wordt geworpen, wat verwachting kan hij dan hebben voor zijn uiteindelijke verwerkelijking?

En zoo niet, als hij aan de werken van den duivel zoomin gelooft, als aan de openbaring Gods, vanwaar komen dan al die verderfelijke krachten en stroomingen uit den mensch?

Het is dus wel begrijpelijk, dat de worsteling tegen de geweldenarij en verwoesting van den arbeid der voorbijgegane geslachten, den mensch tot bezinning roept en dat de humanist zich spiegelt aan het beeld zijner klassieke gestalte, dat hem lief is, om zijn medegenooten op te roepen tot den gemeenschappelijken opbouwen de waarachtige bescherming van de door den mensch geworven cultuurgoederen.

Doch stel nu, dat het humanisme er in slaagt wederom die orde en rust te scheppen, welke noodzakelijke voorwaarden zijn voor de hervattingen den rustigen voortgang van den cultuurarbeid. voor de beoefening van wetenschap en kunst, voor den arbeid der techniek en wat daarmede verder samen· hangt, wat waarborg heeft het, dat de vrucht van dat al niet wederom door een boosaardig vernuft zal worden aangegrepen tot verwoesting?

Zal het humanisme bij machte zijn te waken tegen de verblinding van een eigenwaan, welke het belet de werken der duisternis in den boezem van eenig volk der aarde waar te nemen?

Immers neen. En indien het zulks van zich zelf beweerde, zouden wij het niet ernstig nemen. Het beginsel van het humanisme, hoe lofwaardig en humaan uit menschelijk oogpunt gezien, kan ons alzoo geen vertrouwen inboezemen.

Het licht, dat de Schrift over den mensch en de wereld doet opgaan, leidt tot een geheel andere waardeering, ook van den menschelijken cultuurarbeid. En deze is volstrekt niet negatief, integendeel, de Heilige Schrift leert ons in de gansche geschiedenis de hand Gods zien. Immers zijn alle dingen uit Hem en door Hem en tot Hem. Hij voert de wereld naar de bestemming van Zijn Raad. Bewust of onbewust is de mensch dienstbaar aan de vervulling van den Raad Gods. En zoo gaat ook de cultuurdrang van den mensch niet buiten Gods wil om, want het is den mensch gezet heerschappij te hebben over de aarde. Dit is het rijk van den menseh. Daarom kan de mens en niet anders dan naar die heerschappij streven en daarop de gaven van zijn geest richten. Uit dien grond is zijn drang naar wetenschap en cultuurarbeid opgekomen.

Uit dit alles volgt. dat ook de gaven van wetenschap en kunst gaven Gods zijn, gelijk ook de Heilige Schrift leert, dat zij door zijn Heiligen Geest worden gewerkt. De mensch erkent dit niet, als hij er niet aan ontdekt wordt, en is veeleer geneigd zichzelf die gaven toe te schrijven, zooals hij zich ook het gansche rijk der aarde toeëigent.

Alle humanisme wordt door deze aanmatiging gekenmerkt en deze wordt gemakkelijk tot welbewuste zelfverheffing bij de toenemende macht en heerschappij over de aarde, waarvan de laatste eeuw een onverdacht bewijs heeft geleverd.

Doch al miskent het humanisme de gaven Gods, het Christendom mag die niet miskennen, ook al geeft God Zijn gaven aan degenen, die Hem niet in erkentenis houden. Doch een ieder is verantwoordelijk voor God, hoe hij die gaven gebruikt en waartoe.

Daarom heeft het Christendom ook waardeering voor de cultuurgoederen, waardoor het aardsche leven wordt verrijkt, en als God, Zijn gaven aan Christen en niet Christen uitdeelt, kan het Christendom niet weigeren in dit leven rekening te houden met het licht dat God door het menschelijk zoeken en speuren doet opgaan. Reeds in het eerste bijbelboek wordt ons gemeld, dat de groote vindingen uit Kaïns stad zijn voortgekomen en Jesaia wijst er zoo nadrukkelijk op, dat God den mensch ook in zijn aardschen arbeid onderricht en hem leert. (Jesaja 28 : 26).

De levenshouding van het humanisme werkt er nu niet bepaald toe mede, dat het deze Christelijke waardeering op prijs stelt. Want immers, indien het de gave Gods. erkent, zal het ook den Gever hebben te eeren en te dienen, te dienen ook in het gebruik der gaven.

Alleen de overweging reeds stelt den mensch voor een dilemma. God of de mensch. God ook erkennen als hoogste Souverein en Rechter over het aardsche leven, zoodat het valt onder den norm van Zijn Wet, óf God niet erkennen, naar eigen inzicht zijn leven richten.

Het is dan ook volkomen juist als Calvijn dezen knoop doorhakt en de norm van de Wet Gods voor de burgerlijke gerechtigheid wil hebben aangelegd. Want zulks betaamt alle menschen. Wij willen niet beweren, dat op dien grondslag de anti-these zal wegvallen, maar het staat vast, dat op dat fundament een saamwerking in het sociale en politieke leven kan worden verkregen, welke de gerechtigheid werkt, die de natie verhoogt.

En dat geldt zoowel voor de eerste als voor de tweede tafel. De openbare erkenning van den eenigen en waarachtigen God, die zich in Zijn Woord geopenbaard heeft is de grondslag en vastigheid van alle gezag op aarde. Zij, die dit niet willen erkennen, stellen een anti-these, die een noodlottig gevaar voor het nationale leven zal blijken. En een Overheid, welke weigert zich op dien grondslag van haar gezag te stellen, waagt de natie aan een experiment, dat de kiemen harer ontbinding in zich draagt. De geschiedenis van ruim anderhalve eeuw en de ervaring van twee generaties is daar om aan te toonen, welke rampen de doorwerking van de beginselen der Fransche revolutie over de wereld heeft gebracht.

Het ontbreekt niet aan symptomen in onzen tijd, die er op zouden kunnen wijzen, dat er neiging is tot zulk een openbare erkenning van den eenigen God. Zijn Naam wordt genoemd in openbare plechtigheden en officieele toespraken.

Doch bij degenen, - zelfs ook kerkelijke schrijvers - die zich geroepen gevoelen om Christendom en Humanisme aan elkander uit te huwelijken, verneemt men weinig of niets van deze fundamenteele zaken. Klaarblijkelijk stellen zij zich een verwaterd Christendom voor en een soort humanisme, dat de norm van waarheid en gerechtigheid aan zich zelf toeschrijft.

Hoezeer dit laatste op zelfmisleiding berust, glinstert er toch nog een waarheidsmoment in. Was het niet zoo, dat Christusbelijders en z.g. humanisten elkander vonden in het verzet tegen de ongerechtigheid, tegen het "onmenschelijk" handelen van den vijand en tegen zijn tyrannie?

Laten wij nu alle andere motieven, die den geest van verzet in ons volk kunnen hebben versterkt, buiten beschouwing om alleen het geestelijk en zedelijk motief in aanmerking te nemen, waaraan de volksziel haar hoogste kracht dankte, wat springt dan in het oog?

Datgene, wat men wil grijpen onder de idee van het humane, het menschelijke, hetwelk in verzet kwam tegen het onmenschelijke, het bestiale en duivelsche. Daarop beroept zich dan ook het huidige humanisme.

Er werkt dus in den mensch een normatieve kracht, het humane, datgene wat met de ware menschelijkheid overeenkomt. Wat anders kan dat nu zijn als des menschen ware levenswet, waarvan de Schrift getuigt, dat zij werkt ook in de heidenen, die de wet niet hebben. (Rom. 2 : 14, 15).

Indien nu het humanisme zich beroept op dat werk der wet, raakt het alzoo aan een werkelijkheid, maar het vergeet, dat het niet de verdienste van den mensch, maar van het werk der wet is. In de wet ligt de kracht en dat niet om den mensch te rechtvaardigen en hoogmoedig te maken, maar om hem zijn onschuld te benemen. Het gaat niet om den edelen of humanen mensch, maar om de ontdekking van den mensch in zijn gebondenheid aan zijn levenswet, welke ons in de wet Gods wordt geopenbaard.

Daarom zal ook het humanisme eerst recht humaan kunnen zijn, als het niet in zich zelf, maar in Gods wet, zijnde de levenswet voor den mensch, zijn norm vindt. En op, dien grond kan een vruchtbare samenwerking in de practische vragen van het sociale en politieke leven worden gevonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 15 oktober 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

CHRISTENDOM EN HUMANISME

Bekijk de hele uitgave van maandag 15 oktober 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's