DE KERK SPREEKT
Het is zonder twijfel een verheugend feit, dat de kerk zich in de belangstelling van velen een plaats heeft veroverd, die voorheen aan haar voorbijgingen. En het kan niet worden ontkend, dat zij in de jaren der verdrukking niet geaarzeld heeft te protesteeren tegen de ongerechligheid. Zij heeft daardoor aan respect en waardeering gewonnen bij velen, die buitenaf stonden.
Men had met de kerk afgedaan, en zelfs had men gesproken van het bankroet van het Christendom. Zoover was de ontkerstening voortgewoekerd, dat men in breede kringen van het moderne leven zelfs omtrent de hoofdzaken der Christelijke leer en van den inhoud des Bijbels onkundig was. Wat kon men dan nog van Kerk en Christendom verwachten, die als rudimenten van een verouderde cultuur slechts 'n zekere historische waarde konden hebben. En bovendien, hoe kon men verwachting hebben van een Christendom, dat onderling verdeeld met zichzelf geen weg schijnt te weten.
Maar hoe het zij, de kerk heeft gesproken. De Synode heeft haar boodschappen doen uitgaan en de kerken. In veel breeder omvang dan voorheen werd mogelijk geacht, hebben vaak gemeenschappelijk haar stem verheven. Zoo bleek daar toch nog een verborgen kracht in het Christendom te schuilen, die in den nood de natie tot steun en een toevlucht is geweest.
De Synode heeft haar boodschappen de kerk ingezonden. Kon dat wel? Was zij daartoe bevoegd? Zij was toch niet de mond der kerk. Miste de kerk onder de Organisatie van 1816 niet haar eigen wettige organen, zoodat zij niet spreken kon? Die vragen zijn binnen en buiten de synodale colleges gesteld en naar het kerkelijk recht beoordeeld, is het antwoord niet twijfelachtig. Neen.
Ja, maar zij deed het, zij deed het onder den drang van bezinning op de roeping der kerk en dat temidden van den nood en in de onderscheidene betrekkingen in de saamleving. Er moest raad en daad genomen worden, Zij riep een uitgebreide commissie van overleg in het leven om zich verder te beraden en hieruit werden tal van werkgroepen geboren met het oog op de onderscheiden betrekkingen: als kerk en zending, kerk en prediking, kerk en school. kerk en jeugd, en nog veel meer.
Wij gaan op het werk van al die werkgroepen en wat er alles mede samenhangt thans niet in en onthouden ons van nadere beschouwingen over hetgeen de kerk gesproken heeft, in hoeverre dit al dan niet met de belijdenis in overeenstemming of strijd kan worden geacht, alle dingen, die niet zonder belang kunnen zijn, maar bepalen ons alleen bij het feit, dat dit alles aanleiding is geworden tot doorbreking van de synodale organisatie en de instelling van een kerkorde, die bedoelt in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en op den grondslag der belijdenisgeschriften te komen tot een kerkorde, welke met den aard en het wezen der kerk overeenkomt.
Zoo zullen de classes geroepen worden een predikant of ouderling naar een Synode af te vaardigen om naar de uitgesproken bedoeling mede te werken aan de voorbereiding van de kerkorde.
Ook op deze zaak gaan wij thans verder niet in, omdat wij de aandacht willen vestigen op een verschijnsel, dat nu reeds dreigt een gevaar te worden voor de toekomst. Steeds hebben wij, wanneer daartoe aanleiding was, gewezen op het gevaar, dat de leiding van gemeenteopbouw een soort van nevenregeering in de kerk dreigt te worden. In verschillend opzicht kon dat tot ongewenschte gevolgen voeren. Ook al begrijpen wij den ijver, die velen bezielt, zoo is het toch geraden, datl zij zich den teugel van echt kerkelijke bezinning aanleggen. Het verdient alle lof de onbetaalde rekeningen van het verleden tot kwijting te willen brengen, maar men wachte zich er voor deze met oorlogsgeld te betalen.
Het gevaar is lang niet meer denkbeeldig, dat de kerk zich met allerlei zaken gaat bemoeien op een wijze, die haar zelf schade doet, omdat zij haar roeping gaat voorbijstreven.
Daarmede ontkennen wij in geenen deele profetische roeping der kerk ten aanzien van het gansche leven. Maar juist daarin schuilt het gevaar. Want daaraan schijnen verschillende kerkelijke leidslieden en personen het recht en wellicht den plicht te ontlenen om nu maar onder het motto: de kerk spreekt, allerlei persoonlijke inzichten en meeningen omtrent de levensverhoudingen in staat en maatschappij in naam der kerk den volke te verkondigen.
Het spreken der kerk in den nood heeft hen zoozeer losgeslagen van de orde, dat zij van het spreken der kerk een babylonische spraakverwarring maken.
Er kan in het algemeen geen bezwaar worden gemaakt als predikanten en anderen hun licht laten schijnen over de vraagstukken van den dag, en zeker niet, als zij dit doen op een theologische wijze; d.w.z. als zij die vraagstukken trachten te zien bij het licht der openbaring.
Het is echter ten eenenmale ontoelaatbaar, dat dergelijke redevoeringen en beschouwingen worden aangekondigd als de sprake der kerk.
Op die manier zou de kerk heel wat strijdige dingen zeggen en zelfs worden haar uitspraken in den mond gelegd, die zij nooit voor haar rekening zou kunnen nemen.
Op die wijze kan de kerk slechts het respect, dat in de achterlliggende jaren gewonnen werd, verspelen en tekort doen aan de autoriteit en de waardigheid, waarop zij aanspraak wil maken.
Wat wil men nu verwachten van den arbeid der voorbereidende Synode, als men bedenkt, dat zulke practijken niet anders dan afbreuk kunnen doen aan het kerkelijk besef.
Geen werkgroep, ook niet gemeenteopbouw, kan zich de autoriteit van de kerk aanmatigen zonder de gebreken, die de organisatie van 1816 aankleven, te verergeren en de ontwikkeling van een gezond kerkelijk leven ernstig te schaden. Dit vindt zijn oorzaak niet alleen in de wederrechtelijkheid en het onbehoorlijke van de aanmatiging op zichzelf, maar ook in het feit, dat de werkgroepen veelal den arbeid van het particulier initiatief in kerkelijk verband hebben betrokken en - waar dit het geval is geweest - uitgebreid.
Het ligt toch voor de hand, dat de vrije ontwikkeling van het particulier initiatief onder de voor-oorlogsche omstandigheden in allerlei opzicht ook binnen het gelegd verband met en door de werkgroepen zijn invloeden doet gelden. Men behoeft slechts zoo iets te noemen als geestelijke stromingen om te verstaan, welke moeilijkheden dit brengt in een kerk, die haar positie daartegenover ol dienaangaande niet heeft kunnen bepalen en uitspreken.
Wellicht zijn er, die dit onverdeeld willen toejuichen, doch zij, die uit een gezond kerkelijk besef leven, zullen toegeven, dat deze aangelegenheid de kiemen in zich draagt van conflicten met het confessioneel karakter, hetwelk de kerk krachtens haar aard eigen is.
Het verraadt dan ook een juist standpunt, als de boodschappen der Synode een en ander maal tot de gehoorzaamheid aan Schrift en belijdenis vermaanden en het voegde in de eerste plaats de commissies en werkgroepen die vermaning ter harte te nemen. En dit kon ook slechts ten goede komen aan de voorbereiding van een nieuwe kerkorde op den grondslag der belijdenis. Maar dan kan er geen sprake van zijn, dat iedereen zich maar zoo tot een mond der kerk maakt.
Dit kan slechts afkeuring en verontwaardiging opwekken bij degenen, die meer kerkelijk besef hebben dan zij, die zulke dingen opzetten, En het is ons gebleken, dat zulks ook het geval is en niet alleen in onzen kring.
Daarom zal het goed zijn, dat men op dezen weg terugkomt en zich meer rekenschap geeft van de orde, die in de kerk past.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 17 oktober 1945
De Waarheidsvriend | 2 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 17 oktober 1945
De Waarheidsvriend | 2 Pagina's