De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HERLEVING VAN HET CHRISTELIJK GELOOF?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HERLEVING VAN HET CHRISTELIJK GELOOF?

8 minuten leestijd

In zijn laatsteboek „Geschonden wereld", wijdt Huizinga een paragraaf aan de vraag : „Is een herleving van het Christelijk geloof te wachten ? "

Vast staat, dat het ontredderde en ontkerstende Westen een nieuwe bezieling noodig heeft om tot herstel van echte cultuur te kunnen geraken. Is dat te verwachten van een herleving van het Christelijk geloof ?

Zijn antwoord is niet bemoedigend.

Wel is in 't lijden van de laatste jaren de religieuse behoefte ontzaglijk versterkt. Tal van geesten staan als 't ware voor een algemeene renaissance van het Christelijk geloof open, naar zijn meening. Hij wil zich echter niet paaien met een schoonen schijn.

„Er zijn er, die, uitgaande van een waardeering van het Christendom als historisch verschijnsel, tot een conclusie komen, welke ten naastebij westersche moderne beschaving en Christendom gelijkstelt" (blz. 167). Zij meenen, dat tweeduizend jaar geschiedenis de beschaving zoozeer doortrokken heeft van den christelijken geest, dat zij een christelijke beschaving mag heeten.

Inderdaad wijst hij hier op een meening, die in haar oppervlakkige algemeenheid een klankbodem vindt voor de door sommigen verdedigde synthese van Christendom en humanisme.

Het spreekt echter vanzelf, zooals Huizinga ook opmerkt, dat de belijdende Christen met zulk een conclusie geen vrede kan hebben. Deze verwerpt de these en heeft ook niet genoeg aan een gemoedelijk-ethische Christelijke renaissance, die, met uitwissching van vrijwel alle dogmatiek, het heil zoekt in een gemeenzamen omgang met den Christus. (Vgl. blz. 168).

„En nu rijst de drukkende vraag : acht men waarlijk den tijd aanstaande, dat de menschen van gemiddeld geestelijk kaliber weer gaan leven in en uit de voorstellingen van kruisdood, opstanding, uitverkiezing en oordeel ? " De schrijver acht het vermetel, zulk een wending als aanstaande te veronderstellen. De moderne menschheid in Europa en Amerika is als geheel op verwerven en op genieten gericht.

En hij zegt er waarlijk niet te veel aan, als hij opmerkt, dat de vulgaire alledaagschheid ook niet wordt opgeheven bij hen, die tot eenig kerkgeloof behooren. (Vgl. blz, 168). Als hij dan verder gaat en vraagt, of het Christendom wel ooit den laag-gemiddelden mensch beter en wijzer heeft gemaakt, raakt hij een punt, waarop wij het niet meer eens zijn, maar in het zoo even aangehaalde is de waarheid aan zijn zijde.

Hij heeft volkomen gelijk, als hij den modernen mensch, ook den kerkschen modernen mensch, in zijn vulgaire alledaagschheid teekent, welke er alleen op gericht is, hoe kan ik er beter van worden, en hoe kan ik genieten. Ook de kerksche mensch is in het algemeen der wereld gelijkvormig geworden. En zonder twijfel is dit het meest ernstige verschijnsel van den tijd, dat het kerkelijk Christendom zoozeer ontkerstend is, dat het zich door weinig meer dan door den meer of minder regelmatigen kerkgang van de wereld onderscheidt. En, helaas, geldt dat niet alleen van wat als een gemoedelijk-ethisch Christendom wordt aangemerkt, maar zelfs van velen, die de volstrekte aanvaarding en beleving van het dogma eischen.

Onze moderne beschaving heeft niet slechts aan algeheele uitholling geleden, zoodat er niet anders dan een uitwendige schijn overbleef, maar zij kon zoodanig worden uitgehold, omdat het Christendom reeds eerder aan bloedarmoede leed en verkwijnde, zoodat het in gebreke bleef den geest dezer eeuw te weerstaan. Van zulk een Christendom is geen verwachting en het is zeer begrijpelijk, dat een man, die dit alles met het oog van den historicus beschouwt, tegen goedkoop optimisme waarschuwt.

Daarmede wordt echter de zaak niet minder somber. Want dit houden wij buiten allen twijfel : als de wereld zich niet bekeert tot den God van Christus, dan staat haar ondergang voor de deur. En wie anders zal den roep ter bekeering, die alom over de wereld gaat, vertolken, dan de kerk, die tot een getuige des Heeren is gezet. Daarom niet, of de mensch van gemiddeld geestelijk kaliber, het slachtoffer van het moderne heidendom, maar of de ontkerstende kerk, die, hoe dan ook, nog van den Christus weet en zijn zaligheid predikt, zich zal bekeeren tot gehoorzaamheid en eenvoudigheid des geloofs.

Het is niet de vraag, of de moderne, uitgeschudde en in al zijn idealen teleurgestelde mensch nog gelooven kan in den Christus der Schriften, in Zijn kruisdood en opstanding, maar, of de belijders van den Christus, als levende getuigen van den eenigen Zaligmaker der wereld openbaar worden in woorden en werken.

Of dat mogelijk is ? Christus spreekt ook van het zouteloos geworden zout, dat' nergens toe deugt dan te worden uitgeworpen. Wee ons, als wij daarin ons oordeel zullen vinden,

't Is waar, dat de wereld in haar nood, nog kracht heeft gewonnen uit het protest der kerken tegen de ongerechtigheid, en het is ook waar, dat de mensch gaarne de schuld van zich werpt, maar het heeft toch wat te zeggen, dat diezelfde wereld in nood aan het Christendom verwijt — dat het niet getrouw is geweest. Het zijn alle noodkreeten, als van een drenkeling, die om hulp vraagt, daar hij  zich zelf niet helpen kan.

Waarom zou de moderne mensch de waarheid des Evangelies niet meer kunnen gelooven ? Waarin verschilt hij van den klassieken mensch, die zich zelf van Gods geslacht waande en alle boosheid aan zijn lichamelijk bestaan en aan de stof toeschreef. De moderne mensch waande zich een god en Gode gelijk, en wel een soort natuur-god, die uit de stoffelijkheid is opgekomen.

In zooverre onderscheidt de klassieke mensch zich nog, dat hij zoekt van de booze stof los te komen, terwijl de moderne mensch, verstorven aan het geloof eener bovenzinneiljke werkelijkheid, is weggezonken in den troosteloozen kringloop der materie, gedreven door een zinloos noodlot.

In den hoogmoed van zijn zelfbewustzijn heeft de 19e eeuwsche mensch zijn Schepper naar de kroon gestoken en aan zich zelf overgegeven, heeft God hem meer macht gegeven over de natuur dan eenige generatie in het verleden, opdat hij zijn vermetel spel in onbezonnen zelfgenoegzaamheid ten einde zou uitspelen, om in den inner lij ken chaos van eigen huishouding zijn oordeel te vinden. Zal deze mensch nog voor den Christus kunnen worden gewonnen ?

Waarom niet ? Waarin is hij onderscheiden van den eersten Adam, dan dat hij niet beeft overtreden in de gelijkheid der overtreding Adams ? Waarin van alle andere menschen, die God uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht ? Is de Christus niet voor de wereldzonde gestorven en roept Hij niet goddeloozen ter bekeering ?

Of zou het voor den Christus, die Zijn kerk uit de wereld van het klassieke heidendom tot openbaring heeft geroepen, teveel zijn om uit het moderne heidendom een volk tot Zijn lof te bereiden ?

Nimmer zal de zonde der wereld de genade in den weg staan, maar wel staat er geschreven, dat Hij Zijn krachten naliet te betoonen vanwege hun ongeloof. En dat was te Nazareth, in Zijn vaderstad.

Daarom gaat er uit al den nood van den tijd een roep uit op de kerk, op allen, die zich scharen onder de positieve belijders van den Christus der Schriften. Laat ons daarom niet mededoen met allen, die den mond vol heb­ ben van de kerk : De kerk moet spreken, en de kerk heeft niet gesproken. De kerk heeft haar roeping verzaakt en de kerk moet ik weet niet wat al doen.

Het is zoo gemakkelijk alles op de kerk te schuiven en van ons af te schuiven. Maar de kerk, dat zijn allen, die den Christus Gods oprecht belijden, en die allen worden geroepen tot het werk Gods in eigen huis en omgeving. Wij allen, die Hem, belijden, zooals wij door Zijn Woord en Geest worden geteerd, wij hebben een taak des geloofs, niet zoekende naar de aardsche dingen, gelijk de heidenen, maar de hemelsche gerechtigheid.

Het staat niet aan ons te beoordeelen, of de wereld rijp is en genegen om den Christus aan te nemen en Zijn zaligheid te zoeken. Maar het bevel is ons opgelegd te zaaien op alle wateren. En voor alles, laat ons de gehoorzaamheid betrachten, om als ware Christgeloovigen met eïi onder elkander te leven en uit de gescheidenheid der kerken als één Christenvolk openbaar te worden, onze onderlinge veeten en twisten nalatende en koesteren de gemeenschap des geloofs overeenkomstig de leer, die den heiligen is overgeleverd. Wanneer het positief belijdend Christendom als één man op komt voor de Waarheid Gods en voor de eere van Zijn Naam en Zijn Wet, ook in het publieke leven, zal dat een interne overwinning des geloofs naar buiten openbaren, die ook haar vruchten zal afwerpen op de wereld. Dan toch zal er onderscheiding zijn van geloof en ongeloof. Want het is onmogelijk, dat, wie Christus door een waarachtig geloof is ingeplant, niet zoude voort­brengen vruchten der dankbaarheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1945

De Waarheidsvriend | 2 Pagina's

HERLEVING VAN HET CHRISTELIJK GELOOF?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1945

De Waarheidsvriend | 2 Pagina's