NATUURLIJK OF GEOPENBAARD
Het rationalisme der 18e eew stond op het standpunt, dat de rede bij machte was de Goddelijke waarheden uit te vinden. Het stelde zich alzoo voor, dat de mensch een natuurlijk vermogen zou hebben om God te kennen. Er zou dus een natuurlijke theologie of Godskennis zijn en deze werd door sommigen zelfs zoozeer uitgebreid, dat zij naar den inhoud de geopenbaarde theologie schier nabij kwam.
Daarin werkte reeds deze groote misleiding, dat men de verkregen Godskennis door opvoeding en onderwijs, waarover men verstandelijk beschikte, onbewust, maar daarom toch ten onrechte, aan het eigen verstand toeschreef. Dat is dan ook wel gebleken, toen de z.g.n. natuurlijke theologie hoe langer zoo meer van de geopenbaarde Godskennis ging afwijken en haar wijsgeerige impulsen volgde. Aan deze ontwikkeling zijn de Gereformeerde theologen van vroeger en later niet onschuldig. Deze toch meenden grond te vinden in Art. 2 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis om te spreken van een kennis van God uit de natuur en onderscheiden alzoo een natuurlijke theologie. Zij meenden daarvoor ook steun te vinden in de klassieke wijsbegeerte en grepen met name Aristoteles aan, wiens philosophic niet slechts formeelien invloed op hen uitoefende.
Reeds de gebruikelijke spreekwijze: God openbaart zich door natuur en schriftuur (Art. 2) is een minder gelukkige, omdat zij aanleiding geeft tot misverstand. Bovendien spreekt het artikel in het geheel niet van natuur, maar het zegt : Wij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld. Het artikel gebruikt alzoo drie verbaal woorden : scheppen, onderhouden en regeeren. Dit kan dus geen anderen zin hebben dan dat God zich doet kennen in Zijn scheppende, onderhoudende en regeerende werkzaamheid. Blijkens de aanhaling van Rom. 1 : 20 is dit ook de bedoeling. Er gaat van de schepping, onderhouding en regeering der wereld een openbarende werking Gods uit. Met een natuurlijk vermogen van den mensch heeft dit niets uit te staan. De apostel Paulus imaakt dat bovendien zeer duidelijk, want hij zegt : dat het kennelijke Gods in de menschen openbaar is, omdat God het hun heeft geopenbaard. De kennis uit de schepping schrijft Paulus dus niet aan een natuurlijk vermogen, maar aan de openbarende daad Gods toe.
En dat laat zich toch ook verstaan. Voor zoover de dingen dezer wereld onder bereik van ons kenvermogen vallen, kunnen zij zich tegen ons onderzoek niet verzetten. Zij vallen onder de macht van ons kenvermogen en voor zoover zij gekend worden onder onze heerschappij. Dat heeft God ook zoo besteld, want Hij heeft die dingen onder onzen voet gezet, d.i. in onze macht gegeven : (Vgl. Psalm 8). Wat zou men nu meenen met zijn natuurlijke Godskennis, dat God zichzelf in de macht van des menschen kenvermogen had gegeven; , zoodat die mensch God tot object van zijn nieuwsgierigheid of weetgierigheid zou kunnen maken en in Zijn verborgenheden in te dringen als ware Hij een stuk van deze wereld ? Dat zou de onttroning en gevangenschap Gods beteekenen, en de mensch zou Zijn heer en meester wezen.
De Heere is echter ook Souverein in Zijn openbaring. Hij maakt zich bekend aan wien Hij wil en in de mate en op de wijze, zooals Hij wil gekend zijn. Zoo ook door de schepping, onderhouding en regeering der wereld, en dat wel zoo, dat Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid in allen openbaar wordt.
Calvijn heeft dat ook wel ingezien en opgemerkt, dat onze rede niet vermag in het Wezen Gods in te dringen en de wijsgeer Kant heeft het rationalisme van zijn tijd den pas afgesneden door aan te toonen, dat ons redelijk kenvermogen tot den boven deze wereld verhevenen God niet reikt. De invloed van deze critiek is aanleiding geworden, dat men daarom de theologie maar uit de rij der wetenschappen wilde verbannen en zich in den vervolge bezig houden met de bestudeering van de verschijnselen van het godsdienstig leven.
Inmiddels liet de wijsbegeerte niet af toch maar over de Godheid te philosopheeren, maar dan zoo, dat zij zich met de idee van een god bezig hield, die niet boven de wereld verheven werd gedacht, maar veeleer één met de wereld was en die zijn hoogsten bestaansvorm zou vinden in het brein van den wijsgeer. Ziedaar een vorm van natuurlijke theologie, die in haar natuurlijkheid ook de grootste goddeloosheid beteekende en op brutale menschvergoding uitliep.
Tegen dit hoogmoedig bedrijf, dat onnoemelijke schade voor het geestelijk leven in het algemeen heeft teweeggebracht en een verregaande ontkerstening heeft bevorderd, heeft zich terecht de bekende Prof. Karl Barth met kracht verzet. Hij ging daarbij zoo ver, dat hij niet alleen de wijsgeerige hersenschimmen, ideeën en begrippen van de Godheid, maar ook alle voorstellingen en bevindingen, die in een menschenziel kunnen wonen, als afgoderij veroordeelde en verwierp. Hij wilde van dit alles niets weten, zijnde dit alles louter verdichtselen van des menschen hoogmoed.
Geen natuurlijke theologie, zoo klonk zijn woord, en deze keuze vond weerklank in het hart van velen.
Op zichzelf achten wij dit juist. Geen natuurlijke theologie, n.l. in den zin : geen Godskennis door natuurlijk vermogen, maar alle Godskennis is vrucht van den openbarenden Wil en de openbarende werkzaamheid Gods. In dien zin onderschrijven wij gaarne : geen natuurlijke Godskennis.
Wat ziet men echter bij degenen, althans bij sommigen, die in Karl Barth hun meester hebben gevonden of onder invloed van zijn leeringen staan ? Dat zij met afwijzing van een natuurlijke Godskennis ook een z.g.n. algemeene openbaring ontkennen.
Nu weten wij wel, dat de Heilige Schrift met zooveel woorden geen algemeene en bijzondere openbaring onderscheidt, doch de zaak ligt er toch in. Daar is een openbarende werking, die tot allen komt en een algemeene strekking heeft, en er is in verschillend opzicht, verscheiden naar inhoud, bestemming en wijze, een openbaring, die bijzonder mag worden genoemd en welke wij als profetische openbaring zouden kunnen kenmerken.
Een algemeene openbaring te loochenen is dan ook niet alleen in strijd met het Woord, maar ook met de ervaring, die aantoont dat de goddelijke heerlijkheid en kracht openbaar wordt in de schepping Gods. In het leven der volkeren wordt dat gezien, zij het dan ook in een gestalte van religie, wellke, gemeten naar de norm der Heilige Schrift, als een valsche moet worden aangemerkt.
Men wachte zich er dus wel voor in zijn bestrijding van de natuurlijke theologie ook de algemeene openbaring te miskennen of te verwerpen, want daarmede zou men een fundament wegstooten uit het allgemeen geestelijk en zedelijk besef, hetwelk God in Zijn genade schenkt tot een steun voor gezag en orde in de saamleving en zonder hetwelk van een menschelijke saamleving zelfs geen sprake zou kunnen zijn.
Wie zijn Christelijke roeping in deze. dagen van verwarring wil betrachten, mag wel in de eerste plaats op dit fundament Wijzen, opdat God en Zijn heilige Wet wederom tot erkenning mogen komen in ons volksleven en stuur en richting geven temidden van de geestelijke en zedelijke verwildering.
Wij steïllen ons voor hieraan in een volgend artikel nog enkele opmerkingen toe te voegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's