HERSTEL EN VERNIEUWING
Herstel en vernieuwing — is de leuze van den dag. En zonder twijfel staan de volkeren voor een nieuwe taak. Wie dat zou ontkennen — maar hoe zou dat ? En het is ons aller plicht zich wel rekenschap te geven van den toestand, waarin wij verkeeren en de hand aan den ploeg te slaan.
Maar dan moet men ook weten, wat er in de menschen leeft, wat in verschillende kringen onder vernieuwing wordt verstaan, wat men voor verouderd en overwonnen houdt, en waarvan men de vernieuwing wenscht, wat men verwerpt en wat men wil nastreven. Alleen zoo kan men er over meepraten en zijn houding bepalen.
Eén van de verschijnselen, die dan de aandacht en belangstelling vragen, is de vernieuwing van het socialisme, althans in den vorm, die zich aandient als personalistisch-socialisme. Verstaan wij het wèl, dan wil dit tweeerlei kwaad bestrijden, dat zijn verwoestenden invloed in het recent verleden overtuigend heeft getoond : n.l. individualisme en collectivisme.
Het is dan ook niet moeilijk om zonder daarbij diepgaande beschouwingen aan te voeren, door een enkel beeld aan te toonen, wat men daaronder heeft te begrijpen. Een ieder toch kan weten, hoe in de vooroorlogsche ontwikkeling ontbindende krachten in de saamleving werkzaam waren. Wij hebben in het leven van kerk en maatschappij de partijschap op een ontstellende wijze zien toenemen, zoodat men bij wijze van spreken zich moest afvragen, oif er inzake den godsdienst en in de maatschappelijke vragen nog wel twee menschen zouden overblijven, die samenstemden. Iedereen praatte over alles mede, had over alles en nog wat zijn eigen opvattingen en leefde zoo zijn eigen leventje. Kon in eenig gezelschap zijn haan geen koning kraaien, welnu, er waren nog wel eenige ontevredenen, die meehielpen een nieuw gezelschap, kerkje of partijtje op te richten. Deze verbrokkeling en uiteenrafeling van het sociale leven kwam voort uit een eenzijdige instelling op het leven, die men met individualisme pleegt aan te duiden.
Hoe dit nu in het licht van wijsgeerige, staatkundige en oeconomische beginselen kan verklaard worden, laten wij rusten. Wel mag worden opgemerkt, dat dit individualisme mede in verband met die beginselen door de overheersching der z.g. liberale levensbeschouwing in sterkte is bevorderd.
Met de doorwerking van dit liberalisme hield de gestadige verkwijning van de waarlijk sociale gevoelens gelijken tred. Het is dan ook geen wonder, dat dit de reactie moest oproepen, die men in de stroomingen van het socialisme in alle moderne landen zag opkomen. De roep van het socialisme en zijn organisatie was het klaar bewijs van gebrek aan gezond sociaal leven.
Het socialisme zelf echter miste den grondslag van het werkelijk sociale. Het bedoelde wel op te komen voor sociale gerechtigheid en voor de rechten der persoonlijkheid, doch het omhelsde in het Marxisme beginselen, die slechts het tegendeel konden uitwerken. „Het begon den strijd voor een herstel van de menschelijke persoonlijkheid, maar bestreed tegelijkertijd in die persoonlijkheid hetgeen den mensch waarlijk mensch maakt ; den drang naar het religieuse en naar God". (GeertRuygers : Socialisme, Vroeger en Nu. Haarlem, '44, blz. 61). Aan die paradox moest het marxisme bezwijken, zoo constateert deze schrijver en hij acht dat daardoor een socialisme op Christelijken grondslag is mogelijk geworden.
Tot dusver heeft het socialisme den klassenstrijd gehuldigd en zekere vormen van collectivisme voortgebracht, die met de organische structuur van een volk geen rekening hielden. Terwijl het nationaal-socialisme de wereld aan den rand van den afgrond heeft gebracht. Het gevaar van socialisme, communisme en fascisme ligt in den eenzijdigen nadruk, welke op de gemeenschap wordt gelegd, aan welks belangen allen ondergeschikt worden gemaakt, zoodat er voor de vrijheid der persoonlijkheid geen ruimte overblijft.
Een nieuw socialisme dient zich thans aan onder den naam van personalistisch-socialisme. De koppeling van socialisme aan personalisme schijnt een correctie te bedoelen op de voorgestelde eenzijdigheid. Het geeft niet veel vertrouwen, als men de eene eenzijdigheid (personalisme) aan de andere verbindt. Personalistisch socialisme lijkt zoo iets als de kwadratuur van den cirkel. Men wil mogelijk de eene eenzijdigheid tegen de andere in evenwicht brengen en het sociaal program behandelen als een parallelogram van krachten. ,,Socialisme belichaamt nu eenmaal in de huidige wereld de idee van de bevrijding, van het verzet tegen een kapitalisme, dat de menschelijke saamleving beheerschte Dit is het wezenlijke van het socialisme, dat ook voor de toekomst niet kan worden gemist. En het personalisme zal daarbij den waarborg geven, dat niet wordt weggegleden in de richting van materialisme en collectivisme, de twee grootste gevaren van onzen tijd". (Geert Ruygers, t.a.p. blz. 119).
Wij zien hieruit, dat men in het personalisme ook een macht ter bestrijding van het materialisme wil zien. Wanneer men diep genoeg peilt, is dat niet zoo ongerijmd als het op het eerste gezicht schijnt. Wel is het ongerijmd, dat men aan de principieele levensvragen zoo weinig aandacht schenkt. Men is er niet blind voor, dat het bewustzijn der persoonlijkheid zijn kracht ontleent aan de Christelijke religie. En het is een onbetwistbaar feit, dat de persoonlijkheid eerst recht wordt ontdekt in de ontmoeting, ja, in het conflict van den mensch met God.
Men kan dus niet verwachten, dat de persoonlijkheid haar vrijheid en zedelijke gebondenheid zal kennen en bewaren, als zij aan zich zelf wordt overgelaten.
Het humanisme der Renaissance, dat aan den drempel van den modernen tijd zijn eigen weg koos, nam het besef de persoonlijkheid van uit het Christelijk arsenaal mede, doch reeds in de eerste producten van den vrijen geest had het zijn Christelijken adel verpand aan beginselen, die den grond hebben gelegd voor het individualisme, dat het thans wil bestrijden.
Zonder de erkenning van de religieus-zedelijke gebondenheid, waaronder de mensch is gezet, d.w.z. zonder erkenning van God en Zijn Wet, kan de persoonlijkheid zoomin als het sociale leven tieren. En daarom is er geen verwachting voor een z.g. personalistischsocialisme, als het niet openlijk met deze erkenning begint. Thans blijft men halverwege staan. Men spreekt wel met zekere waardeering van het Christendom, maar men wil, naar het voorkomt, van de Christelijke religie niet leeren. Of, ziet men het misschien niet en kan men daarom niet begeeren te leeren ? Het is niet onmogelijk, want velen zijn op groote distantie geraakt van de kennis der voornaamste dingen aangaande de religie der Heilige Schrift.
Voor Hobbes was het althans duidelijk, dat het feit der samenleving een probleem stelt aan den mensch, die door den drang naar zelfbehoud alleen gedreven wordt. Men heeft gesproken van de „struggle for life" en Hobbes sprak van een oorlog van allen tegen allen, van den mensch, die voor zijn medemensch een roofdier is. De ervaring van de laatste jaren gaf een toonbeeld te zien van den droevig reëelen blik, dien deze Epicureër op het leven had. Ik weet niet, of hij hetzelf heeft vermoed, maar zeker is, dat hij het oordeel van Gods Woord over den gevallen mensch aan zijn kant heeft, want deze noemt den mensch een zoeker van zich zelf en welk een bron van ongerechtigheid hij koestert in zijn ziel, als hij aan zich zelf wordt overgelaten, teekent ons de apostel Paülus o.a. in Galaten 5.
Hobbes schreef het aan zijn beleid om een sociaal contract met zijn medemenschen te sluiten toe, dat hij aan dezen oorlog een eind maakte. Hij vergat echter, dat de mensch reeds lang zou zijn uitgegroeid alvorens dezen socialen greep te kunnen doen, indien hij niet een zedelijk wezen ware en de goddelijke zedewet in hem werkte. En dit nu is het, wat het moderne socialisme sedert Hobbes niet meer heeft ontdekt.
De voorwaarden voor het sociale leven zijn echter ondanks den mensch gegeven en werkzaam. Hij is een sociaal wezen krachtens zijn natuur, doch zijn natuur is ook in dit opzicht verdorven, zoodat hij een zoeker is van zich zelf en een vijand van zijn naaste. De band der natuurlijke liefde is gebroken. Van zulk een mensch is geen sociaal leven te wachten en de moderne mensch is deze a-sociale gezindheid geenszins te boven gekomen, getuige het individualisme en de ervaring van den dag.
Zoo is het dan een wonder, dat er nog een saamleving, ondanks alles is, en dat men streeft naar herstel en vernieuwing. En dat wonder vindt zijn verklaring niet in den mensch, maar in het werk Gods, waarom wij twee stukken, die een fundament der saamleving kunnen worden genoemd, naar voren brengen.
Ten eerste de algemeene werking, welke daar opbouwend uitgaat in de schepping, onderhouding en regeering der wereld van God, den Schepper, Onderhouder en Souverein van alle dingen, zoodat het besef van Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid in allen opephaar wordt.
Hoe dit besef een cement is voor de saamleving leert het leven der volkeren, niet alleen van de z.g. natuurvolkeren, maar ook der oude cultuurvolkeren, om van de heerschappij der zuivere religie niet te spreken.
Een tweede werk der openbaring is het werk der Wet in de harten der menschheid, ook dergenen, die de Wet niet kennen en nochtans dat werk betoonen als geschreven in de harten. (Rom. 2 : 14 en 15).
Denk deze twee weg en er blijft geen gezag noch gebondenheid over, waardoor een saamleving zou mogelijk zijn.
Daarom zullen deze werkzame voorwaarden der saamleving alleen tot hun recht komen in de openbare erkenning van God en Zijn recht, gelijk een volk, tot hetwelk God door Zijn Woord de eeuwen door heeft gesproken, betaamt. Alleen daarin zal de weg gevonden worden tot handhaving van de Goddelijke rechten der persoonlijkheid en de sociale gerechtigheid, die den welstand der natie waarborgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's