DE DOODSTRAF
Onder de rubriek : „Stemmen uit de Kerk", nam het Weekblad voor de Hervormde Kerk van Zaterdag 13 October een artikel op onder den titel : de kerk getuige tegen de doodstraf. Uitgaande van het „Besluit Buitengewoon Strafrecht" van 4 Sept. 1944, geeft de schrijver zijn beschouwingen, een pleidooi, dat meer op gevoelsargumenten dan op deugdelijke theologische gronden is opgesteld.
„Voorheen kende alleen het militair strafrecht de doodstraf als straf, zoodat het mogelijk was tot doodstraf te veroordeelen, wie schuldig blijkt te zijn aan ernstige militaire misdrijven, als verraad, spionnage, desertie, etc. — echter — zoo vervolgt de schrijver — met dit groote voorbehoud (volgens Boek I, art. 9), dat bij schuldig verklaring van een misdrijf, waarop bij dit wetboek de doodstraf is gesteld, die straf niet wordt uitgesproken dan in geval de rechter oordeelt, dat de veiligheid van den Staat hare toepassing eischt. Het was in Nederland dus zoo, dat de doodstraf alleen als maatregel van veiligheid mocht worden uitgesproken bij ernstige militaire misdrijven. — Thans zijn door het „Besluit Buitengewoon Strafrecht", de gevallen, waarin tot doodstraf kan worden veroordeeld, belangrijk vermeerderd en is de bovengenoemde principieele beperking van de toepasbaarheid van de doodstraf vervallen verklaard. Een lange reeks van misdrijven, die op grond van het Wetboek van Strafrecht konden leiden tot een veroordeeling van een gevangenisstraf van vijftien of twintig jaar of levenslang, kunnen nu leiden tot het uitspreken van de doodstraf, indien de misdrijven zijn gepleegd met direkte of indirekte hulp van den vijand of met gebruikmaking van den door den vijand geschapen toestand, ongeacht of de veiligheid van den Staat het al of niet gebiedt. Enkele misdrijven zijn voor 't eerst geformuleerd en strafbaar gesteld met de doodstraf. Nu kan dus b.v. een spion, een helper van den vijand (S. S., Landwacht !) ook na den oorlog, als de veiligheid van den Staat niet meer bedreigd is, alsnog volgens de wet ter dood gebracht worden . . . . . . ."
Tot zoover de situatie-teekening van den schrijver.
„Nu rijst de vraag", zoo vervolgt hij verder : „Mag de Kerk van Jezus Christus, mag de Ned. Herv. Kerk, die zich mede verantwoordelijk is gaan weten voor het publieke leven hier te lande en die geleerd heeft ook tot den Staat (sic) te spreken en te profeteeren, zoo het noodig is, het onbewogen aanzien en laten geschieden, dat deze verschuiving in onze rechtspraak plaats vond en dat andermaal in ons volk bloed, misschien een stroom van bloed zal vloeien ? Het is dunkt ons de hoogste tijd, dat zij zich bezint op de vraag naar het al of niet tolerabele van de doodstraf. Ja, ons lijkt het onontkoombare roeping, te getuigen : „In Christus' naam, laat dit niet geschieden". Immers geen mensch, ook niet de Staat, is gerechtigd een ander mensch zonder bittere noodzaak te straffen met het hem ontnemen van zijn leven en daarmede van zijn mogelijkheid zich te bekeeren tot God".
In deze zinsnede wordt het hoofdargument van den schrijver, hetwelk in de discussie ook voorheen placht te worden aangevoerd tegen de doodstraf, genoemd, terwijl intusschen zijn conclusie duidelijk is. Wat nu zijn standpunt betreft, het volgende. „Wel weten wij van omstandigheden'', zoo schrijft hij, „waarin alleen oogenblikkelijke dooding beveiliging kan brengen. Dat is de feitelijke acute oorlogssituatie. De gebrokenheid van ons aardsche leven sinds den zondeval brengt het nu eenmaal met zich mede, dat men één of velen moet dooden om meerderen het leven te redden. Daarom is het Christelijk verantwoord en zelfs plicht den binnen vallenden vijand te weerstaan door hem zoo noodig te dooden. (Zij 't dan ook zoo min mogelijk, daar men zooveel mogelijk krijgsgevangenen dient te maken) ; daarom moeten tijdens den oorlog in eigen kring volgens militair strafrecht of zelfs standrecht zoo noodig landverraders e.d. kunnen worden neergeschoten ; daarom lijken mij vele veemgerichten op N.S.B.-ers tijdens de Duitsche bezetting toegepast, zelfs te rechtvaardigen". . . . . . . .
Wij laten juridische beschouwingen aangaande den vorm, waardoor de veroordeeling tot den dood buiten het militair strafrecht uitbreiding verkreeg, gaarne aan de juristen over, om ons bij de principieele vraag te bepalen.
En dan blijkt uit het bovenstaande, dat de schrijver aan de eigenlijke hoofdvraag voorbij gaat : n.l. heeft de Overheid als zoodanig het recht om iemand aan het leven te komen bij de vervulling van haar taak tot handhaving der gerechtigheid ? Wij spreken van de Overheid en niet gelijk de schrijver naar het gangbaar geworden gebruik van den Staat, want daaraan ontbreekt het persoonlijke en verantwoordelijke karakter, dat hier in het geding is. De schrijver voert dat zelfs in Rom. 13 in en citeert : „de Staat draagt het zwaard niet te vergeefs". Hij laat ook de Kerk tot den Staat spreken, instede tot de Overheid. De Staat kan wel schuld aan geld hebben, maar de Overheden zijn zedelijk verantwoordelijk. Zoo kan ook de Kerk spreken, maar de leden der Synode zijn schuldig, dat haar getuigenis zij naar Gods Woord. Onze tijd is al te zeer gewoon geworden met dergelijke onpersoonlijke subjecten te werken tot schade van het algemeen zedelijk bewustzijn. De totaliseering van den oorlog kan wel in de hand werken dat de Staat het oorlogszwaard voert, maar de Overheden zijn verantwoordelijk voor zijn hanteering. Wie het zwaard in de handen van den Staat geeft, keert het tegen den Staat zelf, maar de Heilige Schrift stelt het in handen van de Overheid. Het recht van Staat rust naar moderne opvatting in de idee van den Staat, het recht der Overheid in de ordening Gods. En nu is het volkomen waar, dat geen mensch en ook niet de Staat het recht heeft een mensch te dooden, want de Staat is niemand. Men kan evengoed zeggen, dat het stelsel van spoorwegverkeer geen recht heeft om iemand te dooden ; maar de mensch staat onder het gebod: „Gij zult niet doodslaan" en doodslag legt bloedschuld op den moordenaar, d.w.z. een schuld, die God, als de Schepper des levens, thuis zoekt.
Het is niet genoeg te zeggen, dat de mensch zijn medemensch niet naar het leven mag staan, maar als hij dat doet, bedrijft hij een misdaad tegen de hoogste Gerechtigheid, en tegen de menschheid, welke bloedschuld veroorzaakt, die niet ongestraft mag blijven.
Hoe ernstig de Schrift doodslag en ook door gebrek aan voorzorg aanleiding geven tot doodslag neemt, leze men in Exodus 21 : 12 vv. Het goddelijk gebod eischt zonder meer, dat, wie iemand slaat, dat hij sterft, zekerlijk gedood zal worden. (Ex. 21 : 12).
Hoe streng ook is het oordeel Gods over den Satan, door Christus een menschenmoorder van den beginne genoemd.
De Gerechtigheid Gods wordt ons voorts op het hoogst geopenbaard in het kruis van Golgotha, als Hij (eer dat Hij de zonde ongestraft liet blijven) aan Zijnen lieven Zoon Jezus Christus die met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft.
Zoo staan wij dus voor den eisch der straffende gerechtigheid Gods.
Mogelijk, dat iemand zou willen opmerken, dat ook de bloedschuld in en door den Christus is verzoend, dat de Oud-Testamentische eisch, behoorende bij den dienst der schaduwen, symbolisch moet worden verstaan en na de offerande van Christus heeft uitgediend, zoodat ook voor de bloedschuld, door den moordenaar teweeggebracht, geen vergelding meer mag worden geëischt, aangezien deze in het offer van Christus op een volkomene en afdoende wijze is gebracht.
Als iemand zich in den naam van Christus tegen de doodstraf verzet, zou men geneigd zijn zulk een theologische overweging te onderstellen. En inderdaad geeft de schrijver daartoe aanleiding.
Schoon een diepe waarheid zou zijn aangeroerd, aangezien de Christus voor de zonde der gansche wereld is gestorven (1 Joh. 2:2) zou de consequentie van zulk een overweging zijn, dat in deze aardsche saamleving geen enkel misdrijf meer kon worden gestraft, omdat men geen enkele schuld meer zou kunnen aanrekenen, wijl immers alle schuld in Christus zou verzoend zijn. Dit zou wel tegemoet komen aan een moderne gezindheid, die van geen straf of vergelding meer weten wil, maar pleit voor paedagogiek en betering van den misdadiger. Hoewel de schrijver een en ander maal van de paedagogische strekking der straf gewaagt, wrijven wij hem zulk een gezindheid niet aan, omdat hij niet ontkent, dat de gerechtigheid de doodstraf in sommige gevallen kan eischen.
Niettemin beweert hij : „Sinds echter God Zijn oordeel voltrokken heeft aan Zijn Zoon is het ongeloof, is het loochenen van Jezus Christus, als wij nog meenen Gods eeuwig oordeel aan elkander te moeten voltrekken. De tijd tusschen Jezus' hemelvaart en wederkomst is de tijd van Gods geduld, en geen mensch of macht is gerechtigd die tijd van Gods geduld voor ook maar iemand te laten ophouden, tenzij uit noodzaak. Aan God komt de wrake toe. Hij zal het vergelden, — niet wij, ook niet wij in Zijn naam. God Zelf zorgt wel, dat iemand sterft, als er geen geduld meer voor hem is".
Afgezien van de theologische en juridische zwakheden van deze passage, die intusschen geheel in de richting van de zooeven gestelde consequentie wijst, stelt zij ons voor een ongerijmdheid, die in het oog springt. Niet alleen is iedere eisch der goddelijke gerechtigheid hier zoek, maar voor de gehoorzaamheid aan het goddelijk gebod (waarvan in het gansche stuk niet wordt gerept) wordt een menschelijk eigenwillig oordeel omtrent de noodzaak ingevoerd om het geduld Gods te verbreken en te doen, hetgeen een mensch zelfs in den Naam van God niet mag doen.
En welke die noodzaak dan is ?
Men kan dit hier boven in des schrijvers eigen woorden lezen : „De feitelijke acute oorlogssituatie". Sinds de zondeval is dat nu eenmaal zoo, dat men in zekere omstandigheden tot zijn beveiliging menschen moet dooden. Klaarblijkelijk bedoelt hij de oorlogssituatie ingeval van vijandelijken aanval, dus den verdedigingsoorlog en wellicht ook zelfverdediging, terwijl deze oorlogssituatie ook het doodsvonnis uit hoofde van militair strafrecht kan gebieden.
Het recht van executie wordt alzoo aan de oorlogssituatie ontleend en in handen gelegd van het militair gezag. De zondeval brengt nu eenmaal mede, dat er zulk een oorlogssituatie zijn kan. Van het bloedoffer voor het recht en de vrijheid en van de bloedschuld van den aanrander wordt niet gesproken. Het feitelijk motief beveiliging, door den schrijver aangevoerd, zijnde de maatstaf der noodzaak, wordt slechts globaal genoemd, terwijl er aanleiding is om te vragen, of het sentiment, waardoor heel de beschouwing wordt beheerscht, niet tot een radicaal pacifisme voert.
Het eenige argument, wat hiertegen zou kunnen spreken in deze beschouwing is : wij leven nu eenmaal in een wereld van zonde, en dat is ook sedert de Christus op Golgotha stierf, zoo gebleven, en nu moeten wij als de nood aan den man komt, voor onze eigen beveiliging zorgen, als het niet anders kan, door hen te dooden, die ons belagen. Terwille der veiligheid worde desnoods Gods geduld verbroken.
Inderdaad getuigt de Heilige Schrift veelvuldig van Gods lankmoedigheid, maar nergens kan men lezen, dat deze Zijn gerechtigheid en den eisch der gehoorzaamheid opheft of teniet maakt. Is de God van het Oude Testament niet dezelfde als die van het Nieuwe ? En kan men het Nieuwe Testament verstaan zonder het Oude ? Of geldt niet het woord van den apostel Petrus aangaande het profetische Woord, dat zeer vast is, juist het Oude Testament ? Christus wijst er bovendien met nadruk op, dat Hij niet gekomen is om de Wet te ontbinden. En die Wet is er voor den mensch en het geloof bevestigt de Wet.
Het gaat n.l. in de kwestie van de doodstraf om geheel andere dingen dan door den schrijver wordt aangemerkt. Geheel zijn probleemstelling is een averechtsche. Want de vraag is niet, of een mensch zijn naaste mag doodslaan, want daaromtrent is geen verschil. De moord wordt door Goddelijke en menschelijke wet verboden en het menschelijk geweten getuigt tegen deze gruweldaad.
Het is ook niet de vraag, of zich in de aardsche saamleving omstandigheden voordoen, waarin dit gebod wordt overtreden, want de werkelijkheid geeft daarvan onderscheidene voorbeelden.
Ten slotte is de vraag ook niet, of de noodzaak der omstandigheden het ongeoorloofde geoorloofd kan doen zijn, want de noodzaak der omstandigheden is een betrekkelijkheid, welke de absoluutheid van het goddelijk verbod niet vermag te verbreken.
De schrijver brengt zich op deze wijze in een impasse, waaruit geen ontkomen mogelijk is, om de eenvoudige reden, dat hij zich beweegt op het algemeen menschelijk niveau. Het is den mensch als mensch niet geoorloofd een mensch naar het leven te staan. Dat is een voor allen in volstrekten zin geldend verbod; Gij zult niet doodslaan. De schrijver neemt het zoo absoluut, want hij zegt, dat ook de Staat niet is gerechtigd. Het ligt voor de hand, dat zulk een uitgangspunt geen uitzonderingI toelaat.
Nu volgt hieruit zonder beding, dat de overtreding van dit volstrekte verbod gestraft moet worden. En volgens de volstrektheid van het verbod, èn volgens zijn algemeene geldigheid, kan die straf nooit de doodstraf zijn, want de mensch, ook de rechter, mag niet dooden. (Wij laten nu buiten kwestie, dat de schrijver tegen de doodstraf op zich zelf nog religieus-ethische bezwaren heeft). Er is dus niemand, die een doodvonnis mag uitspreken of executeeren.
De conclusie zou dus zijn, dat het heele begrip „doodstraf" de wereld uit moet.
En nu komt een andere zaak aan de orde; de oorlogssituatie. Deze brengt de noodzaak van bloedvergieten, en wel op gezag. Een gezag, dat derhalve zijn grond vindt in de noodzaak. Dit gezag der noodzaak wordt elders tegenover het verbod Gods, of, zoo men dat niet erkent, tegenover het gevoel van menschelijkheid geplaatst.
Voor hem, die het gezag der noodzaak heeft te hanteeren, is de verantwoordelijkheid tegenover het goddelijk gebod wel heel zwaar, Hij moet afgaan op zijn oordeel der noodzakelijkheid en is voor de beslissing geheel of op zichzelf aangewezen. Niet gemakkelijk wordt deze beslissing voor hem, die noodzaak en algemeen menschelijk gevoel moet afwogen, tenzij hij een hardvochtige wreedaard is. De ervaring van onzen tijd kan dan ook leeren, dat de rechter niet gemakkelijk tot uitspraak van doodvonnis en nog minder gemakkelijk tot executie besluit.
Het geheel dezer beschouwing toch wordt door het gevoel van humaniteit beheerscht. De schrijver doet tweedens ook een beroep op deze humaniteit. De man, die het gezag de noodzaak heeft uit te oefenen, hij zij politicus, officier of rechter, staat alleen met zijn verantwoordelijkheid om te beslissen in het innerlijk conflict van overwegingen. Wee dan het volk, dat onder het gezag staat van mannen, die gedreven worden door de natuurlijk instincten, waarop een modern heidendom zich beroemt.
Deze conclusie is zeker niet bedoeld door den schrijver, doch hij heeft geen waarborg, dan het gezag van de noodzaak door het geloof het gevoel van humaniteit zal bedwongen worden, als hij het wereldlijk gezag geen hoogere fundatie toekent dan de noodzaak der omstandigheden.
Dit raakt trouwens aan een euvel, ja, een ongerechtigheid van de moderne menschheid in het algemeen, daar zij in de wereldse aangelegenheden geen rekening houdt met 't feit, dat alle gezag in de wereld is gezag bij de gratie Gods, en dat zij van deze erkenning niet uitgaat.
Immers, hoe geheel anders wordt het aspect, indien men de Overheid ziet in het licht, dat de Heilige Schrift daarover doet opgaan. Dan toch is zij een dienaresse Gods, met souvereine macht bekleed en geroepen gerechtigheid te handhaven naar de normen van Gods Wet. De Overheid heeft alzoo die souvereine macht ambtelijk uit te oefenen, en wordt voor God verantwoordelijk gesteld voor haar ambtelijk beleid. Het bewustzijn van die ambtelijke relatie is weliswaar in de laatste eeuw danig uitgesleten onder invloed van een rationalisme, dat van de waarachtig Christelijke levensbeschouwing vervreemdde en in steeds breeder geworden kringen van volk en Overheden het geloof in Gods Woord ondermijnde. Daaraan ging gepaard, dat de zondeval van den mensch niet meer ernstig werd genomen en de religieus-zedelijke relatie van den mensch tot God zelfs in de werken van vele ethici niet meer werd erkend, althans niet naar haar waarde en beteekenis geschat.
Zoo bleef voor den mensch in het algemeen geen hooger zedelijk gezag meer over dan wat hij zelf'als zoodanig meende te erkennen, hetwelk ten hoogste in eenig ideëel principe, een ideaal der humaniteit, persoonlijkheid, macht e.d.g. werd aangenomen. Aan eenzelfde vervloeiïng werden begrippen van recht en gerechtigheid onderworpen. Het werd alles slechts begrip en idee, zonder hoogere geestelijke werkelijkheid. Men discussieert over de idee der persoonlijkheid, de idee der humaniteit, de idee van het recht en de idee der gerechtigheid, hetwelk toch niet anders zijn dan dingen, die in de hersenen omzweven.
Tot den objectieven grond der zaak komt men niet, omdat men alles in een afgesloten sfeer van het menschelijke zelf besluit. Alle tegenstellingen en conflicten worden in het aardsche vlak gezien en de mensch komt er in geen enkel opzicht boven uit. Hij leeft als een tegen zich zelf verdeelden mensch in een tegen zich zelf verdeelde wereld en verwondert zich nog, dat hij in een chaos verkeert. Hoe geheel anders wordt het, als hij de stem van zijn geweten volgt, die boven hem uit op den hoogsten Rechter wijst en hem voor een andere werkelijkheid stelt waar God woont. Dan wordt de levensstrijd uit het vlak van het alledaagsche opgeheven als een worsteling tegen een wereld van andere orde, ja, tegen God zelf en daarom zonde en ongerechtigheid. Het is waar, dat die doorbraak van den mensch uit niet komt, maar het is ook waar, dat God zich in het geweten niet onbetuigd laat. In het geweten spreekt een stem der ge rechtigheid, die hem herinnert aan zijn levenswet, en dat met absoluut gezag. De feitelijkheid daarvan kan niet worden ontkend. Maar de mensch is een zedelijk wezen ; dat beteekent, het is in zijn macht gesteld te erkennen of de erkenning te weigeren, te gehoorzamen of te weerstaan.
Erkennen toch beteekent buigen voor een gezag, dat niet uit den mensch is, voor het gezag van den hoogen God, die recht heeft op de erkenning van allen en een innerlijk steunpunt geeft aan alle aardsch gezag, dat uit God is en zich voegt naar Zijn wil.
Erkennen beteekent verder het zoeken en handhaven eener aardsche gerechtigheid naar haar goddelijke normen, en dat in alle verhoudingen des levens, in gezin, staat en maatschappij, en daarom verhooging des volks. (Spr. 14 : 34).
Erkennen beteekent wijders begrenzing van het aardsch gezag binnen de perken van het heilig recht en deswege een bolwerk der vrijheid, vrijheid van geweten, vrijheid der persoonlijkheid, vrijheid in eigen hof en huis en een dam tegen allerlei libertijnsche practijken. En erkennen beteekent tenslotte, dat het wetboek van strafrecht naar recht en plicht van de Overheid bij de gratie Gods de toepassing van de doodstraf regelt, en dat wel om Gods wil, dus uit hoofde van den eisch der Goddelijke Gerechtigheid.
Het is daarbij niet in de eerste plaats de vraag, in welke gevallen de Overheid bij de gratie Gods van haar recht om de doodstraf toe te passen mag en kan gebruik maken. Dat behoort uiteraard ook tot de materie en het is deze materie, welke in het door ons bestreden artikel, zij het ook zonder anderen formeelen grond dan als militair strafrecht, wordt beschouwd. Maar dat is niet het eerste. Het eerste en voornaamste is de plicht van het zwaardrecht, dus het ambtelijke gericht ten doode. En dat is naar Gods Woord het geval bij opzettelijken moord : „Wie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden". Hierbij kunnen geen overwegingen van bekeering en afbreken van het geduld Gods gelden, omdat Gods bevel voor Gods rekening ligt en Zijn eisch van vergelding souverein is.
Christus heeft in Zijn rede over het oog om oog en tand om tand wel het oordeel en recht der vergelding aan den mensch ontnomen, maar Hij heeft te zwaarder en inniger op de Goddelijke vergelding nadruk gelegd. En als Hij ook den doodslag heeft verdiept tot in het schelden van zijn naaste, heeft Hij nergens geleerd, dat de bloedvergieter aan het Goddelijk recht is onttrokken. Ook tegenover Pilatus heeft Hij der Overheid haar macht over dood en leven niet betwist, maar zelfs bevestigd, als Hij hem onder het oog brengt, dat hem die macht van boven gegeven is.
De doodstraf in het strafrecht behoeft ons geweten alzoo niet te belasten, indien dit recht wordt uitgeoefend ter handhaving der gerechtigheid naar den eisch van Gods Wet. Voor hem die gelooft, wordt het bezwaarlijker, als dat recht in handen is van hen, die den grond van het Overheidsgezag naar den mensch verleggen, want daarin is een revolutionair beginsel werkzaam, dat staatsgevaarlijk en voor het gansche volk verderfelijk is. Maar dan kan hij zijn geweten ontlasten door tegen dit laatste te protesteeren of te profeteeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's