MEDITATIE
Met den goddelozen gerekend
Toen kwam Jezus naar Galilea, naar den Jordaan tot Johannes om van hem gedoopt te worden. Doch Johannes weigerde Hem zeer. Matth. 3 : 13—14a.
Het optreden van den boetgezant Johannes den Dooper had 't geheele volk der Joden in roering gebracht. Overal werd een heilig beven gemerkt. Heel Jeruzalem was er vol van. Van Noord tot Zuid was maar één naam op aller lippen. 't Was iets ongekends, iets wat in geen eeuwen was vernomen. Dit kon niet van den mensch zijn. Dit kwam van Boven. De prediking van den Dooper liet niemand onbewogen. Vanuit den kring der Farizeen en Schriftgeleerden werden dan ook boodschappers gezonden met de vraag of hij soms de Christus ware, de Messias, Die komen zoude.
Het antwoord daarop, weet ge, luidde ontkennend. Als zij hieromtrent zijn gerustgesteld, gaat die prediking hun des te gereedelijker voorbij.
Wie, denkt ge, zouden de eerste rijen innemen onder de tallooze schare ? Dat waren de tollenaren, de zondaren, die zich door hun zonde-bewustzijn voelden heengetrokken tot dezen zelfden godsgezant, 't Was, alsof zij door een geheime aantrekkingskracht zich voelden heengetrokken. Voor het oog van iedereen, ook zelfs wie hen kenden, kwamen zij tot hem. Zij móésten komen.
Eén vraag gaf weer wat zij voelden : „Wat moeten wij toch doen ? "
Noem het maar.
En nu wordt op niets minder gewezen dan op een totaal nieuw leven, een gereinigd leven. Ik doop u met water, als weergevende de noodzakelijkheid van een rein leven, evenwel Die na mij komt — ik bén niet meer dan Zijn gezant, de Heraut, die voorafgaat — is sterker dan ik. Ik ben niet waard Zijn schoenriem te ontbinden. Ik doop met water, maar Hij zal d'oopen met den Heiligen Geest en met vuur.
Deze prediking van den Boetgezant klonk door naar alle kanten. Van heinde en ver kwam de schare toegeloopen, vragende met klem om gedoopt te worden.
Nu, tusschen die schare van bang vragende menschen stond opeens Christus. In niets onderscheiden, in dezelfde rij, tusschen het laagste van het laagste.
Vergeet niet, wat ge bij den toeloop van de schare nu nog evenzoo kunt opmerken. Zij dringen en stooten. om maar zoo spoedig mogelijk geholpen te worden. Tusschen deze lieden teekent zich opeens af de gestalte van den Eenige, Dien gij hier juist niet zoudt verwacht hebben.
Ge hebt misschien tot nu de woorden van onzen tekst : „toen kwam Jezus van Galilea naar den Jordaan tot Johannes om van hem gedoopt te worden, gelezen, zonder er even bij stil te staan wat dat voor dezen reinen Christus beteekend moet hebben.
Dat was voor Hem ingaan in de schachten van de donkerste deelen van deze duistere wereld. Iedere voetstap die Hij doet brengt Hem dichter bij het donkere doek, waarop Zijn lijdende gestalte zich afteekent. Hij zal de plaats innemen, Hem van den Vader aangewezen : met de goddeloozen gerekend als één hunner, als de meest schuldige, ja, geheel tot schuld herleid. Zou Hij, de reine Christus, gehuiverd hebben ? Gewisselijk neen, of het moest zijn vanwege het geweldige en toch door Hem zoo vurig begeerde om de poorten des Heils voor zondaren te ontsluiten. Van aarzeling Zijnerzijds vindt gij bij Christus geen spoor.
Volgt Hem eens in den geest.
Dwars door de opeengepakte menigte baant Hij zich een weg. Niet stootend, niet dringend, maar vol bewustzijn wat Hij begeert, nadert Hij hoe langer hoe meer Zijn doel.
Geen gehavend kleed, noch een barsch uiterlijk of een door de zonde geteekende gestalte houdt Hem tegen. Hij moet staan midden tusschen de zondige lieden, met zondaren op ééne lijn.
Treft het u niet?
Trekt u niet die lieflijke gestalte. Die zoo doelbewust, geen aarzeling kennend, zich bukt onder den centenaarslast, waaronder alles wat schepsel heet onherroepelijk moest bezwijken ? Hij weet het, wat hier in schaduwachtige lijn wordt aangeduid, is niet onderscheiden van wat in Gethsémané en op Golgotha in volle werkelijkheid plaats vindt; Ingaan in de wateren van den Jordaan met den Dooper is ondergaan, is verzinken in de golven van zonde en dood. Hier heeft plaats wat ge door den Apostel ziet aangeduid met deze woorden : „Hij, Die geen zonde heeft gekend, noch gedaan heeft — Hij, dat is God Zelf, tot zonde gemaakt, opdat" . . . . . en daarin beluistert ge de meest hartelijke Evangelieklank : „wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem".
Wiens oog daarvoor ontsloten wordt, kan zoo goed begriipen hoe de Dooper uit het oog van den Heere Zelf zocht af te lezen : wat moet ik met Uw vraag, om als de grootste der zondaren gedoopt te worden, aanvangen ? Johannes kende de gangen van den Christus als onbesproken en Hij, daar nu met iedereen, met de laagste hunner niet onderscheiden, vragende om gewasschen, gereinigd te worden door zijn, d.i. Johannes' eigen hand. Dat kan niet.
Dit is onmogelijk.
„Ik moet door u gereinigd, gewasschen worden", zoo spreekt de Boetgezant. Doch nu, hoe onverzettelijk anders in al zijn werk Johannes ook mocht zijn, te moeten buigen, heeft voor ieder heilbegeerige, die met zijn Zonde-last geen raad weet, die in alles wat op noodiging gelijkt om tot God te naderen, geen antwoord kreeg, dan in dezen vorm : „het reine kan alleen het reine, d.i. den Heilige in den hemel ontmoeten".
Wanneer nu deze woorden eens tot uwe oren mogen ingaan, welke de Heere tot Johannes sprak, zoo wordt wat u eerst als een onmogelijkheid den weg versperde, eene vingerwijzing, een handwijzer, waar de noodiging tot u komt : „Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven".
Hier wordt de rust geschonken.
De eenige hand, die onze schuldbrieven onderteekenen kan en mag en wil, is de Christus Gods, Die tot Johannes kwam met het verzoek dat straks zou blijken een bevel te zijn, van den Hemelgebieder afgekomen.
„Ik draag de last alleen". Ik wasch den grootste der zondaren rein. Mijn werk is een volkomen werk. Het teeken en het zegel van, Gods genade blinkt hier van alle kanten.
Toen de Christus na Zijn onderdompeling in de wateren van den Jordaan het hoofd oprichtte, werd de bede, die tegelijk opklom, beantwoord op een hemelsch schoone wijze. Terwijl de Geest op Hem nederdaalde, weerklonk deze alleszins duidelijke Godssprake : „Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb".
Wie aan de hand van dezen zelfden Geest op dat reine Lam Gods mag zien met oogen des geloofs, op Hem de schuldige met tal van zonden nog bezoedelde handen mag laten zinken, heeft de belofte niet alleen : ,,Mijn Geest zal ook van u niet wijken", doch wat boven alles uitklimt : in Hem is mijn behoud voor eeuwig verzekerd. Immers, het Woord des Hemelschen Vaders heeft geklonken : Deze, in Wien de Heilige in den hemel een welbehagen heeft, is mijn Reinigmaker, mijn Heiland, mijn Behouder voor eeuwig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's