De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Oordeelen en oordeelen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Oordeelen en oordeelen

9 minuten leestijd

Het Christendom is in onze dagen een voorwerp van belangstelling en deze uit zich op zeer verschillende wijze. Eigenlijk heeft het Christendom in alle tijden de belangstelling. Het teeken, dat wedersproken wordt. Deze wederspraak is inderdaad het meest typeerende. En op het hoogst laait de critiek op, als de wereld gaat uitzeggen, wat het Christendom wel had moeten zijn, wat het had moeten doen en wat het heeft nagelaten. Scherp is het oordeel van hen, die niets met die vroomheid willen te maken hebben, maar zoo goed weten, hoe een Christenmensch dan toch behoort te handelen.

Wij willen niet ontkennen, dat de critiek uit den mond dergenen, die zich zelven er buiten zetten, dikwijls treffend juist en scherp is en gerechtvaardigd mocht heeten, indien zij niet uit klare vijandschap opborrelde. Doch, hoe dit zij, in zooverre zij juist en naar de waarheid is, heeft zij den Christen iets te zeggen. En niet alleen hem, maar waarheid en leugen keeren ook weer op het hoofd van den zegsman en oordeelen hem ook zelf. Wanneer dus in onze dagen in en buiten het kerkelijk leven allerlei stemmen van wel en wee opgaan over het Christendom en de kerk, is daarbij zonder twijfel veel wat de Christenen ter harte mogen nemen. En eerst als zij dat doen, kan er wat goeds uit geboren worden.

Het is toch zoo gemakkelijk, wat men in het algemeen aan de kerk en aan het Christendom verwijt, naast zich neer te leggen, of als het wat al te na komt, op het hoofd van zekere personen af te schuiven, die vroeger of later een beduidende rol hebben gespeeld op het terrein der „Christelijke levensopenbaring". De persoonlijke verantwoordelijkheid, althans mede-verantwoordelijkheid der leden van het lichaam als geheel — zooals dat in de wereld openbaar wordt — wordt ook onder ons maar zeer matig gevoeld.

Moge dit genoeg zijn om, aan te toonen, dat geen onverschilligheid voor de critiek van binnen en van buiten over de slapheid en de nalatigheid van het Christendom ons drijft, dan kunnen wij toch niet nalaten op een grove onbillijkheid te wijzen, waaraan die opspraak tegen de kerk zoowel van kerkelijke als van buiten-kerkelijke zijde zich vaak schuldig maakt.

Wie meent tot oordeelen bevoegd te zijn, doe dat naar den maatstaf der gerechtigheid. Wij zeggen niet naar den maatstaf, waaraan hij zelf wil gemeten zijn, hoewel dit ook reeds mitigeerend zou werken. Doch niet altijd, omdat er slechts één maatstaf is. Men kan het Christendom slechts beoordeelen vanuit den grond en den regel des geloofs : n.l. het Woord en wat zijn kerkelijke openbaring aangaat is men aangewezen op de officieele belijdenis, waarin de kerk uitspreekt, hoe zij het Woord, waaruit zij leeft, verstaat. Door het Woord toch zullen wij geoordeeld worden. Het zou een groote winst beteekenen, indien Gods Woord meer en des menschen ingevingen minder de discussie, zoowel voor de critiek als den opbouw, zou leiden.

Daardoor zou ook het licht op een anderen kant vallen, dien men veelal verwaarloost en tot onbillijkheid voert. Christus, een teeken, dat weersproken wordt. Dat treft ook de kerk en de Christenen.

Het lijdt dan ook geen twijfel of de ontmaskering van den heidenschen geest, die over de christelijke wereld heeft gewoed, bedoelde mede de vernietiging van het Christendom in de wereld. Niettemin is het treffend, dat van een Christenvervolging als weleer in de critische perioden van zijn geschiedenis, thans niet kan worden gesproken. De vijand heeft het Christendom, zooals zich dat openbaarde, onderschat of misschien niet meer ernstig genomen.

En daarvoor is aanleiding. Of had niet een geest van verlichting gedurende een paar eeuwen al zijn krachten ingespannen om de fundamenten des geloofs te ondergraven, den Naam van Christus en het gezag van Zijn Woord uit het openbare leven weg te dringen, de kerk te bezwangeren met ijdele philosophie en de volkeren te verleiden met de heillooze idealen van een toekomstigen geluksstaat op aarde.

Men heeft gesproken van de verburgelijking van ons Christendom, en niet ten onrechte. Het floers der alledaagschheid verborg zekerlijk nog wel een vonk van waarachtig leven, hier en daar, maar in zijn openbaring als geheel overheerschte de gemoedelijke alle­ daagschheid en de zelfgenoegzaamheid van een uitgehold Christendom zonder kracht, zonder warmte, zonder liefde.

Wie verwondert zich nog over de gestadige mindering van den kerkgang, over het uitslijten van de gewoonte om naar de kerk te gaan, wijl de eene generatie voor de andere verder wegzonk, omdat ook de huiselijke godsdienstoefening geen tijd of plaats meer vond vanwege het drukke leven, dat jong en oud daarbuiten in beslag ging nemen. En hoevele factoren, die de ontwrichting van het gezinsleven in de hand werkten, konden hieraan nog worden toegevoegd. Is het wonder, dat de wereld het Christendom niet meer ernstig nam, en dat de geest uit den afgrond zich van de overwinning van zijn uitgeholde resten zeker achtte, als hij eerst slechts de volkeren onder zijn geweld had gebracht?

Dat is geen wonder, maar het is alleen de goedertierenheid Gods, dat wij niet vernield zijn. Hem alleen zij de eere.

Naar den maatstaf des Woords geoordeeld, kan men de decadentie en verval van het kerkelijk leven toeschrijven aan ontrouw en ongehoorzaamheid. En wij kunnen de schuld niet van ons werpen. Tezamen zijn wij afgevallen. Wij en onze vaderen hebben gezondigd. Dat drukt op ons kerkelijke en nationale leven.

Er is echter een onbillijkheid in, aan het geslacht van heden allerlei verwijt te richten, b.v. dat de kerk niet heeft gedaan voor de sociale gerechtigheid, en den vollen last van de hedendaagsche verwarring op het Christendom te werpen, dat men stelselmatig heeft ondermijnd en belemmerd in zijn roeping. Onder geen beding kan de kerk haar schuld ontkennen, maar de waarheid eischt, dat het humanisme in al zijn vormen, dat ijverig gewerkt heeft aan de verstikking van het kerkelijk leven en de vervreemding van de kerkelijke leer, niet minder schuldig worde verklaard aan de ingetreden verwarring en verwildering, mitsgaders de onheilen van onzen tijd.

Het is volkomen misplaatst onder verwijzing naar de verdiensten van het humanistisch voorgeslacht voor de Nederlandsche cultuur, de schuldvraag te laten rusten, of op rekening van het nationaal-socialisme te boeken, alsof de geest van het humanisme aan dien van het nationaal-socialisme en andere ismen vreemd ware. Ook daarin schuilt een pharizaërs-moraal, die den humanist evenzeer ontsiert als den Christen.

Onbillijk is ook het verwijt van de anti-these in het nationale leven. Wie anders dan de geest van het humanisme heeft zich dat verwijt in de eerste plaats aan te trekken ? En wie is meer doordrongen van de waarheid der anti-these dan de geest van het humanisme ?

Hel is waar, dat met de openbaring der kerk in de wereld ook de anti-these tusschen ware religie en paganisme, tusschen Christendom en heidendom, openbaar moest worden. Wie daaromtrent zijn misnoegen wil te kennen geven, heeft zich te verantwoorden tegenover den God der Schriften. Met dien God staat hij in rekening en tegenover dien God heeft hij ook te verantwoorden, waarom hij zich naar zijn schuldigen plicht niet bij de kerk voegt en met haar geloof geen gemeenschap wil hebben.

Doch ook zoo hebben wij alleen met een openbaringsvorm der anti-these van doen, die in haar geestelijken achtergrond gezien, dwars door de wereld en door de kerk heengaat en zelfs in het leven van den Christen openbaar wordt in den strijd tusschen vleesch en geest. Het vleesch begeert tegen den Geest en de Geest tegen het vleesch. (Galaten 5 vs. 17). Het behoeft dan ook geen nader bewijs, dat in het leven der kerk zelfs verschillende controversen aan den dag treden, waarin zij zich manifesteert. Deze antithese is toch geen rustige rust van het evenwicht der tegendeelen, maar zij is een actieve het gansche leven beroerende, opkomende uit het werk van den Geest, die uit God is, en van den tegenstand van den geest der wereld. In een land nu, waar het Woord Gods als in de reformatie de overhand nam over het nationaal bewustzijn en de gereformeerde religie het aanzien der nationale religie verkreeg, haar belijdenis een nationaal karakter droeg, manifesteerde zich de anti-these evenwel in verschillende vormen, maar niet in den vorm, dien zij in het sociale en politieke leven van de 19e eeuw aannam en die zooveel ergernis bij velen heeft gewekt, die van geen onderscheiding of scheiding van Christenen en niet-Christenen op het openbare terrein des levens willen weten.

Na de Napoleontische overheersching stonden de tegenstellingen bij lange na nog niet zoo scherp tegenover elkander als een halve eeuw later ; te sterk was nog het geestelijk erfdeel, dan dat de geest der revolutie dat voetstoots te niet kon doen. Sprak zelfs het heerschend liberalisme veel later nog niet van een Christendom boven geloofsverdeeldheid ? Ook dit was de taal van een humanisme, dat het Christendom geen plaats wilde toestaan in het openbare leven en het geloof naar de binnenkamer verwees. De kerkelijke geschiedenis van de 19e eeuw biedt stof te over om te illustreeren, dat het humanisme zich zelf niet kan vrijpleiten zoowel binnen als buiten de nationale kerk de anti-these te hebben opgeroepen en aanleiding is geworden van het isolement van het positief belijdend volksgedeelte op het terrein der politiek.

Niettemin is het een feit, dat zoowel de Christen als de humanist dezen toestand van harte afkeuren, doch uit een geheel anderen geest. De Christen begeert niet het isolement, hoewel hij daarin eer zijn kracht weet dan in de vervloeiïng der grenzen, maar zijn streven is gericht op een regeeringsbeleid overeenkomstig de Christelijke grondslagen van ons volksleven. De humanist op zijn beurt wil ook een eendrachtig politiek beleid, maar dan op den grondslag van zijn levensbeschouwing.

Daarin ligt het conflict, dat slechts voor één oplossing vatbaar is : n.l. als de humanist zich voegt naar die algemeene grondslagen, die het kenmerk zijn eener Christelijke natie : De erkenning van Gods Souvereiniteit voor het beleid op alle terrein des levens en van Zijn heilige Wet als norm voor de zedelijke gedragingen in alle levensverhoudingen. In de onderhouding van deze beide ligt het fundament der vrijheid en van de gerechtigheid, die het volk verhoogt.

Wie stelt nu de anti-these ? Hij, die Gods Souvereiniteit belijdt, of die zulk een belijdenis weigert, hoewel zijn geweten zegt, dat het zoo is ?

Een weinig meer nuchterheid in deze dingen is wel noodig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Oordeelen en oordeelen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's