De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Waarheen ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Waarheen ?

12 minuten leestijd

Het ligt niet in ons voornemen om in ons orgaan aan pollitiek te doen, maar de vragen van den dag dringen tot bezinning. En de vraag, waar wij heengaan in ons nationale leven, zoo kerkelijk als sociaal en staatkundig, is stellig bezinning waard. Zij is ons niet onverschillig en mag dat ook niet zijn, omdat daarbij de hoogste levensbelangen op het spel staan.

Nemen wij ons uitgangspunt in de vraag : Is de moderne Staat nog een Christelijke Staat ? Zij moge in haar algemeenheid niet onmiddellijk een antwoord vinden, dat afdoende gegrond is, toch zal men onmiddellijk het belang der vraag gevoelen. Zij brengt ons midden in de kwestie.

Wanneer kan men spreken van een Christelijken Staat en als de voorwaarden daarvoor afwezig zijn, welk predicaat is dan van toepassing ? Wat is een niet-Christelijke Staat ? Niet-Christelijk wil nog wat anders zijn dan on-christelijk. Men heeft gesproken van den neutralen Staat. Dit begrip is met het liberalisme allengs verstorven. De Staat onzijdig jegens den godsdienst. Dat bedoelde een onzijdige tolerantie van den godsdienst, een standpunt, dat gegeven het centraal karakter , der religie en met name van. den Christelijken godsdienst, in zichzelf veroordeeld is.

In zulk een Staat leven de Christenen als een grootere of kleinere minderheid, welke wordt getolereerd. En terecht heeft een Engelsche schrijver opgemerkt, dat voor Christenen getolereerd te worden het meest onver dragelijke is. (T. S. Eliot The Idea of a Christian Society, p. 23).

In ons land heeft de overheersching van zulk een liberale verdraagzaamheid dan ook geleid tot de actie der positieve Christenen in het politieke leven, die geleid heeft tot de befaamde anti-these in de Staatkunde. Dezelfde schrijver merkt dan ook op, dat de Christen met niet minder kan volstaan dan met een Christelijke organisatie van de saamleving — hetgeen niet hetzelfde is als een maatschappij, die uitsluitend uit devote Christenen bestaat. (1.1. p 34).

Inderdaad heeft hij daarin gelijk.

Intusschen ligt hier een ongezochte aanwijzing voor de onderscheiding van een Christelijken Staat : n.l. een Christelijke organisatie van de saamleving, waaronder wat anders word verstaan dan een maatschappij, waarin allen vrome Christenen zijn.

De situatie is dan verder niet twijfelachtig : men staat voor de keus van een Christelijke of niet-Chrislelijke organisatie, welke laatste dan een paganistisch karakter draagt en uit eenige sociaal- of politiek-wijsgeerige structuur opkomt. De voorbeelden van zulk een staatkundig streven, dat uitgesproken heidensch is, zijn in ons Europa helaas niet meer vreemd. Nationaal-socialisme en communisme geven daarvan de klare bewijzen.

Gezien in dit licht, is er een positief antwoord op de gestelde vraag : Is de moderne Staat nog een Christelijke Staat ?

Toch is daarmede de zaak niet afgedaan. De oude heidensche Staten, die het Christendom zagen openbaar worden in hun midden, hebben de Christenen als vijanden van den Staat vervolgd, hun een hard lot bezorgd, en de geschiedenis toont aan, dat het heidendom in den loop der eeuwen moest wijken, zoodat men in de Middeleeuwen en na de reformatie van den Christelijken Staat kon spreken, wat betreft de wetgeving, het openbaar bestuur, de traditie en den vorm.

De overheden gaan in zulk een Staat niet alleen van hun Christelijk geloof uit voor hun handelingen, maar in hun kwaliteit als regenten aanvaarden zij het als grondslag, waarnaar zij hebben te regeeren. Dat wil zeggen, dat zelfs een regent, die, om het heel sterk uit te drukken, dat geloof niet zou deelen, als regent toch door het Christelijk systeem zou gebonden zijn.

De moderne saamleving is allengs van karakter veranderd. Daartoe hebben allerlei factoren medegewerkt, niet het minst de enorme uitbreiding der industrie, haar mechanizeering, de groei van het stadsche leven, en wat daarmede alles saamhangt. Dit alles heeft ook weer grooten invloed uitgeoefend op de denkbeelden omtrent de organisatie van de maatschappij en van den Staat, op het ontstaan van een sociale philosophie en de richting, waarin die zich bewoog, op het streven naar materiëelen welstand, en op de ontkerstening van het modern bewustzijn. Doch het meest ernstige feit is die ontkerstening zelf, niet alleen, omdat ook de maatschappelijke en staatkundige organisatie daarvan de duidelijke sporen draagt, maar, omdat daarin de overwinning van een modernen geest en een terugvallen in het heidendom zich afteekent.

De vraag wordt reeds meer klemmend : Is de moderne Staat nog een Christelijke Staat ? En wat zullen wij antwoorden, als wij die vraag zien toegepast op ons land, om maar bij huis te blijven en niet allereerst te zien naar Engeland, Frankrijk, om van het land van Luther maar te zwijgen.

Dank zij de „Christelijke" politiek, bezitten wij nog vele „Christelijke" instellingen en corporaties, de „Christelijke" scholen, „Christelijke" vakvereenigingen en bonden. En hoé men daarover ook oordeele, het bewijst, dat er nog een krachtig en werkzaam „Christelijk volksdeel" in de natie is, dat zijn invloed op sociaal en politiek terrein heeft laten gelden. Dit „Christelijk" volksdeel, in verschillende kerken verdeeld, gaat de helft des volks zeker nog een beduidend stuk te boven, terwijl de vleugel, die een „Cliristelijke" politiek niet verkiest, nog velen telt, die zich zelf onder de Christenen willen geschaard zien. Mogelijk zal de meerlerheid van dezen vleugel behooren tot hen, „die, uitgaande van een waardeering van het Christendom als historisch verschijnsel, tot een conclusie komen, welke ten naastebij westersche beschaving en Christendom gelijk stelt". (Huizinga : Geschonden wereld, blz. 167).

Als men zóó de som opmaakt, zou men haast zeggen, dat onze natie nog een Christelijke natie is. Maar vraag nu eens de meening van den belijdenden Christen, van wien Huizinga terecht opmerkt, dat hij met de zooeven door hem genoemde conclusie geen vrede kan hebben en zelfs niet met een gemoedelijk ethisch Christendom. (Vgl. a.w. blz. 1& 8).

Dan reeds verandert het aspect. Doch wij hebben gezegd en dat herhalen wij nog eens : om een Christelijken Staat te hebben is het niet noodig, dat alle leden des volks vrome Christenen zijn, doch wèi is voorwaarde, dat er een krachtige, levende en positief belijdende kerk is. Immers een Christelijke Staat is een Staat, die naar — laat mij zeggen — Christelijk systeem is georganiseerd en dienovereenkomstig wordt geregeerd. En aangezien een Christen uit kracht zijner belijdenis zal streven naar een Christelijk georagniseerde gemeenschap, zal er eerst een krachtig Christendom moeten zijn, dat zijn kerstenenden invloed op het openbare leven doet uitgaan.

Wij verdiepen ons thans nog niet op de vraag, hoe zulk een Christelijke Staat er zal uitzien. En wat nu de onderhavige vraag omtrent het Christelijk karakter van den modernen Staat aangaat, zoowel ten onzent als elders, waar de Christelijke Staat gevestigd was, heeft de voortgaande ontkerstening de sporen daarvan nog niet ganschelijk uitgewischt.

Doch reeds vóór den gruwelijken oorlog, die de wereld in een hopelooze verwarring heeft gebracht, zijn er waarschuwende stemmen opgegaan, die een algeheelen ondergang van Europa vreesden. En thans dringt de nood tot bezinning en vraagt niet zonder twijfelachtigheid, of een herleving van het Christendom nog mogelijk is.

In ander verband hebben wij daarop reeds gewezen, doch uit een en ander kan men aanvoelen, dat iemand moeilijk beweren kan, dat de moderne Staat nog een Christelijke Staat is. En onlanks al hetgeen boven werd gezegd aangaande onze „Christelijke" instellingen, kan men dat ook van ons staatkundig bestel niet zeggen.

Wij doelen daarmede niet op den toestand van het oogenblik, of op de huidige regeering van ons land. Om misverstand te voorkomen, moeten wij dat uitdrukkelijk zeggen. Integendeel, de vraag, die ons bezig houdt, heeft breedere strekking en betreft ons staatsbestel niet van vandaag, maar in zijn historische ontwikkeling tot — laat mij dan zeggen — op het uitbreken van den oorlog. En dan kan men zeggen, dat er verschillende kabinetten in de laatste tientallen van jaren zijn geweest, die als „Christelijke" kabinetten van gemengd karakter een Christelijke staatkunde voorstonden en mogelijk in perspectief en naar hun inzicht een Christelijken Staat voor oogen hadden, maar ook dat zegt nog niet, dat men van een Christeliiken Staat kon spreken. De Christelijke staatkunde bewoog zich in een staatkundig bestel, dat onder den invloed van het liberalisme en op den bodem van de beginselen der Fransche Revolutie schier onherstelbare schade had geleden aan de fundamenten van den Christelijken Staat. Een Christelijke Staat is anders, hetzij men dien naar Roomsch of naar Reformatorisch beginsel voorstelt.

Terugkomende op de vraag van onzen titel : Waarheen ? , komen wij tot het heden. Wat zal de toekomst brengen ? Den Christelijken Staat of den heidenschen ?

Herstel en vernieuwing. Beteekent dat herstel en vernieuwing van den Christelijken Staat ?

Dit is een fundamenteele vraag, die beslist zal worden in het conflict der geesten en onmiddellijk saamhangt met die andere vraag aangaande de „herleving van het Christendom".

De onrustbarende teekenen van ontkerstening in de laatste eeuwen en met name in de laatste eeuw, demonstreeren het ernstige feit, dat de geest der wereld in de moderne geschiedenis over het Christendom en het Christelijk bewustzijn heeft gezegevierd. Daarin is een verdrongen worden en een verdrongen zijn van de Christelijke levens- en wereldbeschouwing, dat wel een ander karakter draagt dan vervolging, voornamelijk daarom, omdat het Christendom zelf nredegewerkt heeft aan die verdringing. En toch zal blijken, dat ook deze verdringing onder de verdrukking valt, welke ons herinnert aan des Heeren Woord: In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed : Ik heb de wereld overwonnen. Dat staat onder alles vast : Christus heeft de wereld overwonnen en dit zal blijken in de crisis van het einde, welke de wereld niet te boven komt.

Dit neemt echter niet weg, dat de verschijnselen zoo zijn, als wij zooeven teekenden, en dat de geest dezer eeuw de overhand heeft genomen en tot de huidige crisis heeft geleid.

Eén ding is wel heel duidelijk, dat de wereld haar ondergang tegemoet gaat. De dag der voleindiging nadert en het boek der Openbaringen gaat voor ons open. De Heere is bezig het te openen. De reformatoren wisten er geen weg mede. Zij hebben den weg der ontkerstening en de overwinning van den modernen geest niet gezien, zooals die voor onze oogen plaats vond. En al deed God het wapengeweld ophouden, de strijd der geesten is nog in vollen gang, zoodat wij redenen hebben om met verontrusting en bezorgdheid de wereld aan te zien.

Eigenlijk komt de geestelijke strijd eerst aan het licht. Het kan velen althans niet meer ontgaan, dat wij in een geweldige worsteling der geesten gewikkeld zijn en dat het overwicht in dien strijd voor de naaste toekomst zal beslissen over de positie van het Christendom in de wereld en over het aardsche bestaan van de kerk, beslissen ook over herstel en vernieuwing van den Christelijken Staat, of over de vestiging van den heidensehen Staat.

Het een zoowel als het ander is een kwestie van tijd en van tijdelijken aard. Want de Christelijke Staat zal ten slotte toch wijken voor den heidenschen Staat en deze zal schijnbaar overwinnend den vollen last van het oordeel Gods dragen.

Maar wij weten niet, wanneer, het einde zal zijn. Wij matigen ons ook niet aan profeet te zijn, maar het ziet er nog niet naar uit, dat het voor de deur staat. Het tempo zou snellijk verhaast kunnen worden en hoeveel er in enkele jaren kan gebeuren, hebben wij gezien. Doch zooveel is wel zeker, dat in de laatste dagen geen kerkelijk leven meer zal worden gevonden. Of zegt niet de Christus Zelf, als Hij wederkomt, zal Hij geloof vinden op aarde ? En zullen niet de getuigen, die tegen het beest profeteeren, worden gedood ? (Lukas 18 : 8 ; Openb. 11). '

Daar staat tegenover, dat de Christenheid in alle landen in beweging is gekomen, het onderling contact zoekt en dit zoekt te versterken, den wederopbouw van het kerkelijk leven tracht te bevorderen om gezamenlijk den strijd te voeren tegen barbarisme en modern heidendom. Velen zullen wellicht daartegenover sceptisch staan en anderen openbaren, een geestdriftig activisme. Maar, hoè men daarover oordeele, daar gebeurt iets. Het gevaar, dat de wereld bedreigt, wordt gezien, de oogen zijn; open voor de geestelijke en zedelijke verwildering, voor de sociale en politieke vraagstukken. Menschenwerk, zal men zeggen. Hoe zou het anders ? De Christus werkt in de openbaring Zijner kerk door menschen. De apostelen waren menschen, de mannen van de groote concilies waren menschen, de reformatoren waren menschen, de dominees zijn menschen. Nochtans heeft Christus door al dat menschenwerk Zijn kerk geleid tot op den huldigen dag en als de kerk in de woestijn van deze wereld zal vluchten, zullen liet nog weer menschen zijn, die Hij tot Zijne getuigen stelt.

Het is niet moeilijk op al dat werk, ook wat ten onzent in de kerk geschiedt, critiek te oefenen en zelfs gerechtvaardigde critiek. Alle menschenwerk is gebrekkig en met zonde bevlekt. En al staat dit Gods genade niet in den weg, om andermaal Zijn kerk een plaats in deze wereld te bereiden, een iegelijk, die bouwt zie toe, dat hij op het fundament bouwt en hoe hij daarop bouwt. Want niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd , is, hetwelk is Jezus Christus.

En indien iemand op dit fundament bouwt goud, zilver, kostelijke steenen, hout, hooi, stoppelen, eens iegelijks werk zal openbaar worden ; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt : en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven. (1 Cor. 2 : 10 vv.).

Het is niet genoeg, zegt de Engelschman, dien wij boven reeds lieten spreken, te zien wat kwaad en ongerechtigheid en lijden van deze wereld is, en zichzélf in actie te zetten. Wii moeten weten, wat alleen de theologie ons kan vertellen, waarom deze dingen verkeerd zijn. De kerk moet ons onderrichten wat verkeerd is, d.i. wat met de leer van Christus niet kan samengaan.

Dat is wel zoo, maar dan zal de kerk eerst het aanzien en de autoriteit moeten herwinnen, die haar van Godswege toekomt en zich in getrouwheid en gehoorzaamheid aan haar roeping moeten openbaren als een pilaar der vastigheid en een getuige der Waarheid. Eerst dan zal er uitzicht zijn, dat ook het gansche nationale leven weer de kenteekenen eener Christelijke natie vertoont, waardoor het volk verhoogd wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Waarheen ?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's