Humaniteit
de tegenstelling Christendom—Humanisme
Wederom een artikel Christendom en Humanisme in het Weekblad der Hervormde Kerk (van 27 Oct. j.l.). „Het gaat", zoo de schrijver, „in de tegenstelling Christendom—Humanisme : n.l. over twee verschillende menschbeschouwingen. De tegenstelling n.l. tusschen de Calvinistische en Humanistische menschbeschouwing.
Hiertegen zal niemand bezwaar kunnen maken, wat dat is zoo. En deze tegenstelling ligt niet slechts tusschen Calvinisme en Humanisme, maar heeft haar wortels in de Heilige Schrift eenerzijds en in de Grieksche wijsbegeerte anderzijds. Ook dit wordt door den schrijver stellig toegegeven. Zijn conclusie is dan ook, dat aan het Humanisme, zooals zich dit in de moderne menschheid heeft ontwikkeld, geen gelijke waarde mag worden toegekend als aan het Christendom, : „Dat kan en mag het Christendom niet erkennen : Gods eer is er mee gemoeid".
Maar nu !
Nu grijpt hij de gedachte der humaniteit aan om te pogen toch de mogelijkheid eener synthese te vinden. Daartoe gaat hij uit van een vervloeiïng der grenzen in het bestaan van een humanistisch Christendom of een Christelijk, Bijbelsch humanisme.
„Dit humanistische Christendom", zegt hij, „kan niet inzien, hoe God verheerlijkt zou worden door den mensch en zijn aanleg gering te achten of zelfs te verachten". „Hier is getracht", zoo gaat hij verder, „een zekere eenheid tot stand te brengen tusschen Christendom en Humanisme, Gods werk en menschenwerk. Centraal is hier de evangelische gedachte van de vrijheid der kinderen Gods en de oneindige waarde der menschelijke ziel voor God. Het Evangelie wil den mensch omhoog voeren tot zedelijke vrijheid — tot waarachtig mensch-zijn : de verloren zoon moet tot „zichzelven" komen. Hierin is echter meer van het Humanisme dan van het "Christendom".
Daaruit concludeert de schrijver dan : „Het Christendom kan niet zonder de gedachte der humaniteit : de betrachting van de menschelijkheid in de verhouding van menschen en volkeren".
De zin van dit betoog is derhalve geen andere dan deze : Christendom en Humanisme zijn van huis uit onverzoenlijke tegenstellingen en toch moet dit onverzoenlijke worden verzoend. Er moet een brug worden geslagen, welke die verbindt en op die brug bouwen wij onze stad. En nu is het de gedachte der humaniteit, welke het materiaal voor de brug moet leveren.
Men kan de gedachten van dezen schrijver wellicht ook met andere woorden vertolken. Het Christendom kan niet tieren in een chaotische saamleving, en ook het Humanisme kan niet bloeien, als er niet is een sfeer van vrijheid en veiligheid, zoodat men vóór alles zulk een sfeer moet scheppen in naam der humaniteit . Een Humanistisch-Christendom zal in dezen nood kunnen voorzien.
In dat Humanistisch-Christendom ziet de schrijver niet alleen de synthese als mogelijk, maar hij tracht argumenten aan te brengen om haar als noodzakelijk voor te stellen.
De vraagstukken, welke de gemoederen beroeren, moeten wij ernstig nemen, ook al kunnen wij het met deze beschouwingen in het geheel niet eens zijn. Men spreekt van humaniteit of menschelijkheid en wat men daarmede bedoelt is meer duidelijk in negatieven dan in positieven zin. De „onmenschelijke" wreedheden, in de laatste jaren, hebben ons met schrik bevangen. Het zou inderdaad op een gevoel van „onmenschelijkheid" wijzen, als wij door al die gruwelen onbewogen bleven en niet diep getroffen waren zoo door het nameloos lijden, dat over de volkeren kwam, als door den gruwel der ongerechtigheid en barbaarsche wreedheid, die door menschen aan menschen werd bedreven. Dat „onmenschelijke" staat als een schrikbeeld voor ons. En is het dan wonder, dat men vraagt, hoe komen wij er uit ? Hoe komen wij tot een ordelijke saamleving, waarin veiligheid en rust, vrijheid en orde, waardeering van den mensch en zijn rechten worden gevbnden, waarin rechtvaardigheid en barmhartigheid worden betracht.
En geen waarachtig Christen zal toch beweren, dat wij niet alleen een burgelijke gerechtigheid moeten nastreven overeenkomstig de normen van de door God bevolen zedelijke orde. Geen waarachtig Christen zal kunnen ontkennen, dat juist daarin de grondslag zal worden gevonden van een saamleving, waarin datgene, wat men met humaniteit of menschelijkheid bedoelt, wordt betracht.
Hoe komen wij daar ? Wel, hoor ik een der onzen reeds opmerken : „Terug naar de Schrift. Tot de Wet en de getuigenis". Staat er niet geschreven . . . . .. . . . .
Herhaaldelijk hebben wij zelf daarop gewezen en wij gelooven het van harte, dat daarin behoud is. Maar — wie zoo spoedig met zijn woord gereed staat, bedenke, dat wij, die ons onder de positieve belijders scharen, dat woord allereerst tot ons zelf hebben te richten. Wij zouden in de wereld zoo geheel anders staan, indien wij deden naar dat woord in ons persoonlijk, huiselijk, kerkelijk, sociaal en staatkundig leven. De wereld zou het gewaar worden en er ernstig rekening mede houden, als het Christendom zelf tot waarachtige bekeering kwam. Wij willen daarmede niet zeggen, dat er geen waarachtige Christenen meer zijn, maar wij beweren, dat het Christendom zich als zoodanig niet vertoont, zooals het naar den eisch des geloofs behoort. En daarom zijn we mede aansprakelijk voor de algemeene verslapping, voor de oppervlakkigheid van oordeel, voor het gemis aan vastigheid in het midden der baren. Aansprakelijk ook daarvoor, dat heul wordt gezocht — en dat van een kerkelijk Christendom uit — bij het humanisme, dat aan zijn eigen consequenties niet of ternauwernood ontdekt, terugschrikt voor zijn eigen geesteskinderen.
Uit dien hoofde zijn wij niet verantwoord, als wij alleen met critiek daartegenover staan en zeggen, dat wij in dien weg niet kunnen gaan. Een iegelijk onzer draagt ook voor het leven van zijn gezin en van de zijnen in de maatschappij mede verantwoordelijkheid. Wij kunnen de kerkelijke en maatschappelijke vragen niet langs ons heen laten glijden en vrij uit gaan, want wij staan daar midden in. En de wereld, die wij in eigen hart en huis aantreffen en hebben de bestrijden in de kracht des geloofs, vinden wij ook buiten onder de menschen. Dezelfde wereldsche gezindheid, die de Christen in eigen leven heeft te bevechten, woont ook in de andere menschen.
Een humanistisch-Christendom kunnen wij grif als een onverzoenlijke tegenstelling signaleeren, maar desondanks is het een onbetwistbaar feit, dat het alledaagsche Christendom daarmede eigenlijk zeer juist wordt getypeerd en dat het arm is aan de vrucht van waarachtige vvedergeboorte : de dienende liefde en echt Christelijke zelfverzaking, die de eere Gods en het heil van den naaste zoekt. De menschelijkheid, welke men in de synthese wil zoeken, wordt ons op zoo veel voortreffelijker wijze geleerd' in den Catechismus. Men sla maar eens den 40sten Zondag op, als hij handelt over de practijk des geloofs naar eisch van het zesde gebod. Wij halen slechts het antwoord op de 107e vraag aan : Neen, want God, verbiedende den nijd, haat en toorn, gebiedt : dat wij onzen naaste liefhebben als onszelven, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijne schade, zooveel als ons mogelijk is, afkeeren, en ook onzen vijanden goed doen".
Hoeverre gaat deze eisch aan dien van de gewenschte „humaniteit" te boven. En wie de Schriftuurplaatsen daarbij aangehaald naslaat en overdenkt, zal in zijn hart toegeven, dat deze leer naar het Woord is.
Uit dien hoofde kunnen de Christenen de „betrachting der menschelijkheid in de verhouding van menschen en volkeren", zooals de schrijver van het artikel in het Weekblad zich uitdrukt, niet van zich werpen. Doch daarvoor hebben wij geen behoefte aan een synthese met het Humanisme, dat den mensch op den troon zet. En in dien weg zal men het ook niet vinden. „Want zoo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed". (Galaten 6:3). Niet in de zelfverheffing, maar in de needrigheid en zelfverzaking ligt de verborgenheid der liefde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's