De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een les der historie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een les der historie

7 minuten leestijd

De geschiedenis van de laatste jaren kan ons leeren, dat een maatschappelijke saamleving onmogelijk is, wanneer liberalisme en onverschilligheid jegens de door God bevolen levensorde de overhand nemen. En het ware te wenschen dat allen, die in hoogheid zijn gezeten, allen, die in hun kring en op hun plaats met verantwoordelijkheid ook voor anderen zijn bekleed, deze les ter harte namen. Wij kunnen dit nog algemeener stellen, dat allen van hoog tot laag zulks deden, want tenslotte hebben wij allen mede voor anderen verantwoording : de ouders voor hun gezin, die leidslieden zijn in hun levenskring, in hun bedrijf en arbeid, de overheden van hoogeren en lageren rang.

En zoowaar wij allen in meerdere of mindere mate schuldig staan aan den afval en algemeene ontkerstening van het leven in kerk en maatschappij, zoowaar wij als rentmeesters rekenschap zullen hebben te geven aan den alleen souvereinen God, gaat uit de verwarring der wereld tot allen een roep uit tot bekeering van den schadelijken weg.

Inzonderheid degenen, die den Heere Christus belijden, zijn geroepen dit op te merken en er op te wijzen in hun omgeving. En het mag niet worden ontkend, dat het wordt opgemerkt en uitgesproken, doch zoo de genegenheid tot wederkeer den geest der verblinding en der verharding niet overwint, kan de toekomst geen verwachting geven. Er zijn toch ook geesten, die in de verwarring hun spel zoeken te drijven. Geesten, die zich verheugen, in de verwarring en deze te meer begeeren te maken, omdat zij in blinde zelfmisleiding zich diets maken, dat ik weet niet door welke natuurlijke orde, uit den chaos nog wat goeds zal voortkomen. Deze kinderen der revolutie, door de macht der duisternis gedreven, zullen tot het laatste toe weerstand bieden tegen allen, die opkomen voor de erkenning en eerbiediging van de ordeningen Gods in de menschelijke saamleving. En wel heeft de apostel gesproken, dat wij den strijd niet hebben tegen vleesch en bloed, al is het, dat die machten zich in vleesch en bloed voor ons stellen, maar tegen de geestelijke boosheden, die in de lucht zijn en die ook velen zullen verleiden. Daarom staat de belijdende Christenheid voor een zware taak in deze wereld. Zij is in een geestelijken strijd gewikkeld ook als zij opkomt voor een sociale gerechtigheid naar de door God geboden zedelijke orde. Ook aan deze zijde kan slechts traagheid des harten en vrome zelfzucht zich afkeeren van het openbare leven om in de zelfgenoegzaamheid van eigen bestaan oog en oor te sluiten voor wat daar in de wereld van onzen tijd omgaat.

Het Woord leert ons toch, dat God de Heere Zich in al Zijn werken openbaart, zoowaar Hij alle dingen door Zijn Woord en Geest heeft voortgebracht. Het is voor velen onzer zelfs niet noodig dit uit het Woord, aan te toonen, omdat zij zelf verschillende plaatsen zouden kunnen noemen. (Gen. 1, Ps. 33 : 6, Joh. 1 : 3, Hebr. 1 : 3, 11 ; 3). Een iegelijk, die eenigszins in de Schrift is onderwezen, kan toch verstaan, dat Woord en Geest, die de dingen in het aanzijn riepen, zijnde het Woord en de Geest van den eeuwigen God, niet sprakeloos zijn geworden. (Ps. 19). De onderhouding van de ordeningen des hemels toonen aan, dat Woord en Geest door de trouw van God uitgaan om de wereld in stand te houden, te onderhouden en te regeeren.

En kan het zijn, dat de in zonde en ongerechtigheid gevallen mensch de goddelijke sprake niet vermag te vernemen, zooals de dichter van den 19en Psalm daarvan getuigt, zij gaat aan geen menschenkind ganschelijk voorbij.

Gods genade en gerechtigheid vertolken zich in den roep der openbaring Gods, die daar ruischt door al Zijn werken, en Hij Zelf heeft dien roep een klankbodem gegeven in het menschelijk gemoed, die zijn weerklank geeft in het besef Zijner goddelijke heerlijkheid en eeuwige kracht. Het brute heidendom geeft daarvan een klaar bewijs in zijn godsdienstigheid, welke door angst en vreeze gedreven, het grootsche, machtige en vreemde, dat zich aan hem voordoet, tot zijn goden maakt. De toenemende heerschappij over de hem omringende wereld moge zijn levensmoed doen groeien tot hoogmoed en zelfverheffing, maar de levensangst verlaat hem niet, zelfs niet als voortgaande ontkerstening en moedwillige verwerping van de leer der Schriften hem in een modern heidendom doen verzinken. Het zou dan ook geen moeite kosten om in de moderne wereld de kenteekenen daarvan en van een toenemend bijgeloof aan te wijzen. Zelfs in de wijsbegeerte van onzen tijd speelt de levensangst een rol. En zooals het klassieke heidendom van de angst verlost is geworden door den zegevierenden gang van het Evangelie van Christus, zoo is er ook voor de moderne wereld geen andere genezing dan onder Zijn vleugelen.

Alle werken Gods doen Zijn sprake uitgaan. Zou dat dan niet zoo zijn in de historie, welke toch is de geschiedenis van den naar Gods beeld geschapen, zij 't ook gevallen, mensch ? Zou die geschiedenis ledig zijn van de werken Gods ? Negatief en zonder zin ? Zou dan de geschiedenis van den mensch buiten Gods bemoeienis en buiten Zijn regeerende, stierende en zorgzame hand omgaan ? Zou dat in overeenstemming zijn met de zorg voor Zijn schepping, met de aardsche en de hemelsche, d.i. eeuwige bestemming, waartoe Hij hem riep in het aanzijn en door de spiratie van Zijn Geest maakte tot een levende ziel ? Kan dat overeenkomen met de zoekende liefde, aan den gevallen Adam bewezen, met de belofte van Genesis 3 : 15, waardoor God zelf den strijd tegen de satanische macht en de zonde opneemt tot den prijs van het offer Zijns lieven Zoons, met het verbond in Noach der gansche menschheid gesteld, waardoor Hij inzonderheid Zijn universeele genade voor de aardsche saamleving heeft bevestigd, met Zijn leiding van het volk Israël?. . . .  doch wat ondanks de onoplosbare vragen, die zich in zullen wij nog meer noemen.

Omdanks de onoplosbare vragen, die zich in de historie aan ons voordoen, ondanks de raadselen des levens, houden wij voor vast en zeker, dat die God, Dien wij als onzen Schepper roemen, ook de historie der menschheid leidt naar Zijn Raad en dat de vervulling van dien Raad in Christus, in Wien alle dingen tezamen bestaan (Col. 1 : 17), de eenige en goddelijke zin der geschiedenis is.

Hoezeer dat ons verstand te boven gaat, gelooven wij, dat de gang der historie ook de gang van die vervulling is en dat het einde de gansche geschiedenis der menschheid alzoo zal openbaar maken, als de eeuwigheid daarover haar licht zal doen opgaan, zooals ook het Woord der openbaring zijn eeuwigheidsglans over de historie werpt.

Maar daarom kan het niet anders zijn, of God spreekt ook in de geschiedenis een sprake, welke wij bij het licht des Woords hebben te vertolken. Voor ons zelven en voor anderen. De apostel Paulus onderricht ons daaromtrent onderscheidene malen. „Want", zegt hij, „de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der menschen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden". (Rom. 1 : 18). Zoo is er in de oordeelen Gods over de goddeloosheid der moderne wereld een stem van Zijn toorn, die terug roept tot de vreeze Gods, opdat zij ontdekt worde aan het bankroet harer wijsheid. Hij heeft den mensch overgegeven aan zijn eigenwilligen weg, opdat hij de wrange vruchten zou oogsten van het zaad, dat hij gezaaid heeft. Doch daarbenevens heeft Hij zich niet onbetuigd gelaten, goed doende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vroolijkheid. (Hand. 14 : 17). Zelfs in de benauwde tijden heeft Hij het niet doen ontbreken aan de teekenen Zijner barmhartigheid en trouw, gelijk Hij ook de losgebroken machten aan banden heeft gelegd.

Nog altijd staat daar het profetische Woord : Te dien dage zal Ik de vervallene hut van David weder oprichten, en Ik zal hare reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weder oprichten, en zal ze bouwen als in de dagen van ouds. (Amos 9 : 11). En de apostelen leeren ons, dat daarin nog een belofte voor het heidendom schuilt. (Hand. 15 : 16).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Een les der historie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's