MEDITATIE
Wèl bedroefd, maar niet bekeerd
„En de koning werd bedroefd". Mattheüs 14 vs. 9a.
Herodes Antipas heeft ter gelegenheid van zijn verjaardag zijn gasten onthaald op het frivole genot van een dansavond, waarbij Salome, zijn stiefdochter, haar kunst van twijfelachtig allooi ten beste gaf. Haar optreden bekoorde hem zoo, dat hij in z'n onbezonnen enthousiasme ten besluite had uitgeroepen : „Kind, zeg wat ge van mij. hebben wilt, al was het de helft van mijn koninkrijk, ik zal het je geven!" En om aan dit woord kracht bij te zetten, bezwoer hij dit haar met dure eeden. Maar nu staat dit jonge meisje voor hem met een vraag, die hem met droefheid vervult. Ze vraagt hem niet om geld, noch om goed, ook eischt zij niet de helft van zijn rijk op. Ze vraagt alleen om het hoofd van Johannes den Dooper, die al zoo langen tijd zucht in de donkere holen van de hofburcht, omdat hij het gewaagd heeft de zonde, waarin Herodes met zijn schoonzuster Herodias leeft, aan de kaak te stellen.
Bedroefd wordt hij hij dit duivelsche verzoek van Salome, waarvan hij wel weet, dat het in hoofdzaak uitgaat van de geslepen intrigante Herodias, die hij zich tot vrouw heeft genomen. Bedroefd, omdat dit verzoek hem stelt voor zulk een moeilijke keuze. Immers hij wil in geen geval den dood van Johannes den Dooper.
In die allereerste plaats vreest hij het volk, want de Galileërs zijn zeer op Johannes gesteld. Maar in de tweede plaats vreest hij de wraak Gods. Want Herodes weet maar al te goed, dat deze profetische figuur de vertolker is van het Woord Gods. Is hij zelf niet zoo bekoord geworden door het machtige spreken van dezen man Gods, dat hij hem telkens uit zijn kerkerhol liet halen om hem te hooren getuigen ?
Echter aan den anderen kant staat zijn eer op 't spel. Heeft hij niet gezegd : „Alles wat ge me vraagt, zal ik u geven" ? Heeft hij niet zijn woord gegeven met een zwaren eed ? Wat zullen zijn gasten zeggen, als hij zijn woord breekt. Wat zullen zij denken van een koning, die zoo met zijn eerewoord omspringt ?
Zoo wordt hij heen en weder geslingerd. Hij heeft het o, zoo moeilijk.
Uiteindelijk echter, als het er op aan komt, weegt zijn eigen naam hem het zwaarst. Eigen eer gaat hem tenslotte boven Gods eer. Hij doet, wat hij aanvankelijk in geen geval wilde. Hij zendt een gewapend soldaat naar het kerkerhol in zijn burcht om het hoofd van Johannes den Dooper voor Salome, des konings stiefdochter.
Wèl bedroefd, maar niet bekeerd.
Het stof der eeuwen ligt over ons tekstverhaal, maar wat is het brandend actueel ook nu, vandaag.
Ook wij toch komen in ons leven zoo vaak in verzoeking en wat kunnen we het er moeilijk mee hebben, en tóch datgene doen, waarvan we weten, dat het niet door den beugel kan. Tóch datgene uitrichten, wat tegen Gods wil ingaat.
Laten we maar eens heel dicht hij de practijk blijven ! Ik denk b.v, aan de invulling van het buitengewoon aangiftebiljet voor de belastingen, dat we allemaal thuis hebben gekregen. We weten allen, dat het Gods wil is dat wij daarbij te werk gaan naar eer en geweten en naar waarheid ons bezit en onze verdiensten opgeven. Maar we weten ook, dat het misschien mogelijk is door een eventueel afgeloste hypotheek te verzwijgen, enkele guldens voor onszelf te redden van den eischenden fiscus. En dan hebben we het er misschien o, zoo moeilijk mee, maar wie zal zeggen in hoevele gevallen de enkele guldens zwaarder wegen dan de wil Gods en men misschien met een bedroefde consciëntie verzwijgt wat men naar eer en geweten moest opgeven. Men doet tóch dat, wat men aanvankelijk niet wilde. Dan denk ik ook aan onze jeugd in dezen zoo ontstellenden tijd, nu alle normbesef zoo hopeloos zoek is en van alle kant de wereld lokt en trekt. Bioscoop en dancing roepen vandaag aan den dag ook om onze jonge menschen. Zeker, diep in hun hart weten ze het wel. Deze dingen zijn niet naar Gods wil. Moreel en geestelijk gaat daar de mensch kapot. Anderzijds is het echterzoo moeilijk, om niet toe te geven aan de lokstem. Waarom moet ik nu zoo bekrompen leven ? Wij hebben toch ook recht op een beetje levensvreugde !
Ze kunnen dan zoo heen en weder geslingerd worden, onze jonge menschen. Maar wie zal zeggen, hoevelen er zijn, die met een onrustig geweten, met een bedroefde consciëntie tóch doen datgene, waarvan hun hart zegt : Het is niet naar Gods wil. Ze slaan het geweten op den mond en geven toe aan het trekken der wereld.
En zoo is het niet éénmaal, maar duizendmaal in een menschenleven. In verzoeking gekomen, kunnen we het o, zoo moeilijk hebben, ja, we kunnen tot op zekere hoogte bedroefd zijn, en tóch het kwade doen.
Hoe komt dit nu, mijn lezer ? Wel, omdat we hier te doen hebben met een droefheid der wereld, die het wel moeilijk heeft met deze dingen, maar alleen omdat men bevreesd is voor de gevolgen van de zonde, of omdat men bang is voor het oordeel van de menschen of misschien omdat een bepaalde zonde zelf ons tegen de borst stuit. Men is alleen bedroefd om zichzelfswille of uit sentimenteele overwegingen of om duizenderlei andere redenen. Dit alles verhindert ons echter niet om tóch te doen datgene, waarvan we weten dat het kwaad is. Daarom zegt Paulus dan ook : „De droefheid der wereld werkt den dood'". Wèl bedroefd, maar niet bekeerd !
Alléén de droefheid overeenkomstig Gods wil werkt een onberouwelijke bekeering tot zaligheid. Die smart wordt geboren, waar een mensch zondaar wordt voor God. Men staat dan in de ure der verzoeking met de moeilijke erkentenis in het hart : Heere, het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik, en het goede, dat ik wil, dat doe ik niet.
Maar uit dien nood komt het dan ook tot de bange vraag : „Heere, wees mij, zondaar, genadig". Dan heeft men Christus noodig. Wie dan zoo zwak is, die is machtig tot overwinning door Christus, die hem kracht geeft om den weg der zonde te verlaten.
Ach, als we dan voor ons belastingbiljet zitten, dan tellen de enkele guldens, die wij met zonde zouden kunnen winnen, niet meer mee, dan telt alleen de rijkdom van Christus' gemeenschap. Dan trekt in ons jonge hart ook niet meer de losse vreugde van een frivool dansgenot, dan trekt alleen de waarachtige levensvreugde, die geschonken is in de vrijheid, waarmede Jezus Christus vrijmaakt.
Bij de droefheid van Herodes blijven we dienstknechten der zonde. Kiezen we altijd voor de wereld en tegen Christus.
Bedroefd naar God, erkennen we: „Ik ellendig mensch", maar roepen we in arren moede : „Wie zal ons verlossen van het lichaam dezes doods" en roemen we tenslotte in den jubel des geloofs : „Ik dank God, die ons de overwinning geeft door Jezus Christus, onzen Heere". .
Hoe zijt gij bedroefd'?
(Ede)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's