De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Groot voor den Heere

8 minuten leestijd

Want hij zal groot zijn voor den Heere. Lucas 1 vers l5a.

In de consistoriekamer van de kerk in Lexmond hangt een portret van een oud-predikant, waaronder in het Latijn deze regels voorkomen : „Niets is groot in de kerk of het moet nederig zijn ; niets is nederig of het moet vernederd zijn".

Dat kon wel de lijfspreuk zijn van den prediker, over wien onze tekst handelt, Johannes den Dooper. Niemand, van vrouwen geboren, was grooter dan hij, maar ook weinigen zijn vernederd als hij. Groot was Johannes in zijn afkomst, afstammeling als hij was van Aaron, uit een geslacht dus, dat geen erfdeel had in Israël, dat der wereld afgestorven, Gode leven moest. Zijn ouders waren beiden Godvreezende menschen, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren onberispelijk. Niet maar naar sommige, maar naar alle geboden. Groot was Johannes bijzonder door de bemoeienissen Gods. Dat hij uit dit vrome ouderpaar geboren werd, bracht hem wel niet de zaligheid, maar is toch een groot voorrecht voor hem geweest. De Heere verheerlijkt Zijn Naam en genade nu eenmaal doorgaans in de rij der geslachten. Wel mag men dan in de z.g.n. Verbondskringen terdege onderzoeken of de ouders ook inderdaad geloovigen zijn, zooals de ouders van Johannes dat waren. Zij kregen reeds vóór de geboorte van hun kind een belofte voor dit kind en waren er werkzaam mede in den gebede. Dat is verbondsgenade, als ouders zoo nauw met God leven, dat de Heere met hen over hun kroost spreekt, zooals zij daarover met Hem spreken. En dan zal de voor dat kind beloofde genade zich ook openbaren, gelijk dat het geval was bij Johannes. Hoe blijkt hier de vrijmacht Gods. De een ontvangt genade op lateren leeftijd, de ander op jeugdigen leeftijd, in de jongelingsjaren ; weer een ander reeds voor de geboorte. Daar is de Heere vrij in ; Hij geeft het hoe een ander schraap, dien Hij bemint als in den slaap. Als er iemand zal moeten getuigen dat hij er niets aan gedaan heeft, dan zal het Johannes moeten zijn. Intusschen blijft deze genade niet sluimeren ; zij openbaart zich terstond. Een van zijn eerste levensteekenen is het opspringen van vreugde voor zijn Heere. Elisabeth wist dus reeds, dat de belofte van onzen tekst in zooverre reeds vervuld was, dat dit kind persoonlijk in geloofsbetrekking stond tot den komenden Messias. En zoodra Johannes geboren wordt, krijgt hij een plaats in de gemeenschap der heiligen, althans dat volk in het hooggebergte van Judea moet wel een vroom volk geweest zijn ; de wereld bemoeit zich niet met zulke dingen, zal niet bepaald bevriend geweest zijn met de Godvruchtige Zacharias en Elisabeth, en zeker zal zij niet ter harte genomen hebben al deze dingen. Welnu, die menschen letten op dit kind : „Wat zal er van dit kind worden ? " Heerlijk, als wij in de belangstelling mogen staan van Gods gekenden. Familie voelt nu eenmaal voor familie.

Was Johannes groot in zijn geboorte, ook in het opgroeien onderscheidde hij zich. Wij lezen van hem, dat hij in de woestijnen was tot zijn dertigste jaar. Wie zich afzondert, tracht naar iets begeerlijks. Als een jong mensch als Johannes, die toch met onmiskenbare gaven bedeeld was, de wereld verzaakt juist in dien tijd dat het bloed onstuimig bruischt en de wereld haar kansen biedt, dan is dat iets bijzonders. Zijn leven daar was ook bijzonder, en heel bijzonder ook. In dien tijd werd hij gesterkt door den Geest, Dat leven Gods, dat in zijn vroegste jeugd reeds ontvangen was, groeide en werd sterker, werd meer bewust. Als daar staat : gesterkt door den Geest, dan wil het ook zeggen, dat Johannes veel de nabijheid Gods mocht hebben. Wat een rijk leven voor zoo'n jongen, met God te leven. Dat bewaart niet alleen voor de zonde, maar dat biedt ook zooveel, dat men allerlei op zichzelf niet verkeerde dingen, die het leven biedt, gemakkelijk missen kan. Zoo is dat ascetenleven, waartoe hij naar het woord van Gabriel gezet was, gemakkelijk te dragen. Zoo wordt het voor dit kind haast een vanzelfsheid.

Groot voor den Heere in zijn levenswandel en in zijn wereldverzaking, mocht hij het ook zijn in de voorbereiding tot het ambt, dat hem wachtte. De tijd, waarin hij het offer brengt van zijn jonge leven, wordt tegelijk de tijd van het ontvangen. De tijd, waarin hij afstand doet van de wereld, wordt juist de tijd, waarin God hem. voor de wereld voorbereidt, om dan ook straks de wereld voor hem te openen. Daartoe voert de Heere hem. in de woestijn. In de eenzaamheid worden de grootste dingen, groeien groote karakters ; daar is Johannes geworden een man Gods, de man van de wet, die staan zou in den geest en in de kracht van Elia. Daar in de eenzaamheid van de woestijn, met zijn wijde verten, werd hij de man met de wijde blik, die de ledige orthodoxie van de Farizeeërs en dus zijn eigen volk durfde verwerpen en die een Romeinsche soldaat den weg durfde wijzen ten eeuwigen leven. Daar in de woestijn, waar de donder rolde, zag hij de majesteit Gods en werd hij geoefend in de prediking van Gods heiligheid en gerechtigheid. Daar in de woestijn, alleen met God, leerde hij alleen met God door dit leven gaan en wars zijn van alle menschen, zoodat hij zelfs een Herodes in het aangezicht durfde weerstaan.

Groot voor den Heere.

Dat is Johannes in het bijzonder ambtelijk geweest, meer dan de andere profeten, die eigenlijk ook wegbereiders zijn geweest en op hun plaats en in hun tijd groot voor den Heere. Hierin verschilde hij van hen, dat hij precies in het raakpunt van tijd en eeuwigheid mocht staan. Hij mocht den Messias aanwijzen : „Dit is Hij nu". Hij mocht ook den Heere toebereiden een toegerust volk. Dat hadden de andere profeten ook gedaan : een volk voor God vergaderen, maar Johannes mocht a.h.w. de keurbende voor Koning Jezus verzamelen, waar toch Johannes' dis­cipelen de kern zullen vormen van Jezus' discipelkring, om, dan straks te zitten op tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israels. Een toegerust volk moet hij bereiden, d.w.z. hij moet een volk tot berouw brengen en bekeeren van zijn zonden, om dan dat berouwvolle volk, dat geen vrede vindt in zijn berouw, en bekeering, tot Jezus te leiden. Ja, maar, moeten wij dan eerst zoo of zoo zijn, voor wij tot Jezus komen, mogen wij niet komen, zooals wij zijn ? O neen, wij behoeven niets mee te brengen, maar dat berouw is ook niet van ons, het is van Hem, die den man van de wet zond om ons te ontdekken aan onszelf. Een berouwvolle is niet rijk, hij is juist arm. Inderdaad mogen wij komen zooals wij zijn, dat moeten wij zelfs, maar dan dienen wij eerst te worden die wij zijn. Neen, neen, wij laten dat rustig staan, zooals het er staat : „een toegerust volk", dat moet de Heere hebben. En het is de groote verdienste van den Dooper, dit te bereiden. Hij zal de kinderen Israels bekeeren tot den Heere, en dan staat er zoo eigenaardig : de harten der vaderen tot de kinderen. Zoozeer was Israël van het rechte pad afgedwaald, dat de vaderen, als ze nog geleefd hadden, zich in arren moede van hun eigen kroost zouden hebben afgekeerd. Maar door het werk van Johannes tot de rechte wegen weergebracht, zou 't zoo worden dat de Godvruchte vaderen weer eensgeestes werden met het nageslacht. Zoo dringend zou de eisch der bekeering gepredikt worden, dat er geen ontkomen mogelijk was ; het zou niet baten of men al onmacht voorwendde, of men anderen de schuld gaf voor eigen val, of men het bedreven kwaad al zoude wijten aan de omstandigheden. Ongehoorzaamheid en anders is de zonde niet, in geen enkel opzicht te verontschuldigen. Tegen alles in dreunde Johannes' prediking : „Bekeert u, bekeert u".

Een toegerust volk, dat een Zaligmaker noodig had, een bekeerd volk, dat bekeerd moest worden, dat door Christus' voorbearbeiding in het werk van den Dooper de zonde verzaakt had en nu door Christus' offer van schuld verlost moest worden. Die menschen zouden intusschen niet als eenlingen blijven staan ; ze zouden worden tot een volk. Zoo zien wij ze zich groepeeren rondom de reuzengestalte dien staande in Bethabara, 't heele land door gezien wordt. Een volk zou er straks gereed staan om Hem te dienen en om van Hem gediend te worden en gezaligd.

Deze zal groot zijn voor den Heere.

En nu het tragische in Johannes' leven, waarin hij juist het grootst wordt voor den Heere. Aan Jezus raakt Johannes zijn gehoor kwijt, al zijn gevolg, en de besten wel 't eerst, Johannes en Andreas. Dan moet hij zelfs zijn leven ten offer geven in de Machaerus. En daar hooren wij dien man, van wien geprofeteerd was reeds vóór zijn geboorte, dat hij zou groot zijn voor den Heere, zeggen : „Hij moet wassen, ik moet minder worden". In het uur van zijn eenzaam sterven, als Johannes ondergaat, dan is hij het grootst voor den Heere, want dan gaat Johannes in in de eeuwige ruimten Gods en nu is het èn hier op aarde èn in den hemel voor Johannes : Jezus alleen !

(Elburg)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's