De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Alles nieuw

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Alles nieuw

10 minuten leestijd

Wat is nu eigenlijk het nieuwe, dat men noemt en roemt ?

Uit gesprekken krijgt men soms den indruk, dat het nieuwe zoo duideillijk en klaar, zoo vastomlijnd zou zijn, dat het de meest van zelf sprekende zaak is, dat al het oude heeft afgedaan. Het lijkt, of sommigen onder zekere suggestie leven voor ja, voor iets, dat zij dan eigenlijk zelf niet weten te verantwoorden. Dat heeft afgedaan, en dat is overleefd. Het is vandaag een andere dag en een andere mode. In dit alles is een oppervlakkigheid, een medegenomen worden, een bewogen zijn vanwege de onzekerheid, waarin men verkeert, en ook een erfenis van zijn eigen geschiedenis.

Is er dan niets veranderd ?

Zeker, er is heel veel veranderd, maar de mensch van heden is dezelfde als die van voor den oorlog. En toch is er wel wat veranderd. Er zijn teleurgestelde idealen, in het niet verdwenen luchtkasteelen, verloren cultuurgoederen, geestelijke mijnenvelden, die den gang onzeker maken en het gevoel van veiligheid belagen. Er is behoefte aan vastigheid, die niet ongevoelig is voor hetgeen boven den mensch uit wijst.

Ook in kerkelijke kringen is wat veranderd. Critische vragen aangaande de Heilige Schrift, die velen voorheen zooal niet bezighielden, dan toch naar den eisch van wetenschappelijkheid, zooals zij meenden, hun standpunt bepaalden, schijnen plotseling uit het veld van belangstelling verdwenen. „Dat heeft afgedaan". „Die tijd is voorbij", zoo kan men uit den mond van sommige jongeren vernemen. En wij betreuren het niet, als voor velen de Heilige Schrift als Gods Woord gaat spreken, integendeel, wij zullen ons daarover verheugen. Het is reeds veel gewonnen, als men het Woord als Gods Woord aanvaardt, daarvan uitgaat en zich daarnaar richt.

Menschelijk gesproken, laat zich deze veranderde instelling op de Heilige Schrift uit verschillende factoren verklaren. Immers ook in de kringen der critische Bijbelonderzoekers brak de overtuiging odor, dat zij het laatste woord niet hebben. Zoolang het rationalisme de overhand had, kon men zich nog verbeelden, dat de godsdienst der rede de ware was en de religieuse problemen door de rede zouden kunnen worden opgelost. Zoolang men in Spinoza en Hegel zijn hoogste leermeesters zag, was religie een zaak van het denken. Allengs ontdekte men echter, dat dit met het wezen der religie niet overeenkomt. Men kreeg weer meer oog voor de openbaring en voor het geheel bijzonder karakter der Heilige Schrift als orgaan van Gods openbaring. Ook de invloed van Karl Barth heeft er toe bijgedragen, dat men weer van het Woord en van de Heilige Schrift ging spreken.

Maar de voornaamste factor is zeker wel te zoeken in de ervaring van de levende kracht van Gods Woord in de benauwde en gevaarvolle tijden gedurende de bezetting, als er geen andere troost meer werd gevonden dan het profetische Woord. Het Woord zelf heeft zijn kracht bewezen.

De ervaringen gedurende de bezetting hebben daardoor ook een vrucht voor de beschouwingen van de openbare levensverhoudingen. Het zoo vaak van den kansel herhaalde : God, de Heere, regeert, waaraan het positieve Christendom, in hoop en vreeze vasthield, heeft weerklank gevonden bij velen. Men gevoelt, dat deze belijdenis haar consequenties heeft voor het gansche leven, ook voor het leven in staat en maatschappij. Het inzicht wordt meer klaar, dat de Overheid niet neutraal kan zijn tegenover de Christelijke religie. De roeping der Overheid wordt onder het aspect der Godsregeering gesteld. Dr. H. Berkhof schrijft over deze dingen een zeer lezenswaardig stuk, waaruit wij het volgende aanhalen : „Aan het Gereformeerd Protestantisme komt de eer toe, dat het meer dan eenige andere Christelijke confessie, en bijna zelfs in tegenstelling tot de andere confessies, de verhouding van Kerk en Staat en de roeping der Overheid onder het theocratisch gezichtspunt heeft gesteld". „Artikel 36 is weer actueel geworden. De theocratische visie is weer opgegaan voor de Christelijke gemeente", zoo luidt het verder.

Inderdaad gaan hier klanken op, waarover wij ons kunnen verheugen. „De theocratische verhouding van Kerk en Overheid en de theocratische houding der Overheid is de bijbelsche. Maar dat beteekent: ze is de geloofshouding". Dat is ook zoo. Zij moet vrucht zijn van het geloof. Vandaar dan ook, dat onze vaderen Art. 36 in de belijdenis des geloofs een plaats hebben gegeven.

Is dit alles nu zoo nieuw ?

Velen onder ons zullen, naar wij onderstellen, hierin geen nieuwigheid ontdekken, daar deze klanken dingen schijnen te beweren, die zij altijd zoo hebben gezien. Zijn er nog niet velen door alle stormen der tijden heen trouw gebleven aan het geloof, dat de Heilige Schrift Gods Woord is, en dat de Overheid dienaresse Gods is en dienovereenkomstig haar roeping heeft te verstaan ? Ook in de 19e en de 20e eeuw heeft het niet ontbroken aan mannen, die daarvoor in het openbare leven zijn opgekomen.

Dat is in zooverre niet nieuw.

Wel is het nieuw, dat het besef bij velen gaat ontwaken, die uit een milieu voortkomen, waarin men voorheen geen ernst maakte met deze dingen, of zulke beschouwingen hield voor verouderd en uitgediend. En dat is niet alleen hier te lande zoo, maar ook in het buitenland; Het inzicht, dat de saamleving ten onder gaat, zoo zij het fundament der Christelijke religie verlaat en veracht, heeft ook daar veld gewonnen. Men kan dit opmerken in de buitenlandsche geschriften en in de gesprekken met buitenlanders. En dat is zonder twijfel een verheugend verschijnsel.

En toch verwachte niemand, dat dit alles wijst op een terugkeer tot een dikwijls geïdealiseerd verleden. De predikers van den nieuwen tijd zijn te zeer ingenomen door de vraagstukken van den dag om daaraan ook maar te denken. En het is merkwaardig, dat zij weinig behoefte vertoonen om aansluiting te zoeken bij het gereformeerd Protestantisme van den ouden trant. De meesten hunner verkeeren onder de suggestie van de z.g. nieuwe theotogie en vonden in Karl Barth hun leermeester. En ofschoon zij ons gaarne willen doen gelooven, dat zij op reformatorischen bodem staan, wordt men toch telkens weer herinnerd aan het woord van Luther : gij zijt van anderen geest.

Nu is de reformatorische bodem zeer breed. Als men op al de verscheidenheid van kerkelijk belijden en Christendom let, die uit de reformatie is opgekomen, zal men moeten toegeven, dat in die verscheidenheid zelfs diepgaande controversen aan den dag traden. En zonder te kort te willen doen aan de verdiensten van Karl Barth, die de theologische wereld heeft wakker geschud en haar belangstelling voor het dogma opnieuw heeft gewekt, hebben wij tegen het nieuwe, waardoor deze theologie zich van die van Calvijn onderscheidt, ernstige bezwaren. Ook de gereformeerde theologie lijdt aan het euvel, dat zij in den loop der historie gemakkelijk openstond voor wijsgeerige invloeden. Daarin deed zij voor de Luthersche slechts weinig onder. Maar deze nieuwe theologie is van huis uit belast met een wijsgeerige lading en een daardoor gerichte, methode en uitdrukkingswijze, die haar wellicht zoo grooten opgang verschaften en aansluiting gaven aan het moderne bewustzijn. Daarentegen is de gereformeerde theologie in den hoek van versteening en scolastiek geraakt en is in degenen, die haar het meest in eere wenschten te houden, ook het meest verwijderd gebleven van dat moderne bewustzijn.

Men kan het ook anders zeggen en beweren, dat het moderne bewustzijn zich allengs verder van de gereformeerde levens- en wereldbeschouwing heeft losgemaakt. Dit is trouwens niet minder waar. Een en ander kan verklaring geven aan het bovengenoemde feit, dat de predikers van den nieuwen tijd weinig neiging vertoonen om aansluiting te vinden bij de aanhangers van wat wij nu willen noemen de oude theologie.

Zonder twijfel zal men van gene zijde niet nalaten aan laatstgenoemden een orthodoxe halsstarrigheid te verwijten, terwijl ook van den anderen kant al die nieuwigheden bij voorbaat veroordeeld worden. Toch gelooven wij, dat het meer bevoegde oordeel wederkeerig inziet, dat wij hier innerlijke tegenstellin­gen ontmoeten, die, ook al worden zij niet tot In de diepte gepeild, aanleiding tot bezinning moeten geven. In het moderne bewustzijn zijn factoren werkzaam, die uit zoo geheel andere beginselen opkomen dan waaraan de gereformeerde geloofsbelijdenis uitdrukking geeft. Daarom is men er niet, als men meent die belijdenis in de taal van den modernen tijd te kunnen vertolken. Het gaat bij het vertolken niet om een overzeting van woorden, maar om de vertolking van den zin en den geest.

Het is volkomen waar, dat de moderne mensch zoovele Bijbelsche zaken (sommigen spreken van begrippen) niet meer verstaat: zonde, genade, rechtvaardigmaking, heiligmaking. Het is ook waar, dat de zendeling het Evangelie aan de heidenen niet verkondigt in den vorm, de taal en den stijl van een dogmatische preek in het moederland. Hij zoekt aansluiting bij het bewustzijn van de menschen tot wie hij komt om contact te krijgen. Vandaar uit echter zal hij er zich op richten den waren bijbelschen zin bij te brengen en het heidensch bewustzijn te zuiveren en te kerstenen.

Het gevaar is echter niet denkbeeldig, dat aanpassing aan het moderne bewustzijn uitloopt op een modernizeering van het Christendom, dat, aan de ware Christelijke religie gemeten, meer modern dan Christelijk is. Geheel de oriënteering van dezen tijd schijnt dat te willen bevorderen. En het is juist daarom zoo noodig, dat het gereformeerd Protestantisme zich rekenschap geeft van de zaken.

De reformatorische geest van vandaag is zoo geheel anders ingesteld als die van de Reformatie. Toen ging het in de eerste en voornaamste plaats om de leer en de kerk. Het sociale leven stond zoodanig onder den invloed der kerk, dat dit als het ware op het tweede plan kwam. Feitelijk was van een tweede plan niet eens sprake, juist, omdat het zoo nauw aan de kerk verbonden was. Het zou van zelf medegaan en het is ook van zelf onder den invloed der Reformatie veranderd. Reeds spoedig bleek dat in de scheiding tusschen kerkelijke en burgerlijke aangelegenheden, waarvan de classicale acta uit dien tijd kunnen, gewagen. Ook ontging het sociale leven niet aan de aandacht. Maar het was niet het eerste doel. Dit lag in het kerkelijk leven zelf. Het gold de reformatie van de kerk.

De huidige reformatorische drang gaat echter niet in de eerste plaats op de kerk uit, wat haar leer en leven als zoodanig aanbelangt, maar is gericht op de herkerstening van de saamleving. De kerk heeft haar roeping ten aanzien van de saamleving verzaakt en daarop werpt men zich met alle kracht. Dit teekent een ander uitgangspunt en een ander aangrijpingspunt. Het heeft er allen schijn van, of men thans de verwachting koestert, dat het met de kerk van zelf wel in orde zal komen ; als dat andere maar slaagt.

Geenszins is het onze bedoeling den indruk te wekken, alsof de kerk zich geen rekenschap had te geven van den toestand der moderne wereld en van haar vraagstukken. Integendeel, dat is hoog noodig en moet gebeuren. Maar dan moet er toch een kerk zijn, die zich van haar roeping en taak bewust is en geestelijk toegerust met alle wapenen, die zij daartoe behoeft. Er moet een geestelijk draagvlak zijn in het kerkelijk leven en bellijden, dat bestand is tegen de zware taak en verantwoording, welke aan de kerk zijn opgelegd. Het mag alles niet voor een belangrijk deel buiten de kerk omgaan, wat in haar naam en op haar rekening wordt ondernomen. Indien dat draagvlak ontbreekt, zal het eind de lasten dragen.

Men spreekt tegenwoordig wel veel van het waagstuk des geloofs, maar de Heilige Schrift spreekt van een vasten grond. (Hebr. 11 : 1). Het is ook wel heel modern met een vliegtuig te reizen, maar het blijft een gevaarlijk ding, als men een noodlanding moet maken.

De sociale en meer nog de oeconomische situatie der wereld teekent zich op een wiize af, die ook voor de kerkelijke actie bedenkelijk kan worden, inlien zij niet haar grond vindt in een krachtig geestelijk leven uit een waarachtig Christelijk geloof. En daarom is het zaak, dat men grondig onderzoekt, of men met al het nieuwe wortelt in het oude geoof, dat den heiligen is overgeleverd, opdat men ter kwader ure niet tot de ontdekking kome gefaald te hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Alles nieuw

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1945

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's