Geloof en prediking
Referaat gehouden op de Jaarvergadering van den Gereformeerden Bond, 14 April 1944
Jacobus spreekt van het Woord der Waarheid, en welke de zaligmakende kracht daarvan zij, kan worden verstaan uit hetgeen hij daaraan toevoegt: naar Zijnen wil heeft. Hij ons gebaard door het Woord der Waarheid, opdat wij zouden zijn eerstelingen Zijner schepselen. (Hfdst. 1:18).
Ook de apostel Petrus getuigt van dezelfde kracht, als hij zegt : „Gij, die wedergeboren zijt niet uit vergankelijk, maar uit onvergankeiijk zaad door het levende en eeuwigblijvende Woord van God." (1 Petr. 1 : 23).
De prediking van dat Evangelie als een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooftj nu is allereerst den apostelen opgedragen.
Wij zien echter reeds spoedig, dat zij niet de eenige getuigen zijn gebleven. Immers dan zou de levende prediking zijn opgehouden met den dood van deze heilige mannen. De kracht Gods kon echter door den dood niet worden opgehouden. Het onvergankelijk zaad wast op tot onvergankelijke vrucht. En het deed zijn vruchtbare werking kennen onder de prediking der apostelen, zoodat Jood en heiden deelachtiig werden de kracht van den Heiligen Geest en een drom van medegetuigen uit den dood der zonde in een van God vervreemde en afgevallen wereld werd opgewekt.
Aan een Stefanus zien wij een sprekend voorbeeld van het getuigenis, dat uit dit nieuwe leven voortsproot. Het leven kan niet nalaten zich te openbaren. En niet alleen dit, want hoe werd het Woord des Heeren van de velden, die wit waren om te oogsten, vervuld ? Overal, waar de apostelen uittrokken ging de gelijkenis van den zaaier in vervulling. Had de Heere niet gezegd, dat het Woord als een zaad viel in den akker der wereld ? En overal, waar het in die goede aarde viel, bracht het vruchten dertig-, zestig- en honderdvoud.
Het Woord een zaad. Ziedaar een beeld, dat ons helpt om iets te verstaan van de kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft. De wondere werking van het ontkiemende zaad in den akker leidt de gedachte naar de even goddelijke wonderwerking van 't Woord der prediking. En gelijk de landman kan ploegen en zaaien, eggen en wieden, maar den wasdom heeft te verwachten van de scheppende en onderhoudende kracht Gods, zoo heeft het Gode behaagd ook van menschen gediend te willen worden im de dingen van Zijn geestelijk Koninkrijk. Meerdere malen wijst de apostel Paulus er op, o.a. als hij spreekt van Gods akkerwerk, waarin hij zelf ook op zoo wonderlijke, wijze werd betrokken als een uitverkoren vat om het Evangelie te verkondigen onder de heidenen.
Zoo zijn wij dan gezanten van Christus' wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus' wege, laat u met God verzoenen. Want dien, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt opdat wij zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem. (2 Kor. 5 : 20, 21).
Wat hebben wij met dit alles willen betoogen? Dit, dat de prediking niet opgaat in de overlevering van historische feiten, maar dat zij getuigt van uit de geestelijke werkelijkheid, welke in de feiten van het Evangelie openbaar is geworden : t.w. van de zaligheid, die in den Christus Gods is bereid dengenen, die daartoe naar Zijn voornemen geroepen zijn.
De loop van het Evangelie in de wereld bedoelt niet de kennis van de heilsfeiten in gedachtenis te houden door de geslachten heen, alsof het slechts gold een zaak van historische belangstelling. Veeleer bedoelt de prediking tot deelgenootschap van het heil op te roepen, waarvan die feiten niet slechts getuigen, doch hetwelk in die feiten geschonken en bereid is.
Vandaar, dat de prediking dan ook alleen kan opkomen uit de kennis van dat heil door het geloof.
Het bevel der prediking door Christus aan de discipelen gegeven (Matth. 28 : 19), staat niet op zich zelf. Het staat in onmiddellijk verband met het gansche stuk der verlossing door en in den Christus volbracht. Er is een onmiddellijk verband tusschen de groote gebeurtenis van Bethlehem, en het bevel der prediking. De hemel zelf is met de prediking begonnen en dat niet alleen door den Geest der profetie, die vanouds de komst van den Messias heeft aangekondigd en den vaderen een voorsmaak heeft gegeven van de zaligheid Gods. Of heeft niet Abraham uitgezien naar Zijn dag en hij heeft dien gezien en is verheugd geweest.
Maar ook de engelen Gods werden naar de aarde gezonden om Zijn dag te verkondigen, ten laatste in de velden van Efratha : Ziet, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal, n.l. dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids.
Zoo ligt het in het bestel Gods, dat dit heugelijk gebeuren in de wereld zal worden uitgedragen tot den laatsten dag.
De loop des Evangelies is een zaak, die de hemelen bewogen heeft. En als van den mond van den verheerlijkten Christus dit bevel tot de Zijnen uitgaat, is dat niet een van buiten opgelegde zaak, maar drijft Zijn Geest hen uit tot een nieuwe gehoorzaamheid. Hij beveelt de prediking, omdat Hij de Zijnen betrekken wil in het groote werk van de dienstbaarheid tot opibouw van het lichaam van Christus en tot volmaking der heiligen.
Zoo vervult de prediking een goddelijke roeping, d. w. z. Hij zelf maakt de prediking dienstbaar aan de vervulling van Zijn Koninkrijk, m.a.w. aan het werk, dat Hem van den Vader gegeven is om te voleindigen.
Deze hemelsche achtergrond, waaruit de prediking opkomt, kan ook haar geestelijken zin en inhoud verklaren.
Haar inhoud kan geen andere zijn dan het Evangelie : vergeving der zonden in Christus Jezus en daarom heeft de prediking geen ander thema dan altijd weer dien Christus te verkondigen, die ons door de Heilige Schrift wordt voorgesteld. De zaligheid is in geen andere, want er is onder den hemel geen andere naam, gegeven doorwelken wij moeten zalig worden.
Geen andere Christus dan de Christus der Schriften. En in Zijnen Naam vergeving der zonden. Dat beteekent ook prediking aangaande den mensch, maar dan ook geen anderen mensch dan, zooals hij voor God bestaat. Een mensch, die goed en naar Gods beeld geschapen, zijn weg voor God heeft verdorven en doemwaardig tot bekeering wordt geroepen uit genade. Vergeving der zonde om Christus' wil, geroepen tot gerechtigheid niet uit de werken, maar tot de gerechtigheid Gods in Christus.
Daarmede raken wij reeds aan den zin der prediking. Zij roept tot bekeering : gezanten van Christus' wege, alsof God door ons bade : laat u met God verzoenen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 11 december 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 11 december 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's