Geloof en prediking
Referaat gehouden op de Jaarvergadering van den Gereformeerden Bond, 14 April 1944
Zoo gaat er door de prediking een roep van Christus' wege uit tot degenen, die in den schoot der menschheid verborgen zijn en schoon zij het nog niet weten, die geordineerd zijn naar die stem te hooren. Er is dan een geestelijk verband tusschen het bevel der prediking en de toevergadering tot de gemeente, die zalig wordt. Woord en Geest gaan samen als in alle werken Gods om den goddelijken heilsraad te vervullen. In de prediking alszoodanig wordt die heilsraad reeds vervuld. Het Woord zal Zijn loop hebben en alles doen, waartoe het gezonden is.
De kracht der prediking kan dus nooit een andere zijn dan Gods Woord. Het is immers Gods Woord, dat zijn loop zal hebben in de prediking en niet een menschenwoord. Doch Gods Woord is maar niet een klank. Zelfs een menschenwoord krijgt eerst zin en beteekenis niet in de klank, maar door de bedoeling van den spreker. De klank is op zich zelve niets, maar de klank krijgt kracht en inhoud door het leven. Het woord brood als klank zegt niets, maar het ontleent zijn beteekenis aan de daarmede aangeduide gave Gods, welke onontbeerlijk is voor ons aardsche leven. Zoo is het niet slechts een klank, als de Christus zegt : Ik ben het brood des levens. Hij is het levende Woord Gods en de kracht Gods tot zaligheid.
Het vleesch geworden Woord en het geschreven Woord zijn dan ook niet los van elkander, maar het geschreven Woord is het getuigenis van het vleesch geworden Woord en dat niet zonder innerlijke geestelijke verbondenheid. Immers is het de Geest van Christus, die is ook de Geest der profetie en de Geest der wedergeboorte.
Als Christus zich openbaart als het brood des levens en het Woord een zaad noemt, dat in den akker der wereld wordt gezaaid, worden wij wederom bepaald bij het scheppingswonder, hetwelk zich voordoet in de geschiedenis van het brood, dat ons aardsche leven onderhoudt naar de ordening Gods.
Het gansche akkerwerk en heel de toebereiding van het graan tot een voedzame spijze, welke den mensch als een arbeid is opgelegd, kan niets afdoen van de kracht van het scheppende Woord, dat tot de aarde uitgaat om te doen uitspruiten het zaadzaaiende kruid. Heel deze arbeid aan het graan is in het goddelijk werk opgenomen, maar de waarheid blijft, dat God de Heere Zijn schepsel onderhoudt en spijze geeft. (Ps. 104). Het wacht alles op Hem.
In dit beeld kunnen wij den arbeid der kerk, inzonderheid, den arbeid in het Woord en in de leer zien, als opgenomen in het goddelijk akkerwerk, doch alzoo, dat dit een werk van Gods wondere kracht is en blijft, die door Zijn Woord en Geest een nieuw geestelijk leven wekt en onderhoudt en zich een gemeente vergadert uit de gevallen menschheid.
Op deze wijze wordt de Dienst des Woords en de gansche geestelijke arbeid gezien in het licht van het wonder van Gods ontferming in Christus Jezus geopenbaard. En in dit licht kan de Dienst des Woords eerst recht als een Dienst (een ministerium) worden begrepen. De Dienst des Woords kan en mag dan ook niet anders dan ambtelijk worden verstaan. Slechts in de bediening des Woords kan de kracht des Woords tot haar recht komen en kan God aan Zijn recht komen.
De Schrift spreekt dan ook van de Dienaren als van ouderlingen, die in het Woord arbeiden, en stelt den eisch, dat zij het geloof niet verloochenen door woord of daad. (Vgl. 1 Tim. 5 : 17 ; 2 Tim. 2 : 24, 25).
Nu ligt het voor de hand, dat de uitdrukking arbeiden in het Woord niet maar een uitwendig verband, een uitwendigic dienstbetrekking als van een huurling onderstelt. In het Woord en de leer, brengt ons in de geestelijke werkelijkheid binnen. Het onderstelt een betrokkenheid bij Gods zaak en bij het werk Gods en dat niet als in onbewustheid en onmondigheid, maar in het besef van de hooge roeping en in de kennis van de kracht des Woords.
Wij willen daarmede niet zeggen, dat ook een ongeloovige en goddelooze mensch geen overbrenger van het Woord zou kunnen zijn, en nochtans God daarmede Zijn werk zou kunnen doen, maar dat is niet de orde. Dienst des Woords onderstelt een getuigen uit de levende kracht van het Woord, m.a.w. prediking uit een geloovig en wedergeboren hart. De hemel zelf is de prediking begonnen tot geloof en het geloof openbaart zijn vruchten in het getuigenis zoowel door woorden als daden en in de openbaring van Christus' Kerk, als een tempel des Heiligen Geestes en een levende getuige in de wereld.
Zoo is dan het geloof uit het gehoor, maar verder ook is de prediking uit het geloof. Hoe zullen zij hooren, als er niet gepredikt wordt, maar ook, hoe zullen zij prediken, als zij niet gelooven ? (Vgl. Rom. 10 : 17).
Nimmer zou de prediking haar loop op de aarde verkregen hebben, indien God de Heere niet ware aangevangen te prediken, gelijk Hij van den beginne gedaan heeft in en door den hoogsten Profeet en Leeraar. Zonder het Woord zou nooit een mensch tot God genaderd zijn.
Maar nu is alweer door de werking van Woord en Geest, dat het geloof niet kan nalaten te getuigen. Zoo is dan de prediking onder de menschen, de prediking der kerk in Christus een prediking uit geloof en tot geloof Ziedaar het verband tusschen prediking en geloof.
Nu de functie van het geloof in de prediking. Alle prediking heeft uit den aard der zaak met geloof te maken. Juist, omdat prediking getuigen is, komt het voort uit een zekere overtuiging, welke weer bedoelt diezelfde overtuiging ook bij anderen te vestigen. Daarom echter komt alle prediking niet op uit het geloof in den Christus der Schriften. Ook een valsche prediking komt uit een geloof op, zij het dan ook een valsch geloof. Immers de norm des Christelijken geloofs is gegeven in de Heilige Schrift, welke als eenige regel en richtsnoer wordt beleden. (Ned. Geloofs, bel. Art. 3—7).
Uit den aard der zaak is er een onmiddellijke betrekking tusschen het persoonlijk geloof van den prediker en zijn prediking, juist, omdat prediken is getuigen. Het persoonlijk geloofsleven zal dus ook altijd den stempel drukken op de prediking van den man, die daartoe is geroepen. Dit geeft een verscheidenheid aan de prediking, die in de onderscheiding van persoonlijke gaven en goddelijke leiding een levenden grond vindt. Toch kan en mag niet onbeperkt aan zulk een persoonlijk getuigen worden toegegeven.
Dit zou leiden, waartoe het ook geleid heeft, tot een vrijheid, die met de waarheid van het leven van Gods kerk in strijd komt, indien de tucht des Woords wordt losgelaten.
Welk geloof zal derhalve in de prediking tot uiting komen ?
Wel zegt men : Het geloof in den Christus der Schriften. Het is wel ! De werkelijkheid leert echter, dat zulk een formule geen waarborg schenkt voor een zoodanige bediening des Woords, die als getuigenis van het algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof mag gelden.
De Schrift geeft nog een andere aanwijzing. Judas spreekt van het geloof, dat den heiligen is overgeleverd, (vers 3). Het getuigenis loopt altijd door den trechter van een menschelijke ziel, maar hier spreekt de Schrift van de heiligen als één vergadering of gemeenschap, die in Christus is afgezonderd. Zoo spreekt ook de apostel met het oog op deze heilige gemeenschap, als hij zegt: Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus. (Rom. 5 : 1). En elders spreekt hij van den toegang door één Geest en van het lichaam van Christus. (Efeze 2 : 18 ; 1 Cor. 10 : 16).
Zoo wijst de Heilige Schrift ons op een eenheid en eenigheid des geloofs en dientengevolge op een gemeenschappelijken grond waaruit dat geloof opkomt, van één Geest, door welken dat geloof gewerkt wordt en waaruit ook het gemeenschappelijk belijden en getuigen ontspringt.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's