Een dogmatiek
Dezer dagen verscheen ,,Kleine Dogmatiek" van de hand van dr. G.C. van Niftrik. Volgens mededeeling van den schrijver in het Voorwoord, schreef hij op aandrang van den Hervormden Raad voor „Kerk en School". „Het bleek den Raad, dat de litteratuur, die voor de studie voor de Aanteekening „Geloofsleer" op de acte Christelijke onderwijzers beschikbaar is, verouderd (wij cursiveer en) moet heeten". Om in die leemte te voorzien, werd dit boekje in de eerste plaats geschreven".
Deze mededeeling maakt de verschijning van deze dogmatiek in verschillend opzicht merkwaardig. Vooreerst rijst de vraag, of het beleid van den Raad voor „Kerk en School", wel juist mag worden genoemd. Temeer, waar hier het oordeel werd uitgesproken over het beschikbare materiaal als verouderd. De „Kleine Dogmatiek" kan het bewijs leveren, dat deze waardeering niet alleen den formeelen kant, noch ook den didactischen en technischen kant van de zaak raakt. Om een en ander volledig te beschouwen, zouden wij ook het „beschikbare materiaal" moeten behandelen. Zonder twijfel zou dat ook naar ons inzicht uit meer dan één oogpunt verbetering verlangen. Ons hoofdbezwaar is echter daarin gelegen, dat deze nieuwe Dogmatiek zich waagt op het gebied van de kerkelijke leer op een wijze, die als de kerk kerk zal zijn, niet binnen de bevoegdheid van den Raad van "Kerk en School" valt.
Stilzwijgend mag worden aangenomen, dat deze Raad tot dr. Van Niftrik ging, omdat hij in hem den man heeft gezien, die zou brengen, wat van hem werd verwacht. Maar dan ligt het ook voor de verantwoording van den Raad voor K. en S., dat zulk een opdracht en met die strekking werd gegeven,
Die Raad is daarmede getreden in de dingen, die onmiddellijk de kerkelijke Confessie raken en alleen in den ordelijken weg door de Kerk behooren te worden ter hand genomen en beslist.
Indien iedere Raad op zijn wijze en naar zijn inzicht over de geloofsleer gaat handelen, maakt men de verwarring steeds grooter. Als men wil mede werken, opdat de Kerk zich wederom als Kerk zal openbaren, zou het van groot belang zijn, dat de Raden zich onthielden van dogmatische inmenging en zich hielden aan de kerkelijke belijdenis.
Het bezwaar, door ons genoemd, wordt voorts nog gerechtvaardigd door het feit, dat deze „Kleine Dogmatiek" op belangrijke punten een nieuwe leer verdedigt, die ernstig afwijkt van de „nieuwe leer", waarvoor de reformatoren hebben geijverd.
Zulke dingen kunnen toch door een orgaan van de Kerk als een Raad niet worden ter hand genomen, zonder in strijd te komen met de eerste beginselen van een echte kerkelijke kerkorde. Het is dan ook nog te minder verantwoord in een toestand als de onze, waarin de kerk een weg zoekt om daartoe te komen.
Met alle respect voor het werk, dat men in schier alle richtingen aanpakt, levert dit voorbeeld een klaar bewijs, dat men niet van uit een kerkelijk gericht plan werkt, dat van een principieel inzicht in den aard en het wezen der kerk getuigt.
En nu het boek zelf.
Het is een eigenaardige dogmatiek. Het is veeleer een tendenieuze bewerking van dogmatische stof naar aanleiding van de Apostolische Geloofsbelijdenis. De schrijver is zich daarvan bewust. „Echte dogmatiek", zoo wil hij, „stookt onrust — brengt de Kerk in beweging. Want dogmatiek is niet een uiteenzetting van wat wij daadwerkelijk gelooven, maar een uiteenzetting van wat wij eigenlijk behoorden te gelooven en te prediken. Het gaat er in de dogmatiek om wat de Kerk gelooft. Dogmatiek is nog iets anders dan geloofsleer. Het sticht heillooze verwarring, wanneer men een dogmatiek niet van een geloofsleer weet te onderscheiden" (blz. 15 v.) Geloofsleer wordt, naar men uit deze zinsnede zou opmaken, gereserveerd voor de uiteenzetting van wat wij daadwerkelijk gelooven. Voor de dogmatiek blijft dan de taak om uiteen te zetten, wat wij behoorden te gelooven en dat zou dan zijn, wat de Kerk gelooft. Rechtlijnig geredeneerd, zou men tot de conclusie komen, dat er alzoo een distantie wordt gezet tusschen daadwerkelijk geloof en een normatief geloof, waartoe men zedelijk verplicht is.
Deze distantie wordt merkwaardig gedemonstreerd in de paragraaf over het geloof. Geloof is iets anders dan alleen voor-waarhouden. In kan den geheelen Bijbel voor waar houden en toch niet gelooven. (blz. 25) Ik kan „gelooven", dat alles precies zoo gebeurd is als het in den Bijbel staat en niet de minste moeite hebben met de zon van Jozua (Joz 10 : 12) en den walvisch van Jona, en tóch niet récht gelooven ! Ongetwijfeld beteekent het geloof aanvaarden van de waarheid des Bijbels. Maar nu het onderscheid tusschen dit geloof en echt geloof. Hier is een overgang naar een andere dimensie.
Wat is waarheid in bijbelschen zin ? Is dat onze ,,objectieve feitelijkheid" ? Is dat hetzelfde als onze „wetenschappelijk geconstateerde feiten" ? Geen sprake van ! Waarheid is in den Bijbel de zelfopenbaring Gods, Jezus Christus, betuigd door Oud- en Nieuw- Testament. Ik moet de openbaring Gods als waarheid aannemen. Maar dat is geen intellectualisme meer, want nu gaat het om een existentieel gegrepen worden door de openbaring Gods in Jezus Christus !
Men krijgt den indruk, dat de schrijver het geloof, dat geen moeite heeft met de zon van Juzua en den walvisch van Jona, onder intellectuslisme rekent, hoewel juist het intellectualisme in deze stukken zijn eerste aanslagen op het gezag der Heilige Schrift pleegt te vinden. Wat onderscheid, zoo vragen wij, is er tusschen de wonderen van den Heere Jezus Christus en deze wonderen, die men niet gelooven kan, tenzij men gelooft in Zijn goddelijke almacht ?
Ongetwijfeld is er een verstandelijk aannemen en voor waar houden van al deze dingen. En toch valt dit niet onder intellectualisme. Het is altijd nog geloof, al is dat om in de gangbare taal te spreken, mogelijk geen zaligmakend geloof, als de schrijver dit althans bedoelt met de uitdrukking existentieel gegrepen-worden door de openbaring Gods in Jezus Christus !
Toch bedoelt de schrijver met écht geloof iets anders. Dit wordt duidelijk uit zijn betoog, wat het geloof niet is.
Het geloof zal wel altijd ingewikkeld zijn in veel menschelijks : mijn verstand, mijn gevoel, mijn wil gelooven mee als ik geloof. Maar dat „zielige" kleed van overleggingen, inzichten, gevoelens, besluiten, daden, is het eigenlijk niet. 't Eigenlijke —, het geloof —, dat is het onzichtbare —, het wonder Gods —, de opstanding —, de nieuwe onaanschouwelijke mensch. Daarom moet ik „ook gelooven, dat ik geloof", (blz. 27)
Deze laatste zin werkt inderdaad verhelderend en verbijsterend. Ik moet gelooven dat ik geloof.
Men zou hier kunnen beginnen met te vragen : hoe kom ik aan het geloof, dat ik geloof. Men zou geneigd zijn om te antwoorden: ik moet gelooven, dat ik gelooven moet, dat ik geloof. En zoo kan men voortgaan. Of is het soms zoo, dat ik behoor te gelooven, dat ik geloof.
In ieder geval is wel duidelijk, dat het échte geloof ver boven den mensch uitgaat. Het écht geloof wordt hier in een transcendente ongrijpbaarheid voorgesteld. Het zweeft ergens in de hoogte en valt samen met een transcend enten onaanschouwelijken mensch. Klaarblijkelijk bedoelt de schrijver een vrijmaking van het échte geloof van het subject, hoewel hij dan toch weer een soort geloof te hulp roept, dat in zijn „zieligheid" het echte niet is en op eenige wijze verbindingsschakel met het objectieve échte geloof wil zijn.
Wat wordt er in deze visie van het geloof der kerk, dat uitdrukking heeft gevonden in de belijdenis ? Is dat écht geloof in het ,,zielige" kleed van overleggingen, inzichten, gevoelens, besluiten, daden ingekleed ? Wellicht is dat de bedoeling. En dat moet alzoo beduiden, dat het échte geloof nooit anders dan in de „zieligheid" kan worden uitgedrukt. Immers verstand, wil en gevoel, gelooven mee, als ik geloof. De gansche „zieligheid" gelooft mee, als ik geloof, en is toch niet het échte g? loof. Het gelooft alleen maar mee, dat er een écht geloof is, dat de Kerk dat échte geloof heeft. Eigenlijk zou men niets meer kunnen zeggen dan ik geloof, wat de kerk gelooft. Wat gelooft dan de kerk ? Ja, dat kan men eigenlijk niet zeggen.
En als de kerk het dan tóch gaat zeggen ? Dan gaat zij het in de „zieligheid" inkleeden, en dat is niet het echte.
Van geloofsleer kan men dus feitelijk in het geheel niet spreken, want dan zou men een uiteenzetting moeten geven van het échte geloof. En dat gaat niet, omdat de leer des geloofs nooit verder zou kunnen komen dan de uiteenzetting van de zielige inkleding, die het echte niet is. Zij zou alleen kunnen handelen over de medegeloovende „zieligheid".
Wij zijn op dit punt een weinig ingegaan, het zal duidelijk zijn, dat een dogmatiek, welke uit zulk een geloofsvoorstelling wil opkomen, even onbepaald en zwevend wordt. Feitelijk berooft zij zich zelf van de materie, die zij behoort te behandelen. Er blijft niet veel meer over dan te zeggen, dat de dogmatiek niet kan handelen over de zaken, waarover zij zou willen handelen. Zij gaan boven den mensch uit.
Ook de waardeering der Heilige Schrift lijdt onder hetzelfde beginsel. De Bijbel wordt weliswaar Gods Woord genoemd, doch men houdt het er niet voor, dat God in den Bijbel een en ander mededeelt, dat nu als waarheid heeft te gelden, maar Hij laat ons door Zijn getuigen zeggen, dat Hij Zichzelf in Christus aan ons gegeven heeft. (Vgl. blz. 33). Daaruit volgt dus, dat wij niet over waarheden Gods beschikken kunnen. Van „geïnspireerdheid" van den Bijbel wil de schrijver niet gesproken hebben. De Bijbel is Gods Woord, als Hij dien tot Zijn Woord maakt. Het Woord Gods hebben wij in den Bijbel, zooals die daar ligt, dus niet, zoomin wij het échte geloof hebben kunnen.
Dit standpunt is trouwens afdoend bewijs om aan te toonen, dat alle ware theologie onmogelijk wordt gemaakt. Theologie kan eigenlijk niets anders beweren, dan dat zij geen theologie kan zijn. Dit beteekent een vrijbrief voor allerlei interpretatie en opvatting om trent de dingen, welige de traditioneele theologie pleegt te behandelen. Wij beschikken immers in ons aardsche bestaan niet over goddelijke waarheden.
Wij vragen, wat beteekent dan nog de waarheid, dat God Zich in Christus geopenbaard heeft ? Op welken grond kan men dit getuigenis nog voor goddelijke waarheid houden ? De mededeelingen der getuigen behoeven immers als zoodanig nog niet als waarheid te gelden.
Het is trouwens opvallend, hoezeer deze waarheid in dit soort theologie tot een bewustzijnsverenging is geworden. De openbaring in Jezus Christus wordt teruggebracht als tot een metaphysisch punt, dat nauwelijks de historie raakt.
De Kantiaansche wijsbegeerte heeft het Deïsme van de 18e eeuw wijsgeerig bevestigd door den toegang tot de hemelsche dingen af te sluiten voor de theoretische rede.
In deze theologie wordt een Godsopenbaring aangehangen, die nog juist bij machte is om den mensch te leeren, dat hij geen écht geloof en geen ware kennis van God kan hebben. Alle rijkdom van de openbaring in Christus wordt aan den aardschen mensch onttrokken en de verarmde wereld wordt slechts het postulaat van openbaringstoekomst in de vernieuwing der dingen gelaten. Het openbaringsbegrip wordt in deze nieuwe theologie onder de tucht eener Kantiaansche critiek geplaatst, tengevolge waarvan God uit de wereld wordt uitgebannen en het geloof in den Christus een sprong in het duister wordt. Onder de aanhangers dezer theologie is het welhaast gebruik geworden te spreken van het waagstuk des geloofs.
Men schijnt er aan die zijde geen oog voor te hebben, dat deze z.g. nieuwe theologie slechts kan bevorderen wat zij wil bestrijden. Het bloed kruipt, waar het niet gaan kan en de mensch wil nu eenmaal theologiseeren. Dat wordtdoor geen wijsgeerige critiek afgesneden. Derhalve moet deze theologie leiden tot een theologizeerend rationalisme. Daarbij zal de mystiek niet nalaten haar woordje mede te spreken.
Wij houden den grondslag der reformatoren met hun nadruk op de tucht der Heilige Schrift voor een voortreffelijker en veiliger weg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's