Het innige Christendom
Voorwaar, voorwaar zeg Ik u : Tenzij. dat iemand wederom, geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. Johannes 3 vs. 3.
Een nieuw-modisch Christendom van onzen tijd schijnt dit met zooveel nadruk gesproken woord van den Heere Jezus Christus te vergeten, te veronachtzamen, misschien zelfs niet onbewust weg te theoloigiseeren.
In ieder geval is er een zekere stemming tegen helt „innige Christendom".
Geheel onverklaarbaar is dat niet. Integendeel, historisch, gezien heeft dat zeer aanwijsbare oorzaken. Vooreerst komt het „innige Chrisltendom" zelf daarvoor in rekening. Veelal is dit weggezonken in een mysticisme, hetwelk de grens van een gezonde Christelijke mystiek verre heeft overschreden. Alle religie is mystiek en de Christelijke religie kent haar anto mystica, de geestelijke gemeenschap met den Christus.
Het innige Christendom is echter niet ontkomen aan het gevaar, waardoor het wordt bedreigd. Het is het gevaar der innighieid, waarbij het religieus gevoel de overhand neemt. Het zoekt religieiuse bevrediging in religieuse gemoedstoestanden en wil daarin de geloofszekerheid vinden. En zooal niet de zekerheid des geloofs, dan toch de zekerheid van goddelijke bemoeienis en van het kindschap Gods.
Nochtans dragen die zieletoestanden op zich zelf genomen nog geenszins het kenmerk der echtheid. Niet zelden ontbreekt aan het innige Christendom de tucht des Woords en wil het een maatstaf vinden in het innerlijke licht. Ook wil het een richtsnoer ontleenen aan het geestelijk leven van hen, die het voor ingeleide Christenen houdt.
Daarin nu schuilt een ernstig gevaar. Op die wijze is men van het goddelijke in het menschelijke terecht gekomen. Niet in Gods daad en werk wordt de grondslag van het geestelijk leven gezocht, maar in de werkingen van het menschelijk gemoed. Het zwaartepunt wordt van den Christus in het mystieke gevoel verlegd. Als men dit afkeurend „doorgezakt" noemt, is dat dus niet ten onrechte. Het zwaartepunt is a.h.w. gezakt beneden het draagvlak des geloofs.
Hoewel het „innige Christendom" in den gezonden zin aan de Christelijke religie eigen is, d.w.z. zijn wortel heeft in het werk van den Heiligen Geest en het pneumatisch karakter der waarachtige religie, vertoont het in zijn overgeestelijk subjectivisme een eenzijdige reactie op de tegengestelde eenzijdigheid van een ongeestelijk dogmatisme. Voor alle ismen heeft men te waken. Zij vinden altijd steun in een waarheid. Maar deze waarheid wordt toegepast zoo eenzijdig, zoo zonder recht te doen aan de veelzijdigheid, waarin zij verschijnt, dat zij geen verwerkelijking kan vindten. Zoo is het ook met de religieuse ismen.
Reeds uit dien hoofde verdedigen wij ook niet de spreekwijze, dat de waarheid in het midden ligt, alsof zij een evenwicht ware tusschen de uitersten. Want Christus is de Waarheid en deze wordt gekend door Zijn Woord en Geest. En zij, die discipelen van Christus willen zijn, willen door Zijn Woord geleerd worden en zich aan dezen regel des geloofs onderwerpen. Waar het Woord des Konings is, daar is heerschappij, ook in het Christelijk gemoed. En de waarachtige oefening des geloofs wordt niet gevonden in de troeteling van zijn religieuse gevoelens, maar in de worsteling om de gehoorzaamheid te brengen, welke Christus van ons vordert, ook in het ,,innige Christendom".
Alleen in die oefening des geloofs kan ook het welzijn en de zaligheid van onze medemenscen worden bevorderd, zooals het gebod der hemelsche Liefde eischt. Allereerst in de kerkelijke saamleving, maar dan ook in onze omgeving, in gezin, arbeid, fabriek, kortom in heel de saamleving. Van uit het waarachtig persoonlijke en kerkelijke geloofsleven kan alleen de vruchtbare kracht op de menschheid uitgaan.
En het is noodig: daarop den nadruk te leggen, omdat het ,,innige Christendom", dat zich aan de tucht van Gods Woord onttrekt, de neiging vertoont van sectarisme. Het leidt tot een conventikelgeest, die zich weinig of niets aan de schoone geestelijke roeping in kerk en maatschappij laat gelegen liggen. Het sitaat vaak in zich zelf gekeerd veroordeelend tegenover het overig Christendom, en mist dien heiligen ijver, die de zaligheid van den naaste zoekt, gepaard aan een godzaligen wandel.
Een en ander geeft mede aanleiding, dat deze menschen gewoonlijk niet alleen door de wereld, maar ook door vele kerkelijke menschen als „fijnen, pharizeërs, eigengereiden", worden gesmaad. Voor zoover zulk een smaad ten onrechte over hen wordt uitgegoten, mogen zij vrij volharden in hun geloof. Doch men wachte zich om gegronde ergernis te geven. Daardoor wordt toch de Naam van Christus gesmaad. En het valt ook daarom te betreuren, omdat dit gesmade Christendom niet maar zoo als een poel van onzuiver water kan worden veracht. Wie dat doet, verstaat klaarblijkelijk niet, dat in het innige Cbristendom een vroomheid schuilt, welke in de kerk meer gezocht behoorde te worden. Ook de sectarisch piëtistische geest klaagt de kerk aan, en deze zoekt vaak een bedding voor het geestelijk leven, als deze in de kerk verzand is.
Ook in onzen tijd wordt vaak vergeten, dat de reformatoren aandrongen op persoonlijk geloof. Men heeft den mond vol van verkondiging en velen verkondigen. AI te weinig is men daarbij indachtig aan het woord des Heeren : Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u, tenzij een mensch wederomgeboren wordt, hij zal het Koninkrijk Gods niet zien. (Joh. 3 : 3).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1945
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's