„Voorlichting”
Dezer dagen ontvingen wij van een predikant een artikel uit een Streekblad „De Voorlichter" toegezonden, waarin de vraag werd behandeld : Zullen uitgesproken doodstraffen worden voltrokken ? De strekking van het artikel is zeer duidelijk. Getuige de vraag, waarmede het stuk eindigt : „Vraag het uzelf, of ge met een geweten, dat dan, noch later verontrust zal worden, zelf een doodelijk schot zoudt kunnen afvuren op een gebonden mensch — hij moge in uw oog een groote misdadiger zijn — die op het door u gekozen oogenblik voor den rechterstoel van ons aller Hemelschen Vader zal verschijnen".
Deze vraag op zich zelf maakt het reeds overbodig om het geheele artikel weer te geven, omdat zij zeer duidelijk te kennen geeft, dat de Schrijver de zaak geheel en al verkeerd stelt.
Ten eerste geldt het hier een executie van een door de Overheid uitgesproken vonnis, waarvoor die Overheid aansprakelijk en verantwoordelijk is, zoowel wat het vonnis, als de executie aangaat.
De schrijver echter stelt het voor als een persoonlijke aangelegenheid van den scherprechter of iemand, die in zijn plaats optreedt. Een heel andere vraag is het, of men scherprechter zou willen of kunnen zijn. Wij kunnen ons indenken, dat iemand geen lust of vrijmoedigheid heeft om zulk een betrekking waar te nemen. Maar daarover gaat het hier niet.
Ten tweede : Waar komt de schrijver uit, als hij diezelfde vraag stelt aan de politie of de militaire macht in geval van opstand, muiterij of oorlog ? Het is waar, dat men dan in het algemeen niet tegenover een gevangene, of gebondene staat, maar tegenover menschen, die gevaarlijke tegenstanders zijn en wel in zeer acuten zin.
Doch deze omstandigheid neemt niet weg, dat men dezelfde vraag tot het geweten van den politieman en den soldaat kan richten. De schrijver heeft klaarblijkelijk er niet aan gedacht, dat ook oorlog en opstand iets hebben uit te staan met de vragen van recht en gezag, welke de Overheid heeft te handhaven en te beschermen.
Met de zaak zoo individueel te stellen, als hij doet, komt men niet verder. Het werkt integendeel verwarrend.
Het is bovendien niet juist, dat de scherprechter het oogenblik kiest om den veroordeelde voor den rechterstoel Gods te doen verschijnen.
Noch het beroep op het volk, noch dat op personen, die hier worden aangesproken, kan principieel beschouwd juist worden geacht. Het is misschien geschikt om gevoelens op te wekken, maar het gaat niet uit van de verhoudingen, waarin de aanhangige zaak moet worden gezien.
Ten derde gaat het betoog tegen handelingen van wraak, welke opgewekt werd door de harde ervaringen in den bezettingstiid. Maar dan ook raakt de schrijver aan het recht, waartegenover hij pleit voor barmhartigheid.
Dit is alles tot zijn dienst. Geen volk en geen mensch heeft het recht om uit wraak te dooden of te mishandelen, wie hem sloeg of verdrukte. Het goddelijk gebod zegt : Gij zult niet doodslaan. En de Heilige Schrift vermaant ons Gode de wrake te laten.
Dit voor alle menschen in het algemeen geldende gebod : „Gij zult niet doodslaan", kan echter geen grond zijn om het recht en den plicht der Overheid jegens den moordenaar te betwisten, of de Overheid het zwaard te ontnemen, dat God aan haar heeft toebetrouwd.
In beschouwingen als ons in dit artikel worden geboden, treedt duidelijk aan den dag, hoever men is vervreemd van wat Gods Woord ons leert aangaande de Overheid, die Zijn dienaresse is en zich daarvan ook bewust behoort te zijn.
De Overheid Gods dienaresse. Dat beteekent, dat zij de gerechtigheid behoort te handhaven overeenkomstig de door Hem in Zijn Woord gegeven normen. Dat geldt niet slechts ten aanzien van een zaak als de doodstraf, maar voor geheel de zedelijke levensorde. Zij is als zoodanig voor God verantwoordelijk voor haar gansche beleid. En dat neemt overigens haar zelfstandigheid niet weg, maar bevestigt die juist. Overheidszaken zijn Overheidszaken. Zij heeft het volk te regeeren en zorg te dragen, dat ieder uit zijn arbeid leven kan. En voor haar beleid in deze staatkundige en sociale zorgen is zij aan. God verantwoordelijk en daarom gebonden aan de door Hem gegeven zedelijke normen.
Dat beteekent volstrekt niet, dat niemand aanmerking op dat beleid zou mogen maken, of dat zij zich aan geenerlei critiek zou hebben te storen.
Vooreerst is de kerk geroepen om de Overheid voortdurend te herinneren aan haar goddelijke roeping. Zij doet dit op een profetische wijze, d.w.z. overeenkomstig Gods Woord en in gehoorzaamheid aan haar Heere. Dit sluit alzoo in, dat er omstandigheden en Overheidshandelingen kunnen zijn, die de kerk aanleiding geven om zich inzonderheid tot de Overheid te wenden.
Maar zooals gezegd, zij doet dit profetisch, d.i. als Gods getuige in deze wereld, en daarom in overeenstemming met Zijn Woord. In geen geval is de kerk geroepen om mede te regeeren. Dat is haar taak niet. De Overheid is er om te regeeren. Kerk en Overheid hebhen een eigen taak en roeping. Die moet worden onderscheiden en gescheiden. En in deze zaak is het vóór alles noodig de grenzen in het oog te houden. Dat is vooral noodig in een tijd als de onze, nu de kerk zich over deze dingen zoekt te bezinnen.
Verder sluit de zelfstandige taak van de Overheid in, dat ook de bevoegde Overheden hebben mede te waken over de richtige waarneming van de Overheidstaak. Wij denken aan de Staten-Generaal en zoovele overheidslichamen en personen, als daar zijn. En ten slotte zal niemand het recht betwisten van den man, die zich geroepen gevoelt zijn opinie ook aangaande het beleid der Overheden kenbaar te maken. Met dien verstande evenwel, dat hij daarvoor persoonlijk verantwoordelijk is. Het kan geenszins de bedoeling zijn om inbreuk te maken op de geestelijke vrijheid, al behoeft de Overheid volstrekt niet alles te laten gaan. Integendeel, zij kan krachtens haar goddelijk ambt verplicht zijn degenen, die de vrijheid misbruiken, ter verantwoording te roepen en te straffen. En dat juist ter wille en ter bescherming van de vrijheid en in het belang der volksgemeenschap.
Zoo kan die vrijheid b.v. niet insluiten, dat iedereen zich veroorlooft mede te regeeren, of stemming te maken in een verkeerden zin. En daarop gaat het gelijken, als iemand zonder onderscheiding van de fundamenteele beginselen aangaande de taak der Overheid en de goddelijke normen der gerechtigheid de harp der sentimehten gaat tokkelen, gelijk de ,,Voorlichter" doet. Niet door gevoelens van wraak, maar door den zin voor recht, zoo hoopt hij, zal ons volk zich bij de vaststelling van het eigen standpunt laten leiden.
Maar hoe denkt hij zich dien zin voor recht, als hij zich het goddelijk oordeel voor oogen stelt, dat de man, die des menschen bloed vergiet, zijn bloed ook door den mensch zal vergoten worden ?
Hier heeft de wereldlijke rechter (de Overheid) zelfs geen vonnis te vellen. Hij heeft slechts den opzettelijken moord te constateeren en het vonnis is reeds geveld. De Overheid staat slechts voor de uitvoering van Gods wet.
En zoo niet ? Op welk een grond zal dan de Overheid haar macht over het leven van een mensch vindiceeren en mainteneeren, zoo zij dit zoo klare en duidelijke vonnis van God afwijst ? In den naam van welke gerechtigheid zal zij het zwaard hanteeren, als de fundamenten van haar gezag worden aangerand en revolutie of machtswellust het gansche volksbestaan bedreigen?
Ziet men dan niet in, dat de vraag omtrent de doodstraf raakt aan de grondslagen van het Overheidsgezag en daarmede aan die van de saamleving als geheel? Het gaat hier niet om gevoeligheden, maar om de allergewichtigste dingen. Men kan op gevoelens van humaniteit geen geordende saamleving bouwen. En wat is de zin voor recht, als de mensch dat recht bestelt ? Wat heden recht is, is morgen onrecht. Tijdens de bezetting achtte men het recht, dat de verdrukker en zijn handlangers werden vernield. En nu zij van hun macht beroofd zijn, acht men het recht hen in het leven te behouden.
Toen werd het recht, zoo zegt men, door wraakgevoelens geïnspireerd, en nu pleit men voor een zin voor recht, welke door barmhartigheid wordt ingegeven.
Waar is nu de gerechtigheid, welke de Overheid heeft te handhaven, en welke is haar norm ? Deze vraag is aan de Overheid. Zij staat voor de taak om recht te doen. En men kan slechts bidden, dat zij genegenheid en wijsheid vinden om zulks te doen op een wijze, die zij voor den eenigen en waarachtigen God kan verantwoorden, d.i. in gehoorzaamheid aan Zijn Woord.
Alleen deze weg zal haar leiden tot ontdekking van haar goddelijke roeping, tot ontdekking van den waren grondslag van haar gezag en tot bezinning op haar beleid in alle zaken, die aan haar zorg zijn toebetrouwd en tot het gebied harer bemoeienis behooren. Alleen daarbij ook zal ons volk welvaren, want gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natiën.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's