Kerkelijk onmondig
Deze uitdrukking kwam ons voor bij het lezen van een passage bij Prof. Kraemer (De roeping der kerk), die schrijft over " de feitelijke — niet theoretische — onmondigheid van kerkeraden en gemeenten", (blz. 26)
„Hoe intenser schrijver dezes in den bezettingstijd bezig is geweest met geduldig mieren en wroeten in het probleem der N. H. Kerk, hoe meer hij zich steeds verwonderder heeft afgevraagd, waarom zijn er toch niet telkens en telkens weer leden van de Synoden, provinciale Kerkbesturen en Classicale Vergaderingen geweest, die in zielenood hebben uitgeroepen : „Wij kunnen niet meer meedoen aan dit holle, onwerkelijke gedoe, wij weigeren dienst tot het veranderd is en de reëele Kerk mitsgaders de reëele wereld in het gezichtsveld komen". Deze dienstweigering, indien uit innerlijke nood geboren, zou positiever, gewetenwekkender uitwerking hebben gehad, trots haar schijnbare negativiteit, dan alle, uit goed bedoelde trouw of sleur voortkomende, dienstbereidheid aan de „routine" bereid, (blz. 29)
Wij kunnen deze vraag, of liever ontboezeming van Kraemer begrijpen. Ongetwijfeld heeft hij zich veel moeite gegeven om het probleem van de Hervormde kerk te. verstaan En dat probleem is heusch gedurende de bezetting niet eenvoudiger geworden. Het is ook best mogelijk, dat wij, die jaren lang hebben geworsteld en mede geworsteld in den kerkelijken strijd, het probleem veel te simplistisch — het klinkt haast als een ironie — hebben opgevat.
Anderzijds is met de „burgerlijkheid der kerk" ook niet alles gezegd. Die burgerlijkheid is gevolg van een steeds voortgaande verwereldlijking, die haar wortels heeft in de beginselen, welke in den loop der laatste eeuwen langzaam maar zeker tot heerschappij zijn gekomen en tot de ontstellende ontkerstening en den chaos van heden hebben gevoerd. In het licht dier ontkerstening kunnen wij Kraemer's zooeven aangehaalde verzuchting verstaan. „Het spreken der Bijbelsche profeten Jezus' profetische spreken tot de scharen, tot de Farizeen het Joodsche volk en de „discipelen van Johannes den Dooper, leert „ons dat echt, vernieuwend profeteeren alleen de ware ernst heeft wanneer de ,,gewone werkelijkheid" in al haar naaktheid wordt „blootgelegd". Zoo schrijft hij op blz. 23. En wij erkennen, het profetische Woord stelt ons de dingen van onze werkelijkheid voor in goddelijk licht. ,,Niet op illusies, droomen of plannen, maar alleen op het geloof in Jezus Christus, die Zijn wederbarende kracht ook in de meest hopelooze menschelijke gevallen en situaties kan en wil waarmaken, kan gebouwd worden" (blz. 23).
Het Woord Gods niet alleen voor oogen, maar als een lichtende fakkel ook in een wedergeboren hart, hoe is het dan mogelijk, dat men niet radicaal dienst geweigerd heeft ? Daarop kwam het immers neer. „Er was toch niets in onze Kerk, dat verhinderde kerkeraden tot „actieve gebeds-, geloofs- en werkgemeenschappen te maken, ze op te voeden tot zelfstandig oordeelen". Er was evenmin iets, dat een onoverkoombaar obstakel vormde om de gemeente niet slechts tot een trouw kerkgaande groep van menschen te maken, maar tot vol meelevenden in alle belangen en verantwoordelijkheden der gemeente, en hare leden, naar gelang hunner gaven, op te voeden tot medewerkers".( blz. 29 v.)
Het kon en kan in vele gevallen blijkbaar ook nu nog niet, omdat wij voor de traditie, voor het historisch geworden feit buigen, dat de Kerk in Nederland de gemeente al sinds de 17e eeuw tot een onmondige en zich nu ook als een onmondig-gedragende luistergemeente gedegradeerd heeft", (blz. 30)
De heroïeke voorbeelden van profetisch protest en weigering in de vaderlandsche kerkhistorie van de 19e eeuw ten spijt, beginnen wij met de erkenning der waarheid, welke ons hier voor den voet wordt geworpen. Het waarachtig geloof zal niet weerspreken, dat lauwheid, slapheid, ontrouw, onwaarachtigheid, zelfgenoegzaamheid, ongeloof, sleur, — en men kan. deze reeks gevoegelijk uitbreiden — een zwarten schaduw werpen op het kerkelijk leven. In dit opzicht zij het geen ijdele schuldbelijdenis van allen, die den Christus der Schriften belijden: Wij en onze vaderen hebben gezondigd. De kerk van heden zal er het meest bij gebaat zijn, indien dit maar niet een woord is, maar voor God wordt beleden. Het waarachtig geloof begint bij de schuldbelijdenis. En de schuldvraag blijft niet alleen bij de persoonlijke zonde en schuld, maar breidt zich uit over alle persoonlijke betrekkingen en levensverhoudingen. Naarmate de liefde van Christus haar licht en warmte over alle betrekkingen en levensverhoudingen doet opgaan, wordt ook de schuldige mensch daarbij betrokken en tot werkzaamheid gedreven. In dit licht hebben wij ook het kerkelijk vraagstuk te bezien.
Dit kan ons echter niet bewegen om alles wat Prof. Kraemer hier zegt, te beamen. Beginnen wij maar met de laatst aangehaalde zinsnede : „dat de Kerk in Nederland de gemeente al sinds de 17e eeuw tot een onmondige en zich nu ook als een onmondig-gedragende luister-gemeente gedegradeerd heeft". Wat moeten wij hierbij verstaan ?
Wie is die „kerk" in Nederland, die de gemeente heeft gedegradeerd sinds de 17e eeuw? Is de gemeente nu kerk, of niet ? Is zij als gemeente de kerk ter plaatse — en hoe wil men dat anders zien — wat is dat dan voor een ding, een macht, een idee of begrip, dat de kerk in Nederland wordt genoemd en de gemeente degradeeren kan ?
De „kerk in Nederland" wordt hier tot een voor de gemeente gevaarlijk spooksel, iets onpersoonlijks, een abstractie met toch weer degra concrete macht, welke de gemeente deert.
De historie kent toch geen andere kerk in Nederland dan de Nederlandsche Christenheid, zooals die in de concrete kerkelijke gemeenschapsvormen en instituten openbaar is geworden. Dat is de kerk in Nederland. Wij vinden haar in de gemeenten, vergaderingen en instituten, die er zijn en geweest zijn. Buiten deze pluriforme — zeg duidelijkheidshalve menschelijke werkelijkheid — waarin de kerk in Nederland zich openbaart, kunnen wij deze alles omvattende, daarin openbaar wordende Kerk theologisch alleen verstaan als de onzichtbare geestelijke werkelijkheid, die de ware Christgeloovigen omvat.
Wij willen niet beweren dat de leden van deze ware kerk — gedurende hun leven op aarde — onschuldig zijn geweest aan de kerkelijke verwording, zij behooren tot de vaderen genoemd in de belijdenis van zooeven : wij en onze vaderen hebben gezondigd. Doch dan moeten wij die vaderen in de gemeenten zoeken. En dan luidt de uitgesproken beschuldiging : de gemeenten hebben zich sinds de 17e eeuw gedregadeerd tot onmondige luistergemeenten, of om een andere uitdrukking in hetzelfde verband gebezigd, ter tafel te brengen : tot een trouw kerkgaande groep van menschen.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's