De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De roeping der kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De roeping der kerk

11 minuten leestijd

Onder dezen titel schreef Prof. Kraemer een boekje, hetwelk hij als een uitgebreiden Open brief in de eerste plaats aan de N. H. Kerk, haar ambtsdragers, haar leidende organen, haar gemeenten en naar leden, wil opgevat hebben.

De volledige titel moet worden uitgebreid met de woorden : „ten aanzien van de wereld en van het Nederlandsche volk". Deze uitbreiding beperkt het onderwerp in de daarin uitgesproken richting. En deze wordt zoodanig in het licht gesteld, dat het wel heel duidelijk wordt, wat Prof. Kraemer voor het primaire in de roeping der kerk in dezen tijd houdt. Als zijn naam op het titelblad niet vermeld stond, zouden wij niet lang behoeven te gissen, wie de schrijver van dezen Open brief is. Kraemer is de man van de zending, een zendeling in grooten stijl. Hij ziet de roeping der kerk vóór alles als zendingsroeping en de kerk als zendingskerk.

Dat is wel heel wat anders dan ons platgetreden kerkepad. De kerk staat daar midden in ons dorp, statig, vertrouwelijk, liefelijk, soms ook wat oud en verlaten, als een historisch monument. Zondags gaan haar deuren open en wij gaan daar naar onze gewoonte — voorwaar toch een goede gewoonte — heen. Ook van den Heere Jezus Christus staat geschreven, dat Hij naar Zijn gewoonte opging naar de synagoge.

En dan de kerken in de stad ! Hoevele stedelingen zetten nog nimmer een voet over haar drempel.

Toch heeft Kraemer gelijk, dat de zendingsroeping de allereerste en voornaamste roeping der kerk is. Wij herinneren slechts aan het uitdrukkelijk bevel des Heeren : „Gaat dan henen, onderwijst alle volkeren" (Matth. 28 : 19). En als Hij tot Zijn discipelen zegt : „Gij zijt Mijne getuigen", sluit dit alweer de zendingsroeping rondom in. „Gelijk de Vader Mij in de wereld gezonden heeft, heb Ik ook ulieden gezonden" (Joh. 17 : 18 ; 20 : 21, ). Zending is dienst des Woords, maar de bediening des Woords in ons vriendelijke kerkje, waar wij elkander iedere week ontmoeten, is ook zending.

Mogelijk, dat wij het zoo niet altijd zien, doch daarom is het niet minder waar, dat de Dienaar des Woords daar staat tengevolge van het Zendingsbevel des Heeren. Mogelijk ook, dat de Dienaar des Woords zich niet altijd bewust is van krachtens dat zendingsbevel daar te staan. Hij staat daar in de zending, als een gezant of gezondene.

ledere Dienst des Woords is een nieuwe zending, een nieuwe taak, gericht op de toevergadering van de geroepene heiligen.

Men kan zeggen, dat de laatste jaren deze zendingsroeping nader bij hebben gebracht. De boodschap, zoo zegt men. Sommigen spreken van de boodschap der kerk. Dat is eigenlijk tweede-handsch uitgedrukt. Het gaat om de boodschap des Heeren.

Verkondiging van de boodschap is een modeuitdrukking geworden. Doorgeven, zoo zegt weer een ander.

Wij kunnen ons in deze mode niet vinden, omdat het persoonlijk element zoo vaak ontbreekt. Zending is toch ook zielezorg. Neen, niet maar ook, zending is zielezorg, zooals Dienst des Woords zielezorg is.

Dat mag de zendeling niet vergeten en dat mag ook de Dienaar des Woords niet voorbij zien. Wij zijn zonder twijfel veeltijds verstort in de gedachte van de gevestigde kerk, de gemeente. De preek is leerrede geworden en de gemeente diliwijls een gehoorzaal. Daarin is een achterstelling van de pastorale zorg, van een weiden der kudde.

En al zijn wij er niet blind voor, dat het herderlijke in de prediking ook overdreven kan worden, zelfs zoo, dat zij zelve ontloopt aan de tucht des Woords welke zij heeft te dienen, het ontbreken van het persoonlijke element in de prediking doet te kort aan de zendingsroeping.

Wij willen dus gaarne naar Kraemer luisteren, als hij het heeft over de (zendings)roeping der kerk, ook als hij die als roeping naar huilen, ten aanzien van de wereld en van het Nederlandsche volk, gaat behandelen. En het verwondert niemand, als wij zeggen, dat hij zeer behartigingswaardige dingen zegt en op zijn eigen en onderscheiden manier. „Menig theoloog zal zich daardoor onwennig gevoelen bij het lezen van dit geschrift", zoo merkt Prof. Kraemer zelf op.

Mogelijk is dit voor velen duidelijker, en toch krijgt men zoo nu en dan den indruk, dat hij wat al te gemakkelijk over het belang van de theologie heenglijdt. Van huis uit is Prof. Kraemer geen theoloog. Hij dient zichzelf aan als litterator. Toch is hij geen vreemdeling in de theologie, maar klaarblijkelijk heeft hij het vraagstuk op pragmatische wijze willen aanpakken. Gehoorzaamheid en nog eens gehoorzaamheid aan God en Zijn Woord, aan Christus, is het telkens herhaald devies. „Wij Hollanders doorzien van ons zelf niet, dat wij de fatale neiging hebben snel te vluchten naar het terrein van de waarheidsstrijd en zoo te blijven verwijlen in de theoretisch-theologische sfeer, waardoor wij ons ook nog wijs maken zeer gewichtig en zeer ernstig te zijn. De waarheid is, dat wij zoo de primaire practische vraag van de levensgehoorzaamheid aan Jezus Christus ontvluchten, en dus in al onzen zwaren theologischen ernst voor God onernstig zijn", (blz .18)

Na het zoutelooze zout van de 19e eeuwsche Hervormde kerk geteekend te hebben, vraagt hij zich af : zijn er dan geen diep-ernstige mannen geweest, en zelfs bewegingen, die uit de schrikkelijke en terecht als zonde gevoelde impasse, wilden geraken ? Zeker, die waren er, en Prof. Kraemer heeft daarvoor eerbied. (Vgl. blz. 19). Maar — zoo lezen wij verder:  „Deze met eerbied te gedenken mannen en (bewegingen bleven te „kerkelijk" van inspiratie in den engeren zin des woords, al heeft God in Zijn genade hen gebruikt om onze kerk voor algeheele verkalking en vermolming te bewaren, (blz. 19).

Daarmede nu doet Prof. Kraemer ons ongevraagd de formuleering aan de hand van ons bezwaar tegen dezen tintelenden Open brief. Deze is o.i. te weinig ,,kerkelijk" van inspiratie in den engeren zin des woords.

De kerk op aarde is altijd een vergadering van zondige menschen. Een gezond kerkelijk leven komt op aarde wellicht slechts in een enkele periode voor. Van Ruler spreekt over den theocratischen staat van Calvijn te Geneve als van een symbolischen.

Van de openbaring der kerk aan eenige plaats en op eenigen tijd zou datzelfde kunnen gelden. Het is dan ook geen wonder, dat de kerk der vaderen wordt geïdealiseerd. Wie de historie kent, weet, dat ook toen de werkelijkheid ver achterbleef bij het ideaal. Maar, desondanks was er een kerkelijke inspiratie. Niemand kan ontkennen, dat het kerkelijk leven in de 19e eeuw aan dat ideaal schrikbarend diep was ontzonken. Daarover is men het tegenwoordig vrijwel eens, door welk ideaal men dan ook wordt geïnspireerd. Men moet zelfs toegeven, dat degenen, die volgens Kraemer te „kerkelijk" in den engeren zin des woords geïnspireerd waren, daartoe werden gedrongen door het aan hen opgelegd defensief tegen de in de kerk heerschende wereld. De tegenstelling kerk en wereld werd verdiept. De kerk had zich naar alle zijden tegen de wereld te verdedigen.

Wat men nu met kerk en wereld wil, valt onder een tegengesteld aspect. Kraemer gaat uit van de zendingsroeping op de wereld. Hij spoort de kerk aan tot agressie. Hij wil de wereld aangrijpen en tot een generaal offensief overgaan. Hij spreekt zelfs op militaire wijze van marschbevelen. De kerk krijgt haar marschbevelen van Christus.

Men neme dit ernstig en onderschatte het niet, want het hoog bevel van den Heere der kerk ligt daar en wij zullen dit niet straffeloos veronachtzamen. De militia Christi is een schriftuurlijke dienst. De Koning heeft het gezegd en waar des Konings woord is, daar is heerschappij. Wij hebben dit woord ernstig te nemen en Kraemer bedoelt het ernstig. Terecht roept hij allen op, de dragers der ambten, maar ook die in het ambt der geloovigen staan. Wij zouden haast geneigd zijn om de militaire termen door te geven en spreken van een algemeene mobilisatie, een opkomst met spoed. Al te lang heeft de kerk het marschbevel van haar Koning verzaakt en met recht spreekt men van de verburgerlijking der kerk. Men spreekt er alleen te veel en te vaag over. „Wie dwong", zoo vraagt Prof. Kraemer, „de Synode, de provinciale Kerkbesturen, de Classicale Vergaderingen, de kerkeraden, om decenniën lang zoozeer in haar machtelooze onbeteekenendheid te berusten ? Wie dwong " (blz. 17). „De Staat dwong daartoe niet ; de maatschappelijlce verhoudingen deden dat niet; zelfs niet de kerkelijke reglementen, noch de richtingsstrijd als strijd om de waarheid" (blz. 18). Dit is alles waar.

Doch nu vragen wij, weet Prof. Kraemer dan niet, dat er ook nog zoo iets is als domineesregeering ? De voortreffelijkheid van het ambt geeft daartoe aanleiding. De dominees dwongen niet, maar maakten bij stemming uit, wat gebeuren zou en hadden het overwicht in de besturen. Men ontleene hieruit niet een argument om een z.g. leekenregeering te bevorderen. Ten eerste is dat geen middel tegen verburgerlijking en ook niet tegen verzakelijking. Het ambt zal naar Schriftuurlijke orde in eere gehouden worden.

Maar onbetwistbaar feit is, dat de verburgerlijking van de kerk allereerst bij de dominees der voorafgaande generaties moet worden gezocht. Als sprekend voorbeeld wijzen wij op het ontstaan van een dominees-vakbond en de daaruit voortgekomen tractementsactie. Zij, die dit dreven, hebben zich zelf tot een soort ambtenaren gemaakt. Zij hebben zelfs gemeenten, die hun predikanten ruimer onderhielden dan de regeling vroeg, een herder en leeraar onthouden.

Wij noemen dit voorbeeld, omdat Prof. Kraemer's beroep uitgaat op de gehoorzaamheid, aan het Woord Gods, ook ten koste van een goede positie. Wij komen tegen dit beroep niet op, maar geloof en gehoorzaamheid aan Gods Woord zijn geestelijke krachten. En hij heeft volkomen gelijk, als hij zegt, dat de levende Bron dier krachten daar is, zoowaar de Christus in heerlijkheid is opgestaan. Maar de wateren uit die Bron nemen een bedding in het geloof der kerk als vergadering der geloovigen, d.w.z. in het hart van aardsche menschenkinderen.

De Kerk met een hoofdletter drijft geen zending. Als wij over de Kerk met een hoofdletter spreken, moeten wij van Christus spreken. Christus vergadert Zijn Kerk. Maar Zijn bevel gaat uit tot de kerk met een kleine letter. De gemeente te Antiochië zond Paulus en Barnabas uit. Het is altijd de kerk als vergadering der geloovigen, die kerkelijk zending drijft. En het gaat hier om kerkelijke zending. Nu weten wij wel, dat een zoo strakke onderscheiding van de zichtbare en de onzichtbare kerk niet kan worden doorgevoerd. Want als men over de zichtbare kerk spreekt, heeft men het ook eenigermate over de onzichtbare. Dat heeft Calvijn reeds eerder opgemerkt.

De bedoeling moge echter duidelijk zijn. Het gaat immers om de roeping der kerk ten aanzien van de wereld en van het Nederlandsche volk. Welnu, die roeping kan vervuld worden, als er een kerk is. En derhalve moet men deze dingen ,,kerkelijk" bezien. De roeping ten aanzien van de wereld onderscheidt tusschen kerk en wereld, zooals ook deze uitdrukking zelf reeds doet.

Men bezinne zich daarom eerst op het wezen der kerk en haar openbaring, op de kerk als confessioneele gemeenschap en haar aan haar confessie beantwoordende orde.

Deze dingen zijn niet van secundair, maar van primair belang, opdat de zendingsroeping werkelijk kerkelijk, d.i. overeenkomstig haar orde en door de kerk kan worden vervuld.

Prof. Kraemer geeft te weinig aandacht aan deze dingen. En wij meenen, dat dit ten aanzien van de uitlandsche of uitwendige zending — schoon ook dan ongewenscht — niet zoozeer kan schaden aan het kerkelijk leven, dan ten aanzien van de inlandsche zending. In dit laatste geval wordt het gevaar van vervloeiïng der grenzen tusschen kerk en wereld wel heel groot, indien men het echt kerkelijke niet primair stelt. Het beroep van Prof. Kraemer gaat eigenlijk meer op den Christen dan op de kerk af. „Wie tot de kerk behoort, wie „Christen is, behoort eigenlijk altijd te beginnen met den toon des geloofs, " (blz. 21). Hij wekt initiatief. Hij spreekt de persoon aan. De geschiedenis kan trouwens aantoonen, hoezeer de zending veeltijds aan het initiatief van enkele mannen heeft te danken. Indien de kerk vergadering van ware Christ-geloovigen is, en dat is toch haar wezen, dan kan een beroep op het Woord tot den Christen niet zonder uitwerking blijven, maar dan moet de kerk ook overeenkomstig dat wezen tot openbaring komen en leven.

De kerk is toch niet een idee, een begrip, een iets, dat boven de menschen uitzweeft, maar in haar aardsche concreetheid — en daarmede hebben wij van doen; — een vergadering van Christenen.

De roeping nu van den Christen is een zeer eenvoudige en tegelijk zeer veelzijdige. Deze brengt o.a. ook mede, dat hij zich niet alleen voegt tot een gezond kerkelijk leven, maar ook, dat hij zijn krachten en gaven inzet om zulk een leven te bevorderen. En dan ook, om naar gaven en krachten mede te werken aan de vervulling van de roeping der kerk. Dus ook aan haar zendingsroeping naar binnen en naar buiten. Maar dan werkelijk kerkelijk geïnspireerd, met inachtneming van ambt en bediening, zoowel plaatselijk, als classicaal, provinciaal, nationaal en zoo mogelijk oecumenisch.

Wij achten het daarom een zaak van primair belang, dat de kerk — opdat zij haar zendingsroeping ten aanzien van de wereld binnen en buiten kan vervullen, — allereerst acht geve op haar eigen huishouding.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De roeping der kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's