Verzoening en verlossing
Vanwaar toch altijd weer de quaestie algemeene verzoening en praedestinatie. Waarom stuit de leer der praedestinatie altijd weer op tegenstand ? En waarom zoekt men zelfs de uitverkiezing algemeen en universeel te stellen ?
Vooreerst om die leer te bevestigen. De mensch strijdt nu eenmaal altoos tegen zijn eigen weerstanden en tegen zichzelf. Zijn leugenachtigheid is oorzaak, dat hij allermeest tegen de waarheid strijdt.
Hij is bovendien het meest bezig met de dingen, die hij als een gemis gevoelt. Ontembaar is zijn zucht naar geluk en vrede. En het heimwee naar een eeuwigen geluksstaat ligt op den bodem van zijn hart. Geen naturalisme is bij machte de verborgen beseffen van een hoogere wereld uit te blusschen. En dit alles te zamen wil telkens weer en het meest in deze dagen van smart en benauwdheid, als de glans der wereldsche schatten verdonkert, de hoop op een eeuwige toekomst richten.
Verzoening — ach ja — men gevoelt er iets van, dat het hier niet in orde is. En dan voor God verschijnen ! Maar is God dan geen liefde ? En zal die verzoening dan niet volmaakt zijn, zooals men dat van een God, die liefde is, of liever, zooals men dat zich voorstelt, mag hopen ? Zal God dan niet zoo hoog en verheven zijn boven al het aardsche, dat Hij over al dat menschelijk gewemel heenziet ? God is toch niet als de menschen en de menschen weten nog van vergeven en vergeten. Hoe zou dan die verzoening nog onderscheid maken tusschen menschen en menschen ? Hoe zou die niet algemeen zijn. Die menschen weten van de hemelsche dingen immers toch ook niets.
Neen, als er een eeuwige toekomst is, dan is die er voor allen. God is toch rechtvaardig en zou Hij dan den een zalig maken en den ander, die misschien op aarde veel voortreffelijker en waardiger was, verdoemen ? Neen, als er een verzoening is, dan is die er voor allen.
En toch gaat men daarop niet zeker. De afweer zoekt nieuwe versterking. Het is weer afweer tegen eigen gevoelen en gedachten. Immers er steekt iets van wangunst in die leer der praedestinatie. Zij zijn het. Zij hebben het. Zij zijn de verkorenen. Is het niet, alsof zij er een zeker genoegen in hebben, als dit voorrecht anderen niet te beurt valt ? Spreken zij niet met een zekere voorliefde over het recht Gods en de goddelijke gerechtigheid ? Ook de Catechismus : Is God dan niet barmhartig ? Ja, God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. Daarom zoo eischt Zijne gerechtigheid . . . . . . Daar is het al weer . . . . . . Het valt niet te ontkennen, dat er soms zeer liefdeloos over deze heilige dingen wordt gesproken, zelfs tegenover menschen, die in leer en leven alzoo wandelen, dat een oordeel der liefde over hen paste. En de waarachtige vroomheid wordt geleid door een oordeel der liefde, zij wordt gedragen door de liefde van Christus en heeft lief. En de liefde is niet afgunstig. Zij gaat uit naar de anderen en drijft uit om het welzijn en de zaligheid van den naaste te zoeken en te bevorderen.
Zoo is ook weer de afweer der afgunst niet anders dan tegen zondige menschelijkheid in zich zelf en in anderen gericht, terwijl hij afstuit tegen het waarachtig geloof.
Wij vragen : Is er misschien toch nog een moment van waarheid in die leer der algemeene verzoening ? Is er mogelijk toch nog een grond, waarop zij steunt ? Men moet dit haast onderstellen uit de vastheid, waarmede zij stand houdt:
En inderdaad, de verdedigers eener algemeene verzoening wijzen ons op verschillende uitspraken der Heilige Schrift. Wij denken aan die in het eerste hoofdstuk van Efeze : „Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven om in de bedeeling van de volheid der tijden, wederom, alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is", (vs. 9 en 10).
En dan b.v. 2 Cor. 5 : 19 : Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende;. . . . . . .
Deze teksten klinken inderdaad zeer algemeen : Alles wederom tot één vergaderen, de wereld met Zichzelven verzoenende. Dat omvat alles, ook de menschheid. En dan hunne zonden hun niet toerekenende. Zegt ook Johannes niet, dat Christus een verzoening is voor onze zonde en niet alleen voor de onze, maar voor de zonde van de geheele wereld ? (1 Joh. 2 : 2).
Het meest algemeene schuilt wel in de bijeenvergadering van alle dingen in den hemel en op de aarde. Dat omvat zonder twijfel de geheele wereld, ja de geheele schepping, en alle menschen. En wijl God zegt, dat Hij in Christus alle dingen tot één vergaderen zal, zou men dus aan een verzoening in algemeenen zin kunnen denken. Deze gedachte zou echter ijdel zijn, aangezien deze bijeenvergadering zonder twijfel beteekent onder één Hoofd brengen. Daarin ligt alzoo de vervulling van het woord, dat alle knie zich voor Hem (den Christus) zal buigen. Daarin ligt dus wel een algemeene zaak en wel deze, dat alle menschen Zijn goddelijke Majesteit zullen erkennen. Allen zullen ontdekt worden aan de werkelijkheid en waarheid van den eenigen en waarachtigen God, die zich in Christus heeft geopenbaard en Zijn Woord in de wereld heeft doen verkondigen. Doch hij vergist zich, die meent, dat zulk een ontdekking op zichzelf genomen vrede in het hart en zaligheid beteekent. Hoe toch zal een zondig mensch voor Gods aangezicht kunnen bestaan ? Denk aan Jesaia (Hfdst. 6).
Maar dan die andere woorden. God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende. Is dat dan geen algemeene, geen de gansche wereld omvattende verzoening ? Wat wil men daarop beknibbelen ?
Vooreerst dit. Let er op, dat er niet staat, dat God Zichzelven met de wereld verzoent, maar dat God de wereld met Zichzelven verzoenende was. Mogelijk zou men geneigd zijn te meenen, dat God over de zonde der wereld maar heenstapt en met die wereld vrede zou nemen. Zulk een gedachte wordt gansch en al uitgesloten. Men heeft zich slechts rekenschap te geven van den tekst : „God was de wereld met Zichzelven verzoenende".
Wie daaruit zou willen verstaan, dat de wereld met God verzoend werd in dien zin, dat de wereld met den God der Schriften vrede zou hebben, die onderzoeke zichzelf. Hij gaat bovendien uit van een verkeerd begrip. Het geldt hier een daad Gods in Christus. De wereld staat in schuld voor God. Vanuit die schuld beschouwd zou het dus aan den mensch staan die schuld in te lossen, opdat de zuivere verhouding tot den eenigen God mocht hersteld worden. Daartoe ontbreekt den mensch de macht, omdat hem de gerechtigheid ontbreekt. Verzoening, d.i., herstel van de rechte verhouding tot God, kan alleen tot stand komen als de schuld wordt weggenomen, t.o.v. als God die schuld kwijt scheldt.
Als God alzoo de wereld met Zichzelven verzoend heeft, is er sprake van zulk een goddelijke kwijtschelding. Dat staat ook in den tekst : ,,hunne zonden hun niet toerekenende". Welnu, zal men vragen, is het dan geen algemeene verzoening ? Als God de wereld kwijtschelding heeft gegeven, dan is daarmede de schuld voor allen teniet gedaan. God eischt niet meer de gerechtigheid en gehoorzaamheid, die wij niet brengen kunnen.
Maar, er staat niet, dat God der wereld de zonden niet toerekent zonder meer. Er staat, dat Hij de wereld met Zichzelven was verzoenende in Christus. Geheel die goddelijke actie werd in den Christus voltrokken. Christus is de verzoening (1 Joh. 2:2) en het gansche werk der verzoening ligt in Hem. God heeft de schuld overgenomen en zij werd door Christus betaald. Christus bracht het offer, waardoor de opheffing van de rechtsvordering werd bemiddeld.
Nogmaals wijzen wij er op, dat wij hier dus worden gesteld voor een daad Gods in den Christus, die buiten ons omgaat. Als God dit niet had geopenbaard, zouden wij er niets van weten en er ook niet over kunnen spreken. En velen weten het ook niet. Denk maar eens aan de heidenwereld, die nog onbekend bleef aan het Evangelie. Denk ook aan zoovele moderne heidenen, die evenzeer vreemd zijn aan deze dingen. En zelfs onder hen, die zich Christenen noemen, beijveren zich nog velen in goede werken om hun schuld in te lossen. Anderen gaan zorgeloos en goddeloos over hun schuld heen.
Want hoe het ook zij. De rechtsvordering moge opgeheven zijn in Christus, de schuld hebben wij gemaakt. Zij blijft onze schuld. Het is schuld van onzentwege.
En ook al weten wij nu door het Woord van God, dat Hij in Christus was de wereld met Zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekende, wij zullen tóch de schuld als de onze hebben te erkennen en niet alleen de schuld, maar ook den Borg, die haar op zich genomen heeft.
Wij zullen op onzen weg zoowel de schuld als de kwijting door God in Christus moeten vinden als een zaak, die ons persoonlijk aangaat.
Hunne zonden hun niet toerekenende. Dit beteekent geen vrijbrief der zonde, zoodat wij op rekening van Gods barmhartigheid straffeloos zouden kunnen volharden in de zonde. De Schrift zegt wel, dat Christus een verzoening is voor de zonde der wereld. Men zou daaruit de goddelooze conclusie kunnen trekken, als hadden wij daarin een onbeperkt crediet om onze schuld dagelijks meerder te maken. Het wordt immers alles gedekt door de alles omvattende verzoening der wereldzonde. Welk een gevaar ligt daarin voor zorgelooze en goddelooze menschen, een gevaar, hetwelk de leeraren eener algemeene verzoening altoos aan de leer der praedestinatie toeschrijven.
Ziet men dan niet in, dat zulk een niet toerekening ons van de zonde nog niet verlost ? Als de zonde niet wordt toegerekend, blijft men nog in zijn zonde. De zonde gaat door , en de schuld wordt meerder. En zou men nu meenen, dat God de zonde in Christus niet toerekent, opdat de geheele wereld zou volharden in de zonde ? Zou het dan niet waar zijn, dat Hij te rein van oogen is om het kwade te zien ? Hij, de Heilige Israels ?
Weer wijzen wij op de profetieën van Jesaja, den profeet van de heiligheid Gods.
Wij zien dus dat de daad Gods in Christus, buiten ons en zonder ons gedaan, een grondleggende daad voor Zijn genadewerk is. Hij neemt daarin de zaak des menschen in eigen hand. Hij stelt dien mensch in Christus in de rechte verhouding tot Zichzelf. Hij doet — om het zoo uit te drukken — alsof de mensch niet gezondigd had. Hij doet dat in Christus, zoodat Hij in Hem met den mensch gaat handelen, als ware hij rechtvaardig. En Christus is de Rechtvaardige.
Wanneer de tekst dan ook zegt, dat Hij in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende was, dan ziet dat op de vleeschwording des Woords, op het geschieden te Bethlehem. Zegt niet de profeet, dat Hij, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig zal maken. (Jesaia 53 : 11). De niet toerekening in Christus is de poort der herscheppende genade Gods, de opening van den weg der opstanding in een nieuw leven voor den mensch, die onder de macht der zonde wegzinkt naar een eeuwig
Zoo besluiten wij dan, dat de niet herboren mensch in zijn zonde blijft, ook al zou zij hem niet worden toegerekend. Dat blijven in de zonde is nu juist de goddelooze en doemwaardige staat. Dit leert ons ook de Heere Jezus Christus, als Hij zegt : Tenzij een mensch wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. (Joh. 3 : 3). Zoo kan het duidelijk zijn, dat het woord van den apostel in 2 Cor. 5 : 19, geen oorkussen der zorgeloosheid kan zijn, maar een rijke uitnoodiging der genade, welke tot den zondaar uitgaat, opdat hij niet in de zonde blijve, maar zoeke de gerechtigheid van het Koninkrijk Gods, welke alleen in den Christus te zoeken en te vinden is. En deze kan slechts door een waarachtig geloof worden toegeëigend tot een hope, die niet beschamen zal. Want zoovelen Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods genaamd te worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's