De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kerkelijk onmondig

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkelijk onmondig

5 minuten leestijd

(Slot).

Nu moet het ons toch van het hart, dat hier twee zeer belangrijke dingen in het vuur van des schrijvers pleidooi voor de roeping der kerk min of meer onder het aspect van degradatie worden gesteld, die voor een gezond kerkelijk leven onweersprekelijk onmisbare voorwaarden zijn. Vooreerst, dat de samenkomst der gemeente trouw wordt bezocht, hetgeen zijn voorbeeld vindt in den Christus, die naar Zijn gewoonte opging naar de synagoge en waartoe ook de apostel vermaant. (Luk. 4 : 16 ; Hebr. 10 : 25)

Vervolgens, dat de gemeente luistert. Het geloof is uit het gehoor. (Rom. 10 : 17)

Wij onderstellen geen oogenblik, dat Prof. Kraemer deze dingen op zich zelf degradatie zou willen noemen. En wij weten, dat luisteren nog geen gehoorzaamheid is en gewoonte doodsche sleur kan worden. Daarover zullen allen het wel eens zijn. Maar hij zal evenzeer (toegeven, dat een gemeente, die niet opkomt en luistert, eigenlijk geen gemeente meer is en de roeping der kerk reeds daarin verzaakt. Kraemer wil zeggen, dat die trouwopkomende luister-gemeenten niet tot die werken der gehoorzaamheid zijn gekomen, waarop hij het oog heeft.

Dan echter dient gelet op de toenemende menigte, die uit verschillende oorzaak niet meer kwam luisteren. En ook op de verwereldlijking, die door de aanhangers der moderne verlichting van den kansel af werd gestimuleerd. En men kan niet zeggen, dat daartegen op grond van het profetische Woord niet is geprotesteerd en gehandeld. Dit brengt ons vanzelf weer bij de roeping der kerk in de kerkelijike tucht en al de moeilijkheden daaraan verbonden, om maar alleen te wijzen op de tegenstrijdige inzichten en handelingen van kerkelijke en politieke machten. Er was ook toen een zekere verhouding tusschen kerk en staat.

En dus wat de leden van Synoden, Provinciale Kerkbesturen en Classicale Vergaderingen aangaat, (ook de Classicale Besturen mogen hier worden genoemd), weet Prof. Kraemer dan niet, dat meerendeels de bestuurszetels werden ingenomen door menschen, die aan de menschelijke rede meer gezag toekenden dan aan het profetische Woord ? Dat deze mensclien de kerk waardeerden als een religieuse vereeniging of een burgerlijke gemeenschap met een zedelijke strekking ? Heeft hij niet zelf gesproken van de herontdekking der kerk ?

Wat moest toch bij hetvoorgeslacht, dat godsdienst hield voor een private aangelegenheid, de kerk beteekenen ?

Terecht kan Prof. Kraemer opmerken, dat noch de slaat, noch de kerkelijke reglementen in den weg konden staan, indien maar de menschen hadden geweigerd de routine te dienen. Maar die menschen, het liberalisme, de moderne verlichting. Geen excuus, zal hij misschien zeggen. Voor God hebben wij noot excuus. Maar de 19e eeuw kenmerkt zich nu juist door gruwelijlke miskenning van den God der Schriften.

En die getrouwen dan, die tegen den geest dezer eeuw ingingen ? Hebben die dan niet geweigerd ? Voorzoover zij niet opzettelijk werden geweerd, hebben zij vele malen geweigerd om in de besturen zitting te nemen. Zoo werden zij door de heerschende macht van zelf in den hoek gedrongen, die men niet altijd billijk met partijschap stempelt.

Tot versterking van het kerkelijk besef kon dit uit den aard der zaak niet bijdragen. Voor de ontwikkeling der kerkelijke mondigheid, zooals Kraemer die bedoelt, was geen ruimte. Wat en hoe de kerk behoorde te zijn, kon onder die omstandigheden alleen uit de belijdenisgeschriften worden gekend en zulk een kennis werd vanzelfsprekend'slechts gevoed in die kringen, die in het geloof der belijdenis zochten te volharden.

Klaarblijkelijk heeft Prof. Kraemer daar oog voor, want hij spreekt nadrukkelijk niet van theoretische onmondigheid. Wij kunnen daaraan nog toevoegen, dat zij ook practisch niet zoo onmondig zijn geweest, al is het dan in een anderen zin als Prof. Kraemer bedoelt. Zij hebben zich heusch om de zendingsroeping naar binnen en naar buiten nog bekommerd en in de gegeven omstandigheden ook nog niet onbelangrijke arbeidsvelden geopend. Hij zal ons wellicht tegenwerpen, dat dit alles te „kenkelijk" werd geïnspireerd, terwijl de klacht van deze menschen integendeel opgaat in de verzuchting, dat zij het niet „kerkelijk" genoeg hebben kunnen doen.

Indien wij ons indenken in een gezond kerkelijk leven — en wel een gereformeerd kerkelijk leven, als wij ons rekenschap geven van wat dat — gelet op het feit, dat wij zondige menschen zijn en met zondige menschen van doen hebben — kan zijn, zonder te idealiseeren, dan zal dat zeker niet beantwoorden aan wat sommigen daarvan verwachten.

Deze laatsten zullen wellicht tot de ontdekking komen, dat zij te enig waren ingesteld. Aan de andere zijde dreigt het gevaar, dat men een zoo ruime instelling kiest, dat de grenzen van kerk en wereld in nevelen van vaagheid opgaan. Daartegen dient met alle kracht gewaakt. En dat kan, als men aan het wezen der kerk vast houdt overeenkomstig haar belijdenis en voor alles een kerkelijke vervulling van haar roeping nastreeft. Het is niet genoeg, dat op een of andere wijze de kerk er achter staat, maar de kerk zal het onder de leiding van het ambt moeten doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Kerkelijk onmondig

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's