Gemeenteopbouw
Aan „Gemeenteophouw" wijdt Prof. Kraemer een afzonderlijke paragraaf, (blz. 62) Hij wil daaraan een centrale plaats hebben toegekend in de N. H. kerk. Hij noemt Gemeenteophouw het wachtwoord der vernieuwing. Men zou hieruit kunnen opmaken, dat deze vernieuwing toch inderdaad in de eerste plaats „kerkelijk" is gericht.
Wachtwoord en werkgroep worden hier echter vermengd, althans dooreengebruikt. Immers werd gevraagd naar de theologische grondslagen van „Gemeenleopbouw". Prof. Kraemer is van oordeel, dat men genoegzaam heeft kunnen opmerken, wat „Gemeenteophouw" wil en niet wil. Hij bewijst echter velen een dienst door het nog eens te zeggen of te formuleeren.
Het fundamenteele gegeven, zoo gaat hij voort, om te verstaan wat „Gemeenteophouw" wil zijn, is „ „dat het spreken en handelen van G.O. de weerslag, de christelijke ,,cri de conscience" wil zijn op het feit, dat onze N.H. Kerk, zooals zij realiter is en leeft, een aan het waarachtige Kerk-zijn en daarbij passende belijden en handelen ontzonken kerk is, een verworden, door en door verwereldlijkte en verburgerlijkte kerk, ook daar, — en waarlijk niet altijd het minste — waar, naar veler oordeel volgens theogischen maatstaf, de ,,rechte prediking" van den kansel klinkt". Wij mogen deze „cri de conscience" ter harte nemen. Het is ook onder ons en met name onder de onzen niet voor het eerst, dat w'ij bij den ingezonken en verwarden staat der kenk worden bepaald en het verheugt ons, dat dit inzicht in breeder kring wordt gevonden. Wij beweren ganschelijk niet, dat in orthodoxe kringen een klaar beeld van een gezond en waarachtig kerkelijk leven algemeen goed is, maar wij mogen niet nalaten er op te wijzen, dat het besef van het tegendeel der werkelijkheid lang vóór den oorlog en in de 19e eeuw een aansporing is geweest tot velerlei actie.
In den voortgang van zijn betoog, merkt Prof. Kraemer op, dat in dat fundamenteele gegeven de oorzaak ligt, „dat G.O. in zijn spreken en handelen gekenmerkt wordt door een profetischen toon en een godsdienstig radicalisme", (blz. 69). Ook verklaart dit het eigenaardige feit, dat hetgeen theologisch en logisch tegen den draad ingaat) G.O. in het geheel van „Kerkelijk Overleg" den toon aangeeft, en niet de Werkgroep „Kerk en Prediking", aan welke dit, theologisch en logisch bekeken, toekomt, als het waar is — en het is waar — dat de eigenlijke nood der kerk, de nood der prediking is.
Waarom is dit eigenaardige feit er dan ? Omdat verkondigen, omdat prediken belijden is, en niet homiletische arbeid, hoe ernstig ook bedoeld", (blz. 65)
Deze dingen reeds geven aanleiding tot enkele opmerkingen. Wij achten het toch niet juist en onkerikelijk gedacht, dat een werkgroep, welke dan ook, in de kerk den toon zou aangeven. Dat kan in bepaalde omstandigheden zoo zijn of geworden zijn, doch dat kan toch geen blijvende toestand wezen. Het zou toch iets ongerijmds zijn, dat een zekere commissie of werkgroep de leiding in de kerk zou hebben. Zoo iets zou. evenmin aan de werkgroep „Gemeenteophouw" of „Kerk en Prediking" toekomen.
Men kan zich indenken, dat de kerk in en door haar Synode commissies benoemt tot onderscheidene werkzaamheden, welke op haar gezag en onder haar toezicht kerkelijk worden uitgevoerd. In een groot verband als de kerk kan dat noodig zijn. De Synode is bovendien geen permanente vergadering, zoodat er ook een weg moet worden gevonden om een goeden gang van zaken te bevorderen. In de eerste plaats moet daartoe gebruik worden gemaakt van het in de kerkeraden en classes aanwezige ambtelijke apparaat. Het ligt echter voor de hand, dat uit- en inwendige zending, opleiding e.d.g., aanleiding geven tot hèt creëeren van hulporganen, die onder leiding van en verantwoording aan de Synode der kerk, de hun opgedragen taak vervullen.
Maar een werkgroep, die zich tot taak stelt om de kerk en de Generale Synode incluis tot de orde te roepen, haar aan haar roeping te herinneren en de pretentie te voeren het werk van een profeet te doen, kan moeilijk deel van de organisatie der kerk uitmaken. Dit is een figuur, die incidenteel zich kan voordoen om dan ook weer zoo spoedig mogelijkte verdwijnen.
„De taak van G.O. kan en mag niet zijn een eigen theologie te ontwikkelen", (blz. 69) Dat spreekt van zelf. Waaraan zou deze werkgroep zulk een bevoegdheid kunnen of willen ontleenen ? Het is zelfs zeer de vraag, of een werkgroep bevoegd kan worden geacht om een profetische taak te vervullen, zooals zij wil. De kerkgeschiedenis kent verschillende voorbeelden van profetische persoonlijkheden, die hun stem hebben verheven. Het profetische heeft het eigenaardig spontane en zelfstandige — wijl alleen van zijn goddelijke roeping afhankelijke — hetwelk den Godsman kenmerkt. Een werkgroep daarentegen is weer heel wat anders. Ook al bestaat zij uit profetisch gewekte personen. Zij draagt het kenmerk van het opzettelijke en georganiseerde, Haar zeer gemengde saamstelling maakt haar voor de theologische leiding wel zeer ongeschikt.
Het maakt daarom een eigenaardigen indruk, als Prof. Kraemer met een zekere voldoening opmerkt, dat G.O. een groote uitwerking op de theologie heeft. (blz. 70). De Doornsche stellingen en de toelichting zijn uit G.O. voorlgekomen. Het richtingsgesprek werd door G.O. op gang gebracht. Wij laten deze twee onderwerpen, hier aangeraakt, voor het oogenblik rusten.
Ook de polemiek met Dr. Van Niftrik gaan wij voorbij. Wij besluiten daaruit alleen, dat de theologie, welke Prof. Kramer zou wenschen, naar wij moeten aannemen, te veel van het Barthiaansche dynamiet, waarover hij spreekt, zou verwerken. Wie zich zoo sterk aan Barth oriënteert als Kraemer hier doet, beweegt zich reeds in het kielzog eener theologie, die op zeer principiëele punten afwijkt van de reformatorische. En als dat ook het standpunt van "Gemeenteopbouw" is, dan heeft deze werkgroep daarin toch een ,,eigen" theologie. Zij moge dan niet origineel eigen zijn, maar dan zal het vroeger of later blijken, dat zij in conflict komt met het kerkelijk geloof.
De vraag van Dr. Noordmans : „Wil G.O. met ^^. zijn dynamiek eigenlijk den Heiligen Geest ^^ organiseeren ? " (blz. 82) komt ons daarom ^ , zeer juist voor. En wij nemen zonder twijfel aan, dat Prof. Kraemer, zooals hij ook zegt, „. die 'zeer ernstig heeft overwogen. Als primair ^.' beginsel, dat G.O. nastreeft, geeft hij nog eens aan : „de blijde gehoorzaamheid aan het 'J^ levende Woord Gods, aan het centrum der, " Schrift, Christus, en daarmede ' aan de , Schrift". En dan de erkenning, dat geen menschelijlce beweging de werkelijke vernieu- ' v.ing der Kerk kan bewerken, want dat die j.~ geheel afhankelijik is van Gods souvereine ine genade en van den Heiligen Geest,
in het betoog van Prof. Kraemer is nu één • - zaaik, welke allen terdege dienen ter harte '® te nemen. Hij hamert telkens op de gehoorzaamheid aan het Woord. En geen van onze be, " zwaren, kan de waarheid op zij zetten, dat , ^7 het met deze geloofsgehoorzaamheid veelal , ^, kwalijk gesteld is onder degenen, die Christus belijden, of zeggen te belijden.
Het zal ons nimmer gelukken, al zouden wij ^j4 zoo vermetel zijn het te willen, den Heiligen , gjj Geest te organiseeren. Doch het is even ver gj._ metel, weg te schuilen achter het door Krae ^g_ mer aangehaalde Woord : , , niet door kracht, .jj^ noch door geweld, maar door Mijn Geest 2^j zal het geschieden", om in ofigeestelijke rust jjg de betrachting der gehoorzaamheid aan onze j^2, g roeping na te laten.
j^„ En dat nu is helaas niet zeldzaam. Dat mag _ niet en de apostelen hebben ons dat niet geleerd. Het is ooik zoo, dat de eisch des geloofs ^jg Gods eisch is en blijft, en dat de waarheid van het profetische Woord de waarheid blijft, ook [II als Kraemer, of Barth, of G.O. daarop wijzen. Wij kunnen ons van dien eisch niet losma naken, al zijn wij het in verschillend opzicht cht niet eens met degenen, die op hun wijze ^Q^. tot die gehoorzaamheid vermanen en^die^ willen len betrachten. iiÉfSèlfi:
^jg Het is een andere zaak, of wij oris met iter die wijze kunnen vereenigen. Dat zet ons echter, ig voor den plicht om, samen de juiste wijze te mogen uitvinden.
* ^ /eel Wat die juiste wijze aangaat. Die zij zooveel i en mogelijk kerkelijk. Kerikelijkinhet belijden rin en kerkelijk in het zoeken naar middelen. Daarin eds toch raken wij aan een zaak, die zooals reeds 'ing gebleken is, op een verschil van waardeering wij neerkomt. Prof. Kraemer, en hij is, zoo bewij ons niet vergissen, de ziel van G.O., is aar beducht voor een te kerkelijke inspiratie. Maar iets het gaat om de kerk. En G.O. wenscht niets )rdt liever dan dat de kerk /kerk zij. Ons wordt veeltijds verweten, dat wij de kerk te veel zien : ien als vergadering van Christgeloovigen. Maar aar bij Kraemer staat telkens weer de Christen, ten, de Christenplicht vooraan. Telkens weer 'eer noemt hij geloof als persoonlijke gebonden enheid aan Jezus Christus, den levenden Heer. eer. Het Christen zijn der gezamenlijke Christenen nen is kerk-zijn.
Dat kan echter niet beteökenen, dat ieder nu nu maar op zijn wijze gaat organiseeren, propa- )pageerën, opwekken tot allerlei arbeid, en dat alles overeenkomstig zijn inzicht in den eisch van het ker k-zijn. Dat zou inderdaad een kerkeiijk individualisme huldigen, waarbij het kerk-zijn al heel weinig tot zijn recht zou ikomen.
Dan behoort men toch te beginnen bij het gemeenschappelijk - geloof, zooals dat in de belijdenis der kerk is neergelegd, om van daaruit de gemeenschappelijke taak te overzien, te bepalen en ter hand te nemen.
En nu vergeten wij niet, dat wij in een kcrkeiijken toestand verkeeren, die naar echt k^'kelijken maatstaf niet kan gemeten worden. Dat er beweging en doorbraak is gekomen in een verstarde organisatie, die bovendien niet kerkelijk is. Maar wat men dan onderneemt, moet vóór alles van het draagvlak der kerkelijke belijdenis uitgaan. Deze zelf wijst ons op de gehoorzaamheid des geloofs, op het eenige richtsnoer, zijnde Gods Woord, dus op wat Kraemer noemt de Bijbelsche directieven, en zij geeft daarvan reikenschap.
^^ vraag, of G.O. een eigen theologie zou ontwikkelen, kon zich dan niet voordoen. Men zou alleen bezwaar kunnen maken, dat zij van het geloof der kerk uitging en de kerk stimuleerde daarop voort te bouwen.
Dat bezwaar kon dan alleen komen van de zijde, die dat (kerkelijk geloof niet deelt of niet wil deelen.
Zoo komen wij vanzelf op het z.g. kerkelijk gesprek, de geestelijke ontmoeting der „richtingen", waarvan de bedoeling is in een gezamenlijk luisteren naar de boodschap der Kerk en een tegenover elkaar belijden van hetgeen God in Christus gedaan en aan de wereld geschonken heeft, tot helderheid te komen over de vraag, of gehoorzaamheid, vooral nieuw-geleerde gehoorzaamheid aan de waarheid Gods in Christus ons verplicht tot bijeenblijven en waarachtig — niet slechts een formeel-organisatorisch — samenleven, samengetuigen en samenwertken, óf tot uiteengaan", (blz. 86 y.)
Ziedaar de omschrijving van Prof. Kraemer. ^^J moeten deze zaak ernstig nemen en niet ^°° maar naast ons neerzetten.
Inderdaad ligt hier een geweldig kerkelijk vraagstuk, waaraan de gereformeerden, stel, dat zij voor de taak werden gesteld deze zaak kerkelijk te regelen, geen gemakkelijke taak zouden hebben. En — hoe men de dingen nu wil bekijken — de gereformeerden kunnen zonder twijfel deze zaak niet van zich afwerpen, als ging het buiten hen om. Men moet zich daarvan derhalve degelijk rekenschap geven bij de beoordeeling van wat in deze geschiedt.
Iedereen zal toch inzien, dat dit vraagstuk niet ikan worden opgelost — neem voor een oogentolik aan, dat de aanhangers der gerefoi-meerde belijdenis daartoe de macht hadden — door alles, wat beneden de door hen gestelde grens der orthodoxie lag, eenvoudig uit te bannen. Het is alles onwerkelijk gesteld, want als men die macht had, zou het kerkelijk leven als geheel zoo anders zijn, de belijdenis functioneeren en de kerkelijke tucht vanzelf.
En thans, na een eeuw en langer van zoo verregaande verwarring, staat men voor een schuld, welke ook op de gereformeerden van vroeger en later drukt. Op deze gemeenschappelijke schuld moest eerst de nadruk gelegd, alvorens de zaak zelve nader te beschouwen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's