De waarde der belijdenis
,,Haar (de confessie der historie) overnemen, waarborgt echter niet in het minst een belijden in den eenig-wettig Christelijken zin des woords, n.l. een getuigen van Jezus Christus, met het volledige risico voor Hem te willen lijden". (De roeping der kerk, door Prof. Kraemer, blz. 89).
Zonder tegenspraak wordt hier belijden in den diepsten zin des woords geteekend. Getuige zijn van den Christus en getrouw tot in den dood. Dat is belijden, hetwelk in de historie als een zaad der kerk is geworden, het lijden, waartoe de apostelen zijn verwaardigd, het belijden, dat velen bekenden en onbekenden met het martelaarschap heeft gekroond. Het belijden ook, dat in het leven van iederen waarachtigen Christen in veel struikelen en opstaan een geestelijiken strijd en worsteling met zichzelf oproept, al blijft dat in vele gevallen voor de wereld verborgen.
In zooverre raakt Prof. Kraemer in deze zinsnede aan 't leven van den Christen. Van dien eisch aan het christen zijn en als zoodanig handelen, gaat hij bij al zijn beschouwingen, opwekkingen en critische vermaningen uit. En dan van dien eisch in zijn hoogste spanning, zooals die in tijden van den hoogsten levensnood den Christen kan tegenkomen.
„Voor wie geloof persoonlijke gebondenheid aan Jezus Christus, den levenden Heer, is, is alle spreken over minimum belijdenissen als grondslag voor overeenstemming en verantwoord reëel kerkelijk leven onzin", (blz. 89) Goed, en wij kunnen daar wellicht ook met zijn welnemen aan toe voegen en ook alle spreken over maximaal-belijden. Daarover kunnen wij het eens zijn. Het waarachtig geloof in den Christus der Schriften omvat alles, ook al is het zich van dat alles nog niet bewust.
Maximum en minimum-maten vallen hier weg. De moordenaar aan het kruis met Christus in het paradijs. Paulus, een uitverkoren vat om het Evangelie te prediken onder de heidenen. Beiden door hetzelfde geloof gerechtvaardigd. Maar Paulus schreef den brief aan de Romeinen en Petrus wilde van hem onderwezen worden.
Zoo gaat Prof. Kraemer van den individueelen Christen, eigenlijk van het ideaal van den individueelen Christen uit, zooals hij dat ziet. Dat verklaart ook zijn standpnut jegens kerk en belijdenis. Want, immers er kunnen Christenen zijn, die heel weinig belangstelling hebben voor de theologie, die zoo diep niet in de verschillende stukken der geloofsbelijdenis zijn ingeleefd, die hun directieven aan eenig Schriftwoord plegen te ontleenen en zoo te zeggen Christenen van de daad willen zijn en misschien ook wel zijn.
Er zijn er, die wellicht ook zonder kerkelijke gemeenschap op hun wijze als Christen pogen te leven, die tegelijkertijd hun eigen dominee en pastor willen zijn.
Er zijn er, die op zeer fundamenteele geloofsstukken van de belijdenis der kerk afwijken, zonder daartegen te protesteeren.
En wie zal nu zeggen, hoeveel ketterijen iemand er op na kan houden, hoeveel afwijkingen en vrijheden iemand zich kan veroorlooven, hoever iemand kan afdolen en toch nog een Christen zijn ?
Een gereformeerd man moet hier zeer voorzichtig wezen, omdat hij weet, dat het oordeel des harten hem niet is gegeven en — omdat hij de vrijmacht der genade belijdt.
Men kan nu, zooals Prof. Kraemer doet, dien individueelen Christen aanspreken en hem opwekken tot de daad. En hij heeft gemakkelijk grijpen naar Schriftwoorden, omdat de Heilige Schrift menigvuldig vermaant tot bereidheid en ijver in en Christelijken wandel. Hij zou allen willen uitdrijven tot deelname in een uitgebreide Christelijke actie, die haar vertakkingen in alle richtingen uitzet en werkgroep na werkgroep aan den slag willen zien.
Wij willen vooraf nog eens constateeren, dat de kerk schromeloos in gebreke is gebleven. En het is onder ons en bij velen met ons reeds een oude grief, dat de kerk zooveel aan het particulier initiatief heeft overgelaten, waar zij had behooren leiding te geven overeenkomstig haar roeping. Maar dan wordt daarbij ondersteld, dat er een kerk is, en dat zij als kerk haar roeping behoort te vervullen.
En dat nu is onze vrees, dat, indien Prof. Kraemer zou slagen en een dynamische kerkorde, zooals hij die zich blijikbaar voorstelt, tot stand zou komen, hij ter kwader ure zou ontdekken een soort kerkfabriek gesticht te hebben, die niets meer met een kerk gemeen had. Een groot aantal werkgroepen, ieder met haar eigen taak en initiatief, die mogelijik een zeker centraal verband hebben zouden in een lichaam, dat in den naam Generale Synode slechts de zwakke schaduw van een kerkidee zou bewaren.
De overwegend sociale en politieke tendens, die onmiskenbaar naar voren treedt en de nadruk op de werkgroepen boven de echt kerkelijke saamleving, doen ons onwillekeurig denken aan de „Arbeidskerk" (het woord is, als wij ons niet vergissen, van Dr. Snethlage), een idee, welke in verband met de sociale ontwikkeling der laatste decenniën, in modernen kring is opgekomen.
Wij willen niemand onrecht doen, maar als Prof. Kraemer zoo iets zou bedoelen en tot ideaal stellen, dan moeten wij hem met den den meesten ernst verklaren, dat hij zich schromelijk vergist, als hij meent, daarmede de kerk een dienst te bewijzen. Niet alleen zal de kerk worden opgelost in de z.g. werkgroepen of raden, die geestelijik allengs verder van de directieven zullen afwijken — om van een gemeenschappelijk belijden maar te zwijgen. Een dergelijke organisatie behoeft ook geen verburgerlijking te vreezen, want zij is origineel burgerlijk krachtens het uitgangspunt harer structuur. De organisatie van 1816 werd geknipt naar het patroon van de toenmalige nieuwe staatkundige structuur. De organisatie van, zeg 1945, zou haar aanleiding en voorbeeld hebben in de sociale idealen, die thans de geesten bezighouden.
Wij spreken van vergissen, want liet wil er bij ons niet in, dat Kraemer zulks opzettelijk zou zoeken. Maar dan zal hij te zijner tijd tot het inzicht komen, dat niet slechts traditioneele starheid hen, die altijd weer op de confessie wezen, weerhield, om hem in zijn geestdrift te volgen. Ook achter die „starheid" stak waarachtig Christelijk geloof en liefde voor de kerk.
Maar daarom staan wij ook geheel anders tegenover de belijdenis. Het is volkomen juist, dat het overnemen van een belijdenis geen waarborg is voor een belijden in den hierboven door i)rof. Kraemer omschreven zin des woords. Het is waar, dat ieder lid der kerk en ieder, die in de kerk geboren wordt, de confessie der kerk aanneemt, althans behoort aan te nemen en geacht moet worden die aan te nemen. Het is ook waar, dat daarmede niet ieder lid der kerk een levende christen is. Zoo iets leert ook de belijdenis niet. Wel het tegendeel.
Dit echter is een reden te meer om niet alleen de kerkelijike belijdenis in eere te houden, maar ook te doen functioneeren. De belijdenis is dan toch uit het geloof der kerk opgekomen, geeft daarvan getuigenis — hoe menschelijk dat getuigenis mag zijn. Zij bepaalt haar lidmaten bij dat geloof. De belijdenis bedoelt niet te zeggen, dat ieder lid der kerk dat geloof deelachtig is, maar de kerk als kerk zal overeenkomstig dat geloof getuigen en handelen. Zij zal overeenkomstig dat geloof de ambten in eere houden, de orde der kerk inrichten en acht geven op de vervulling harer roeping.
Prof. Kraemer spreekt telkens en telkens weer van de algeheele gebondenheid aan den Heere Jezus Christus. „Algeheele of gedeeltelijke gebondenheid aan een anderen heer of macht, naast de algeheele gebondenheid aan Hem, is klinkklare afgoderij" (blz. 90). Men zal hem deze klinkende zinsnede moeilijk kunnen betwisten, maar — er is in de wereld ook zoo iets als de reëele macht der zonde, de macht des satans, die niet slechts een blijvende bedreiging vormen op deze aarde zelfs voor den waarachtig geloovige, maar hem ook nog kunnen verstrikken, al zal hij daarin, dank zij Gods genade, niet ten gronde gaan. Verder staat er ook nog geschreven : Alle ziel zij den machten over haar gesteld, onderworpen, want er is geen macht dan van God en de machten, die er zijn, zijn van God verordineerd". Geen uitvlucht voor vrome traagheid en onchristelijke lijdelijkheid, wil hier Schriftwoord tegen Schriftwoord zetten. Dat ware onheilig spel.
Maar, omdat het zoo is, heeft de kerk een taak op aarde om de machten, die er zijn, te herinneren aan haar goddelijke roeping. En zoo zijn ook de ambten in de kerk met autoriteit en waardigheid bekleed en is het een eisch der gehoorzaamheid aan Christus, daarop acht te geven. Er is een gebondenheid om Christus' wil en dat is een van die dingen, welke door de belijdenis geleerd en onderhouden kunnen worden.
„Zouden dus de ,,richtingen" in onze Kerk werkelijk door Gods genade, in den vollen Bijbelschen zin des woords, tot een gezamenlijk, Christelijk belijden komen van het „Christus de Heer", dan zou dit geen minimumbelijdenis, maar een echte maximum-belijdenis zijn", (blz. 90} Met de restrictie aangaande de woorden minimum en maximum door Prof. Kraemer aangevoerd en met nadruk op het „door Gods genade" en „in den vollen Bijbelschen zin" kunnen wij dat onderschrijven. Het woord „richtingen" zouden wij dan moeten verstaan als de aanhangers der richtingen, of misschien de leidslieden der richtingen. Want wij hebben altijd met menschen van doen. Welnu, als die menschen tot zulk een belijden van Christus den Heere zouden komen door Gods genade en in den vollen Bijbelschen zin des Woords, ja, dan hadden wij een kerk van alleen waarachtige Christenen of een kerk met altegader waarachtige Christenen als leidslieden.
Zelfs het oer-Christendom, waaraan deze belijdenis ons wil herinneren, heeft zulk een kerk volgens apostolisch getuigenis niet gekend. Ja, zelfs onder apostohsche leiding had de kerk behoefte aan dogmata, kerkelijke beslissingen of ordeningen, waaraan zij vermaand werd die te onderhouden. (Hand. 16). En die apostolische leiding — dat kan niemand op goeden grond ons ontnemen — is der kerk in alle eeuwen tot een richtsnoer gezet. De pastorale brieven kunnen daarvan getuigen.
Alleen de zooeven door ons aangehaalde zinsnede van Prof. Kraemer noopt een gezond Bijbelsch realisme reeds tot de vragen aangaande de door ons onderstreepte woorden. Hoe is dat ? Wat verstaat gij onder : in den vollen Bijbelschen zin ?
Dat is weer theologie. Dat is ook zoo. Maar dan wordt het ook duidelijk, dat theologie een voorname kerkelijke functie vertegenwoordigt. En dan vragen wij verder : is het geloof der reformatorische kerk een ander als dat van het oer-Christendom ? Heeft zij wat anders beleden dan Christus de Heere ? Heeft zij wat anders nagestreefd dan Hem te belijden in den vollen Bijbelschen zin des Woords? Als Prof. Kraemer met deze zinsnede tot de ,,richtingen" nadert, zal hij moeten beginnen met een nadere uiteenzetting te geven van „den vollen Bijbelschen zin" van deze Christusbelijdenis door Gods genade. Hij wil toch een gezamenlijk Christelijk belijden. En dat zou derhalve neerkomen op een gezamenlijk belijden van dien „vollen Bijbelschen zin", Men moet daaromtrent eenstemmig belijden, want daarop zit het vast.
Zoodra wij over gezamenlijk Christelijk belij. den gaan praten, moeten wij kerkelijk worden. Dan komt het confessioneel karakter der kerk om zijn rechten vragen en hebben wij kerkelijke inspiratie noodig. Als er geen confessie is, zijn er geen richtingen, maar dan is er ook geen kerk.
Een arbeidskerk kan desnoods volstaan met directieven en loopt gevaar de ambtsdragers te maken tot directeuren van haar afdeelingen. Maar de kerk staat en valt met haar confessie, zijnde het gezamenlijk belijden van den zin des Woords.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's