De Bijbel Gods Woord
GEEN PAPIEREN PAUS
Men zal in onze dagen in veel ruimeren kring toegeven, dat Gods Woord de eenige bron en het eenige gezag is in geestelijke zaken, dan zulks in een nog tamelijk jong verleden het geval was. En ten slotte komen zij, die dat erkennen, altijd weer bij den Bijbel terecht. Waar zou men anders Gods Woord vinden ? Toch zij men op zijn hoede en meene niet, dat allen, die zich op Gods Woord beroepen, de belijdenis der kerk zouden onderschrijven en het reformatorisch geloof aanhangen, dat de Bijbel Gods Woord is. Wel zijn de tijden veranderd, wel neemt men verschuivingen waar. Het is inderdaad, of men een streep heeft getrokken, die denkwijzen en methoden van gisteren en eergisteren aan den kant heeft gezet. Wie praat daar nog over ? Het is alles anders geworden. Het is vandaag een andere dag. Men wil wat anders en zoekt wat anders. Maar al dat zoeken en streven beteekent geen terugkeer naar het reformatorisch uitgangspunt. Men is eigenlijk nergens zoo bang voor als voor repristinatie. Alsof dat kon.
De Bijbel Gods Woord ! Hangen aan de letter der Schrift. Dat is veel te wettisch. Wïe kan in dezen tijd daaraan nog denken. Neen, dat is anders. En zij, die zichzelf in bescherming willen nemen tegen repristinatie, komen weer voor den dag met hun argumenten tegen een mechanische inspiratie der Schrift. Zeker, God heeft zich geopenbaard. Hij heeft zich in Christus geopenbaard. Het Woord is vleeschgeworden. Doch openbaring is zoo'n onbegrijpelijike zaak, zoo geheel iets anders, zoo bovenmenschelijk. Wie kan dat grijpen ? Hoe kan dat in menschelijke woorden bestaan ? De Bijbel heeft nochtans wel iets met de openbaring te maken. Zij is er de oorkonde van. Maar juist daarom is de Bijbel, zooals die daar ligt, nog niet de openbaring. Dan immers zou tóch de Bijbel weer een papieren paus zijn. Met behulp van dien Bijbel kan men wellicht den zin der Godsopenbaring, den zin van het Gods Woord leeren verstaan. Doch men neme het niet alzoo, of de Bijbel een schat van geopenbaarde waarheden zou zijn omtrent God en de dingen van het Koninkrijk Gods. Die dingen kunnen immers nooit in menschelijke woorden naar waarheid worden weergegeven? Het beweegt zich alles om de waarheid, maar de waarheid zelf, dat is het groote dogma, het voor ons aardsche menschen onkenbare. Dat ligt boven den tijd.
Zoo wordt Gods Woord ook in de onbereikbare sfeer van het andere, het eeuwige gezet. Zij, die ons van dat spreken Gods getuigen, de profeten en de apostelen, hebben ook het Woord zelf niet en wij hebben het niet in hetgeen zij ons hebben overgeleverd. Hun woord blijft menschenwoord aangaande het wonder der openbaring. Immers openbaring is verhulling.
Wij stippen slechts aan, want deze dingen grondig te behandelen, zou meer ruimte vragen, dan een nummer van ons blad biedt. Maar het is van te groot belang dan dat wij de menschen onkundig van deze dingen mochten laten. Bovendien kan men over deze dingen spreken in een vorm en op een wijze, die welluidt, omdat er waarheid in schijnt te steken.
Niemand onzer ontkent b.v., dat het Woord Gods eeuwig is en onderscheiden van alle menschenwoord. Niemand onzer ontkent ook, dat de profeten en apostelen menschen zijn geweest van gelijke bewegingen als wij, en dat Gods Woord ons is geworden door die menschen en in een menschelijke gestalte. Dat echter houdt volstrekt niet in, dat het alzoo en in die gestalte ons toegekomen Woord niet Gods Woord zou zijn. Als de Heere Jezus Christus op den berg gesproken heeft, wat de Evangeliën ons daarvan hebben medegedeeld, dan blijft dat toch een rede, een woord van Christus.
Ja, zal men zeggen, maar Christus was in het vleesch gekomen. Hij was als onzer één en sprak dus in onze taal. En zou dan die Christus, die de menschelijke natuur heeft aangenomen en daarmede ons in alles gelijk is geworden, uitgenomen de zonde, vóór Zijn vleeschwording niet op menschelijke wijze tot de profeten hebben kunnen spreken ? Bleef dan het profetische Woord niet Zijn Woord en bekleed ook in die gestalte met Zijn gezag ? Dat nu is het geloof der kerk, dat God ons door dien hoogsten Profeet en Leeraar in den Bijbel Zijn Woord heeft gegeven en toebetrouwd.
Toch zal men hiermede niemand overtuigen. Want openbaring is een wonder Gods. De kerk heeft deze leer vast te houden, omdat zij het niet laten kan. Zij komt uit het Woord op. Daarin vindt zij haar leven. En uit dat leven belijdt zij ook haar geloof in de Heilige Schrift als Gods Woord.
Het geldt hier niet een kwestie, die met redeneeren kan worden uitgemaakt. Deze kwestie ligt ook niet ter beslissing bij het modern Schriftonderzoek. Zij ligt gansch en al buiten het bereik van de gewone menschelijke wetenschap. Het is een zaak des geloofs.
De kerk des Heeren verstaat in het geloof, dat de Heilige Schrift door een wedergeboren mensch ontdekt wordt het Woord Gods te zijn. En uit die kracht der wedergeboorte belijdt zij, dat het zoo is en dat zij haar voor heilig en canoniek houdt. En als zij uit diezelfde kracht de gehoorzaamheid aan het Woord zoekt, onderwerpt zij zich niet. aan inkt en papier, maar aan den Geest der profetie, welke is de Geest van Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's