De kerk en de wereld
CONFESSIE
Het hoofdstuk over „de Kerk en de Wereld" neemt een groot gedeelte van dit boekje in. (blz. 92—158). Het doet ons leed, dat Prof. Kraemer tal van urgumenten hanteert om de latente en feitelijke beteekenis der kerkelijke confessie weg te schaduwen achter den eisch der gehoorzaamheid aan Christus. Wel ontkent hij de beteekenis der confessie niet, doch deze wordt vrijwel tot een historische beperkt. Dit hangt samen met zijn kerkbegrip, hetwelk veeleer wordt georiënteerd naar de gewijzigde omstandigheden, waaronder wij verkeeren, dan door hetgeen de kerk aangaande zich zelf belijdt. De idee eener organisatie niet van de kenk, maar van de nieuw-ontdekte-gehoorzaamheid betrachtende Christenen ten aanzien van de tegenwoordige omstandigheden domineert in zijn beschouwingen en critiek. Hij gebruikt daarbij niet zelden groot geschut, b.v. „alle confessies, de Reformatorische niet uitgezonderd, die wij in onbewuste en ongewilde overtreding van het eerste gebod niet sacrasanct mogen verklaren, aldus uit vroomheid tot afgoderij vervallend. Deze vrome afgoderij is een gevaar, dat kerken, christenen en theologen voortdurend bedreigt", (blz. 93).
Wij beginnen met toe te geven, dat er een dood confessionalisme kan zijn. Een hangen aan het traditioneele, hetwelk zelfs met onkunde omtrent den inhoud en de beteekenis van de confessie kan samengaan. Doch zelfs in zulk een traditioneele voorkeur kunnen nog intuïtieve gevoelens werken die herinneren aan de latente werkzaamheid der belijdenis. De wijze, waarop hier echter gesproken wordt over het gevaar, dat kerken, christenen en theologen bedreigt ten aanzien van de confessie, maakt den indruk te worden bepaald door een vooringenomenheid tegen en een vrees voor confessionalisme, die zelfs niet gerechtvaardigd worden door dit verschijnsel zelf. Integendeel, bewijst zelfs liet hier bestreden confessionalisme eer voor dan tegen de kracht der confessie.
Maar bovendien, kan men aan een „onbewuste en ongewilde overtreding van het eerste gebod" zooals Prof. Kraemer het voor sacrosanct houden der confessie, wil zien en als vrome afgoderij onder het oordeel Gods zet, nog geen argument tegen de confessie zelf en tegen de welbewuste verdedigers van haar waaide en beteekenis ook voor de kerk van nu ontleenen.
Wij hebben Prof. Kraemer het volle pond gegeven en toegegeven, dat er een doode orthodoxie kan zijn. Dat weten de pleitbezorgers der confessie ook wel en zij hebben daar — naar ik onderstel — meer mede te kampen dan een vaak onverantwoord anti-confessionalisme. En zulk een onverantwoord anticonfessionalisme draagt allerminst den stempel eener oprechte vroomheid en waarborgt geenszins de gehoorzaamheid aan den Christus der Schriften.
Met het oordeel van afgoderij lijkt ons ook eenige voorzichtigheid geboden. Men kan ten slotte wel iedere Godsvoorstelling afgoderij noemen. Wij willen daarmede niet beweren, dat Prof. Kraemer dat doet, maar hij weet zeer wel, dat het in de radicale critiek der z.g. nieuwe theologie voorkomt.
Om echter op de zaak terug te komen, zelfs, als men met Prof. Kraemer zulk een „afgodisch" verschijnsel meent te constateeren, dan zegt dat nog niets tegen de confessie zelf — zooals wij reeds opmerkten — en ook niet tegen hen, die voor haar welbewust en in het geloof opkomen.
Allerminst ook verantwoord is het oordeel over de confessie, indien men volstaan wil met de erkenning van haar historische beteekenis, welke bovendien zou uitgeput zijn in het accent der Reformatie op de reclitvaardiging des menschen voor God. (Vgl. blz. 93 v.) Het ontoereikende en onverantwoorde van dit standpunt komt dan ook uit in de eigenaardige zinsnede : „of wij werkelijk in onze kerkorde, confessies en tradities, naar Christus hooren, of in de eerste plaats maar die tradidie, die confessie, die kerkorde".
Vooreerst moet men voor oogen houden, dat de confessie een kerkelijke belijdenis, d.w.z, de belijdenis van een geïnstitueerde kerk is. Zij is uitdrukking van het geloof in den Christus der Schriften, zooals dat in de hooglepunten van kerkelijk leven en kerkelijken strijd tot uiting kwam. De confessie beweegt zich alzoo op het niveau van dit actueele kerkelijke geloofsleven in dagen van groote geestelijke kracht. Van strijd tot strijd en van kracht tot kracht wint de confessie der kerk in haar weg door de hisorie aan geloofsinzicht in de verschillende directies van het actueele geloofsleven. De geschiedenis toont aan, dat dit zijn hoogte- en dieptepunten heeft. Doch van de reformatorische confessies in hun ontstaan kan men van een hoogtepunt spreken. In deze confessies werd bovendien het Christelijk geloof uit de windselen en aangroeiscls van het Hellenisme bevrijd.
Verder moet men aannemen, dat de kerk, die in de confessie aan het woord is, geen anderen drang heeft gehad dan dien der gehoorzaamheid aan haren Heere. In de confessie beluistert men de stem der kerk. Zij geeft weer, hoe de kerk de dingen in het geloof heeft gezien, hoe zij in de verschillende geloofsstukken de Heilige Schrift heeft leeren verstaan. In de confessie, hoort men dus, hoe de kerk de gehoorzaamheid aan Christus heeft verstaan in den weg van haar geestelijken strijd. De vraag is dus in den grond der zaak niet zuiver gesteld, of wij werkelijk in onze kerkorde, confessies of tradities naar Christus hooren. Deze dingen kunnen ons echter wel leeren, hoe de kerk in dagen van krachtig leven het naar Christus hooren heeft geleerd. Een kerk kan diep wegzinken en afdwalen van de gehoorzaamheid aan den Christus. Maar geen Protestant Christen zal beweren, dat de kerk der reformatoren gansch en al gefaald heeft in die gehoorzaamheid. En wie dat zou beweren, moest daarin ook datzelfde oordeel over de oud-Christelijke kerk vellen, aangezien de reformatoren haar belijdenis mede in de hunne hebben opgenomen. Zulk een oordeel zou er dus op neerkomen, dat de kerk van alle eeuwen schromelijk had gefaald in haar geloof. Wij zouden dan hebben te wachten op de kerk, die voor het eerst in de geschiedenis de ware gehoorzaamheid betrachten zal.
Maar, als dat nu niet zoo is, en wij mogen aannemen, dat de reformatorische kerk niet gansch en al heeft gefaald — hoewel wij van geen onfeilbare kerk op aarde weten — dan krijgt toch haar belijdenis wel een zeer bijzondere waarde. Niet alleen als symbool van het geloof in een zoo beteekenisvol tijdsgewricht. Niet alleen dus als historisch document van het geloof van toen, want het geloof van tóen, zal ook het geloof van nu zijn. Hetzelfde geloof, dat toen de gehoorzaamheid heeft gebracht, die de wereld overwon, zal het ook thans vermogen. Op dat geloof komt het aan. De kerk, die thans na een eeuw van zoo groot verval de gehoorzaamheid aan Christus zoekt, zal slechts tot haar schade haar eigen getuigenis uit de dagen van haar opstanding uit een langdurig verval laten liggen.
De bekeering der kerk, zou veeleer medebrengen een inkeeren in zichzelf, d.w.z. in haar eigen geloofsgetuigenis, opdat zij, tot zich zelt gekomen, kan opstaan in hetzelfde geloof en voortgaande in dezelfde gehoorzaamheid te midden van de wereld van thans haar roeping betrachten.
Juist als het ons om de gehoorzaamheid aan Christus te doen is, zullen wij beginnen bij de confessie.
Wat kan nu de beteekenis van het alternatief zijn : naar Christus hooren of in de eerste plaats naar die traditie, die confessie, de kerkorde hooren. Indien die traditie, die confessie — en daarom gaat het ons in de eerste plaats —en die kerkorde in de eerste plaats gehoord worden, wat zou daarmede zoo verbeurd zijn? Dan hoorde men in de eerste plaats, hoe de kerk de gehoorzaamheid aan Christus heeft verstaan in een strijid op leven en dood.
Wellicht bedoelt Prof. Kraemer, dat men traditie, confessie en kerkorde meer zal laten gelden dan het woord van Christus. Dat echter zou alleen dan hachelijk zijn, als de dadelijke gehoorzaamheid aan het woord van Christus — want uit het Woord zullen wij Zijn wil en bevel moeten leeren kennen — wat anders eischt dan de belijdenis en er tegen ingaat.
Maar dat zou dan eerst moeten blijken en overtuigend worden aangetoond. Indien Prof. Kraemer, of Gemeente-opbouw, dat zouden meenen, zou 't in de eerste plaats noodig zijn dat zulks duidelijik werd bekend gemaakt en aan de orde gesteld. Dan toch kon de zaak van alle kanten worden bekeken en op welke wijze dan ook, beslissing erlangen.
Ook dat zou een eisch van gehoorzaamheid aan Christus zijn, dat men in kerkelijke zaken klaar en duidelijk zegt, wat men bedoelt. Die uit het geloof der confessie leven, laten zich niet afschrikken door een verwijt van „vrome afgoderij". En die in den vollen Bijbelschen zin naar Christus hooren, zullen elkander in hetzelfde geloof vinden, want er is slechts één zaligmakend geloof, gewerkt door hetzelfde Woord en door denzelfden Geest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's