MEDITATIE
De ernst van Gods bemoeiïng
Gij adderengebroedsel, wie heeft u aan gewezen te vlieden van den toekomenden toorn ? Brengt dan vruchten voort der bekeering waardig ! Mattheüs 3 vs. 7b, 8.
Daar zijn dingen, lezer, waar een mensch niet mee spelen mag. Onlangs vonden drie knapen aan het strand een landmijn ; zij speelden er mee, roekeloos-baldadig ; twee hunner werden zwaar gewond, de derde werd gedood. Welke moeder geeft haar kostbare byouterieën aan haar kinderen om er zich mee te vermaken ?
Daar zijn dingen, waar een mensch niet mee speelt. En onder die dingen, die zich niet leenen tot speelgoed, is niets zoo belangrijk als Gods heilbemoeienis met verloren zondaren, en toch, hoe dikwijls wordt juist hiermede een roekeloos spel gedreven.
Aan den ingang der Nieuwe Bedeeling staat de grijze dienstknecht Gods, Simeon, met het Kindeke Jezus in zijn armen, en zijn mond spreekt de woorden van diepen ernst en rijken inhoud : Zie, deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël ! Val en opstanding, oordeel en voordeel, leven en dood, zegen en vloek, schuur en vuur, reuke des levens en reuke des doods ; niemand zal kunnen zeggen, dat Gods Woord tekort schiet in dringend vermaan, dat een mensch zich toch wèl bezinnen zal, zich ernstig rekenschap geven zal, hoe hij de dingen Gods hanteert en benut.
Onder degenen, die zich nauwgezet kwijten van hun taak om menschen te doordringen van den ernst des Evangelies, van de dure verantwoordelijkheid van Gods heilsbemoeiïng met zondaren, neemt de wegbereider van den Heiland, Johannes de Dooper, een vooraanstaande plaats in. Des Doopers schoone taak was het, den Heere te bereiden een toegerust volk. God staat Zijn eenigen Zoon niet doelloos af aan een verloren menschenwereld. Herodes vergiste zich jammerlijk, toen hij meende met den Borg in banden zijn schennig spel te kunnen spelen ; van den zwijgenden Christus ging een verpletterend oordeel uit over den hollen veelprater.
Als ge maar niet denkt, dat Johannes alleen maar boetprediker was. Is van hem niet het bevrijdende woord, waarmee hij den Christus aanwijst als het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. In dezen dienstknecht des Heeren blijkt zoo klaar, dat God slaat om te heelen, dat hij sloopt om te bouwen. Maar hij slaat en hij sloopt grondig. Hoort maar, hoe hij de Farizeen en Sadduceën bejegent, die in grooten getale „komen tot zijn doop".
Adderengebroedsel, kinderen der slang, noemt Hij hen. Foei, is dat nu taal, die past in den mond van een heraut des Heeren, denkt deze of gene ; moest zoo iemand zich met veeleer verblijden in de komst juist van zulke voorname menschen als Farizeërs en Sadduceers ; voor hen een bijzondere plaats aanwijzen onder de schare, liefst vlak vooraan, dat iedereen hen kan zien ; een mooie reclame voor zijn werk. Hij is toch geen harte-kenner ; neen, maar hij is wel een menschen-kenner, en daar moet iedere bedienaar van Gods Woord iets van hebben.
De wijze kent tijd en wijze. Denk maar niet, dat de Dooper niet wist van de teerheid der liefde, die Gods genade zoo gaarne gunt aan anderen en zich verheugt over elke dorstige ziel, die komt tot de Fontein des Levens. Sprankelt heel zijn doop niet van Gods vergevende zondaarsliefde ? Doop der bekeering lot vergeving der zonden, zoo wordt deze in stelling van Gods barmhartigheid genoemd. Zondaars, die het moeilijk gelooven konden, dat zelfs hun groote gruwelijke zonden nog vergeven konden worden, ontvingen in dezen doop een waarborg en onderpand van schulddelging uit louter gena. En dit goud van Gods erbarming, deze balsem voor treurende zielen, zal de Dooper, de Heraut, laten verlagen en laten misbruiken als spel en pronk door ijdele hoovaardij. God moge er hem voor bewaren, en hij verweert dit kleinood van genade met leeuwenmoed tegen schennende Farizeërshanden ! Gij adderengebroedsel, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn ? Wat doet gij hier ? Wat zoekt gij hier ? Wat wilt gij met Gods erbarming over vloekwaardigen, die den dood verdiend hebben ?
Daar zijn dingen, waar een mensch niet mee spelen moet ! Met Cherubs-trouw waakt deze Godsgezant over de heiligheden des Heeren Heeren. In zijn strenge woorden bliksemt het zwaard, dat „zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens", dat dien weg bestreek, om alle onbevoegden te weren ! En gij moet niet meenen, dat het Evangelie eischt dit zwaard op te bergen. Hebben dan nu gezonden den medicijnmeester van noode ? Tot den doop der bekeering waarbij het gaat om vergeving van zonden komt ge niet aangehuppeld in den dartelen schijn van ijdel zelfbehagen ; tot dien doop als tot elke bemoeiing van ongehouden genade komt ge krui pend, treurend, kermend : o God, wees mij, zondaar, genadig !
Dat zijn de vruchten, der bekeering waardig, waartoe Johannes opwekt. Die moet gij niet zoeken in zelf-veredeling, in levens-verbetering, in goede werken, in eerbied-afdwingend betoon van milde genegenheid tot de dingen des Koninkrijks ; onder die vruchten, die der bekeering waardig zullen zijii, die bewijzen zullen dat een mensch „bevoegd" is tot den doop der bekeering tot vergeving der zonden ; dat een mensch in aanmerking komt voor genadebetoon, verstaat Johannes een schuldverslagen gemoed, een verbroken hart, een tollemaarsgestalte ; bij deze instelling, die genade waarborgt, overvloeiende voor den grootste der zondaren, worden — als bij elke andere heilsbron — menschen verwacht, die arm en blind en naakt, jammerlijk en ellendig zijn, menschen, die geen penning meer bezitten om hun onmetelijk groote schuld bij God te voldoen ; menschen, die het niet zoeken in hun deugd en werk, maar in de genade van dien God, die den goddelooze rechtvaardigt. En ter zelfder tijd, als deze Wegbereider des Heeren den toegang tot Gods genade-bron ontzegt aan ijdele zelf-behagers, houdt hij dien weg open voor alle bedrukte en bedroefde zielen, die bevende aankomen „als een vogelke uit Egypte" ; en wat is meer evangelisch dan juist dat? Juist daar, waar de doodsklok luidt over alle menschenwerk, het vroomste niet uitgezonderd, daar ruischt de harptoon des Evangelies : Komt herwaarts tot Mij, gij allen die vermoeid zijt, en Ik zal u rust geven.
Hoe kostelijk is in 's Heeren oog hun dood !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's