HET KERKELIJK GESPREK
Gemeenteophouw
En nu ? De kerkidee schijnt machtiger dan ooit. Dank zij de verdrukking, is de vergeten en door vele verlaten kerk in het centrum der belangstelling gekomen. Zelfs buitenstaanders zien met respect tegen haar op. Voor velen is zij een toevlucht geworden. Daaraan beantwoordt aan den anderen kant, dat de nood der tijden heeft leeren bidden, ook daar, waar men het bidden verleerd had. Voor velen is de Heilige Schrift gaan spreken, terwijl zij eigen idealen in ijdelheid zagen opgaan. Hoevelen toch die op den mensch hebben gebouwd, moeten diep teleurgesteld zijn bij de ervaring van de gruwelen der geweldenaars. Bij de scherven van de uitgeholde cultuur moesten velen, die er nog op vertrouwden, onder den indruk komen van wat zij noemen de „geestelijike en zedelijke waarden" van het Christendom. Voor een deel was dat misschien een vlucht der verlegenheid en meerendeels negatief. Toch nimmer zonder aansluiting aan de diepste levensbeseffen. Wij hebben kunnen opmerken, hoe de bevrijding ook uiting gaf aan het streven naar 'n synthese, een verbinding van Christendom en humanisme. Dit is een hinken op twee gedachten, waaraan het waarachtige Christendom niet kan mededoen. Doch, wie zal de som opmaken en de geestelijke winst meten ? De tijd zal het leeren. Zonder twijfel zijn er ook teekenen, die verontrustend wenken. Een zucht naar ontspanning maakt zich openbaar, welke zich niet alleen in een soort danswoede uit, waartegen ook de boodschap der Synode waarschuwt, en die, helaas, ook in kerkelijke kringen niet genoegzaam wordt geweerd en tegengestaan. Er zouden echter meerdere verschijnselen zijn te noemen, die niet slechts als reactie op de achterliggende ontbering en onderdrukking mogen worden verklaard, maar tevens wijzen op gebrek aan die zedelijke tucht, welke de saamleving behoeft.
Ondanks dit alles kan niet worden ontkend, dat in het kerkelijke leven veranderingen en verschuivingen plaats vinden, die de aandacht verdienen. Dat is wel het minste, wat men vragen kan, de aandacht. Maar het is niet zonder beteekenis, als men die er aan geeft. En dat mogen wij zelfs niet nalaten. Feit is, dat er verschuivingen zijn. Er heerscht in de kerk een heel ander klimaat dan voorheen. Men is in het algemeen anders ingesteld tegenover de geestelijke dingen, tegenover de Heilige Schrift en de kerk, en ook tegenover haar belijdenis.
Het ontgaat ons niet, dat die verschuivingen ook onder het aspect van verwarring kunnen woorden gezien. Wij behooren ook niet tot degenen, die roepen dat er geen richtingen meer zijn. Maar er zijn richtingen, die zich zoozeer hebben laten leiden door rationeele en gevoelsargumenten, zoo open stonden voor stroomingen, die het moderne bewustzijn hebben bewogen, dat zij in menig opzicht uitdrukking gaven aan zekeren tijdgeest. Het is dus a priori te verwachten, dat zij gemakkelijker openstaan voor het ,,nieuwe", te meer, waar het „oude" schijnt voorbij gegaan, althans niet heeft gebracht, wat men verwachtte. Zelfs het „nieuwe" in de nieuwe theologie laat zijn invloed gelden ook op velen, die zich geenszins onder haar aanhangers door dik en dun willen gerekend zien. Het „nieuwe" doet zich ook voor in de „herontdekking" der kerk, in de conclusie, dat een ontkerstende wereld geen toekomst kan hebben, in den daarmede saamhangenden nadruk op de sociale en politieke vragen. Vandaar ook de nadruk op de roeping der kerk in die richting, niet zonder gevaar voor de kerk zelf.
Dit alles treedt in nieuw licht tegen het vooroorlogsch verleden. Dat nieuwe is voor den een aantrekkelijk, omdat hij het als zoodanig ziet, terwijl anderen er minstens gereserveerd tegenover staan.
In deze omstandigheden heeft zich bij velen een „nieuwe" kijk op het vraagstuk der richtingen voorgedaan. Vandaar het kerkelijk gesprek. Wij hebben hierboven aangehaald, hoe en wat ,,Gemeenteopbouw" naar Prof. Kraemer's omschrijving daarmede op het oog heeft.
Nu ligt het voor de hand, wat in zijn betoog zoo duidelijk niet wordt gezegd, dat dit gesprek niet vermag de geestdrift te wekken van degenen, die op de confessie staan. Dat moet ieder duidelijk zijn, die de dingen met belangstelling volgt. Het is ook zeer begrijpelijk, dat Prof. Kraemer de taak, die „Gemeenteopbouw" hier op zich genomen heeft, „bijna bovenmenschelijk-moeilijk" noemt.
Achter dit alles werkt immers de overtuiging, dat een kerk, zoo zij kerk zal zijn, d.w.z. zoo zij zich als kerk zal openbaren, een gemeenschap des geloofs zal moeten wezen, gelijk zij naar haar aard is, en derhalve op het draagvlak eener gemeenschappelijke belijdenis moet staan, die ook functioneert.
En de Hervormde kerk heeft een confessie. Niemand kan dat ontkennen en men doet dat ook niet, getuige het „in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en op den bodem der belijdenis".
En nu is het volkomen waar, wat Prof. Kraemer zegt, dat nergens klaarder blijkt, „hoe diep onze kerk is weggezonken in geestelijke verwarring en wereldsche verharding". „En toch", zegt hij „het moet. De Kruistochtkreet : God wil het, is hier van kracht", (blz. 87)
Ontegenzeggelijik : het is Gods wil, dat de kerk, die den Christus der Schriften belijdt, — en een andere kerk is er niet, welke zich terecht met den naam kerk mag sieren —, ook openbaar worde als zoodanig in gehoorzaamheid aan Zijn Woord. En als de Hervormde kerk kerk wil zijn, zal zij die gehoorzaamheid hebben te betrachten. Wie zal zich niet verblijden, indien zulik een bekeering der kerk mag veld winnen en als al dat zoeken en werken door Gods genade tot een herboren kerkelijk leven zal worden geleid.
De Hervormde kerk moet zich bekeeren. Dat zal dan allereerst beteekenen bekeeren tot het geloof barer belijdenis. Wij brengen tegen dien eisch der bekeering geen uitvluchten in door ons lerug te trekken op wat Prof. Kraemer een dooddoener zou noemen. Want die eisch ligt er voor allen en ook voor de kerk. En wij kunnen niet verantwoord zijn met werkeloos aan den kant te gaan staan.
Zoo heeft men dan het „kerkelijk gesprek" — gelijk het heet — aangegrepen als een middel om zoo mogelijk tot waarachtig samenleven" te komen, of anders uitéén te gaan. De meergenoemde ,,Doornsche Stellingen" worden ons ditmaal zeer duidelijk, niet als belijdenissen, maar als hulpmiddel voorgesteld, (blz. 87). Wij hebben er nooit aan getwijfeld, dat die stellingen geen waardeerimg als belijdenis zou toekomen. Hoe zou dat kunnen ? Toch heeft het van zelf sprekend zijn aanleiding in Gemeenteopbouw, waarom men deze stellingen als hulpmiddel koos en niet de belijdenisgeschriften zelf ter hand nam. Zooals gezegd, hopen wij op die Doornsche stellingen t.z.t. terug te komen. Daarbij zal blijken, dat het vraagstuk der theologie hierbij wel degelijk in het geding is.
Dat kan reeds blijken uit de omschrijving van de bedoeling der Doornsche stellingen en Dr. Berkhof's toelichting daarop : n.l. „hulpmiddelen te zijn in de worsteling om het richtige christelijke stellen en behandelen der waarheidsvraag".
Dit alles nader te onderzoeken zou ons in beschouwingen brengen, die te uitvoerig zouden worden. Als wij even bij deze uitdrukkingswijze mogen blijven : de waarheidsvraag wordt in de belijdenis der kerik gesteld en behandeld en naar ons besef wordt dat daar christelijk gedaan. „Wij belijden met den mond en gelooven met het hart, dat "
Wij nemen met de belijdenis aan, dat de belijdenis, zijnde menschelijk werk, mogelijk op een of ander punt zou kunnen dwalen. Doch wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, het geutgenis van den hoogsten Profeet en Leeraar, die van zich zelf getuigt : „Ik ben de weg en de waarheid en het leven". Uit het Woord is de kerk opgekomen en op die Waarheid staat zij. Die Waarheid is voor het geloof der kerk van Christus niet onzeker. Zoo gaat het dan om het geloof der kerk.
Waarachtig kerkelijk samenleven en samen getuigen, moet zijn een samen leven en getuigen uit het geloof, dat den heiligen is overgeleverd. In dat geloof hebben ook de reformatoren geleden, gestreden en beleden. Waarom zoekt men dan elkander niet in al het kerkelijk handelen en ook in het „kerkelijk gesprek" in het geloof der belijdenis?
„Deze confessies (d.i. de confessies der historie) zijn en blijven als historische (doch menschelijike) daden in de Kerk van groote beteekenis", verklaart Prof. Kraemer. (blz. 89) Dat kan men dus ook op de gereformeerde geloofsbelijdenis toepassen.
„Haar overnemen waarborgt echter niet in het minst een belijden in den eenig wettig Christelijken zin des woords, n.l. een getuigen van Jezus Christus, met het volledige risico voor Hem te willen lijden". Zoo vervolgt hij dan. ( blz. 89)
Dit raakt dus aan de waardeering der belijdenis, waarover wij in een vorig artikel spraken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's