Meditatie
Doen
En Noach deed het ; naar al dat God hem geboden had, zoo deed hij. Genesis 6 vers 22.
Dit woord staat in verband met het gericht Gods over de eerste wereld. Maar ook met de verlossing, waarover God met Noaoh gesproken heeft. Want God oordeelt de wereld, opdat zij behouden zal worden.
Dat zijn geweldige dingen, die daar gaan plaats hebben. Dingen, die alleen vergeleken kunnen worden met de dingen, die geschieden zullen bij de voleinding der wereld. Wat valt er temidden van zulk een wervelstorm Gods te doen voor een nietig menschenkind als Noach is ? Wat kan hij anders dan stil, klein, nietig, ontzet en verplet, roerloos en verwonderd: over Gods genade over hem en zijn huis, wachten op God om hem te dragen over het oordeel heen, zooals een blad gedragen, wordt op den adem van den wind ? Toch — zoo is Gods weg met Noach niet geweest.
Noach's verlossing is, als alle verlossing Gods, een zaak van louter genade. Maar die genade maakt niet werkeloos, maar werkzaam. God heeft aan Noach Zijn opdracht gegeven en nu staat er : Noach deed het ; naar al dat God hem geboden had, zoo deed hij. Juist ! zegt misschien iemand ; dat is de rechte godsdienst. Een godsdienst, die zich openbaart in doen, in daden ! In den jongsten dag zullen de menschen immers geoordeeld worden naar hunne werken.
Jezus Zelf heeft gezegd, dat Hij oordeelen zal naar gelang men de Zijnen bezocht heeft, gespijzigd, gelaafd, gekleed en geholpen, of dit alles niet heeft gedaan.
Wij worden geroepen om daders des Woords te zijn, arbeiders in den wijngaard des Heeren ; vruchtdragende boomen, opdat de wereld smaak krijge in de vruchten van den waren Wijnstok en opdat de Landman verheerlijkt worde.
Godsdienst, dat is : vol ijver bezig zijn in allerlei arbeid ten dienste van Gods Koninkrijk. Dat is heel wat beter dan al die leerheiligheid, waarin men vecht over een komma en om een letter elkaar verklaart tot ketter ; beter ook dan een gevoels-Christendom, dat drijft op tranen. 't Gaat om de daad !
Hebben deze in den regel energieke naturen gelijk met hun stelling : het gaat in het geloof en in den geloovige om de daad ?
Neen, zegt deze of gene. Dat is allemaal werkheiligheid, eigenwillige godsdienst. Juist allerlei soorten van Farizeïsme zijn altijd vol geweest van activiteit. Stad en land afreizen om een Jodengenoot te maken. En Jezus zal, ondanks hun beroep op hunne vele werken, zeggen : Ik heb u nooit gekend.
Godsdienst is een zaak van de binnenkamer. Van Gods verborgen omgang. Godsdienst is lieflijk vertroost worden, wanneer de Heere Zijn aangezicht over ons doet lichten, of in donkerheid neerzitten, wanneer Hij Zijn aangezicht verbergt.
Neen, zegt weer een ander : die mannen en vrouwen van het Practisch Christendom loopen zichzelf voorbij in hun ijver en die menschen van het gevoel verdrinken in het moeras van allerlei aandoeningen. Het gaat om de kennis, de klare kennis van de Waarheid, Daarmede hangt het verval óf de Reformatie der Kerk samen. Zonder die gaat het gevoel bouwen op een zandgrond en wordt in de werkheiligheid het vrome vleesch gekoesterd.
Letten wij nu op het doen van Noach. Inderdaad, hij doet. Hij denkt niet alleen (dat is al veel), hij praat niet alleen, maar hij doet. Hij doet, wat God hem geboden heeft. Dat is het, menschelijlkerwijs gesproken, onmogelijke. Want dat is het optreden temidden van een verwilderde wereld, waarover nochtans dag aan dag de zon schijnt, met een prediking van het oordeel en het bouwen van de ark. Dat is het optreden met de dwaasheid der prediking, evenals Paulus, Luther en Da Costa later zullen doen, tegen den geest hunner eeuw.
Inderdaad, God roept Zijn Kerk, Hij roept de Zijnen om te zijn daders des Woords ; maar dan ook daders des Woords. Noach deed, naar al dat God hem geboden had. Hij koos daaruit niet eigendunkelijk. Hij deed naar al, dat God hem geboden had.
Dat is de roeping der Kerk, ook onzer Kerk, in dezen verwilderden tijd.
Noach's gehoorzaamheid is geloofsgehoorzaamheid. En gelooven is maar niet vertrouwen in het wilde weg. Maar het geloof wordt geboren uit het Woord Gods en leeft uit het Woord Gods met zijn prediking van goedertierenheid en recht. Van oordeel en verlossing. Gods gebod stond voor Noach in verband met Gods belofte.
Daarom staat hij in Hebreen 11 ook in de rij der geloofshelden en zegt de apostel : „door het geloof heeft Noach, door goddelijke aanspraak vermaand zijnde, aangaande de dingen, die nog niet gezien werden en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin".
Het doen van Noach wortelt in de openbaring Gods, in Wien alleen alle behoudenis is.
En zoo is de daad des geloofs ook niet buiten zijn hart omgegaan. Dat Woord Gods heeft hem persoonlijk geraakt.
Hij is "bevreesd" geworden. Buiten den weg van Gods genade, hem door God geopenbaard, was er ook voor hem geen ontkoming van het gericht. Dat gericht is niet buiten hem om gegaan. Ook hij heefit het verdiend. Maar door het geloof vindt hij ook zijn behoud in den weg van Gods genade, hem door God bekend gemaakt.
Zoo is het doen van Noach, zijn prediking en zijn bouwen van de ark, de vrucht van het spreken Gods. En zoo komt ook alles op z'n plaats : het verstand, dat verlicht wordt ; het hart, dat verbroken wordt, maar dat ook gelooft, en de hand, die werkt het werk des geloofs.
(Dirksland)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's