Gereformeerd of Doopersch
I.
De discussie over dit onderwerp, door eenige predikanten gevoerd, kan blijkbaar niet gemakkelijk tot een eind komen. Men behoeft zich daarover niet te verwonderen. Want het betreft hier een zaak, waarover men het niet eens is, omdat men het ten opzichte van de hoofdzaak eigenlijk niet oneens kan zijn.
Het is — zal men zeggen — een wonderlijke wijze van uitdrukking : men is het niet eens, omdat men het eigenlijk wel eens is. Kan dat ? Wij hopen dit begrijpelijk te maken. Religie is door en door een geestelijke zaak. Theologie is geen religie, maar zij kan er zonder religie niet zijn. Zij vindt haar grond en beginsel in de religie, zooals de religie uit de openbaring Gods opbloeit en onder zeker aspect openbaring is.
Openbaring waarvan ?
Van God en de goddelijke dingen. Voor het religieus gemoed opent zich een geestelijke werkelijkheid. Een werkelijkheid niet van deze wereld, daarvan onderscheiden en geheel anders. Een werkelijkheid, boven deze wereld verheven. Het brute heidendom heeft zelfs een besef van die verheven werkelijkheid. En de Heilige Schrift leert, dat zulk een besef vrucht is van een openbarende daad Gods, (Rom. 1 : 18 vv.).
Hoe kan dat anders ? Immers, hoe zou de mensch ook maar een besef van de verheven goddelijke werkelijkheid hebben, indien hem dit niet van boven gegeven ware ? Daarom geen religie zonder openbaring. Zelfs de heidensche religie met al haar menschelijke cultusvormen en riten, wortelt nog in een werking der goddelijke openbaring. En daarom wijst alle religie op een contact of gemeenschap met die hoogere werkelijkheid. Een contact, hetwelk nochtans niet van den mensch uit wordt gelegd, of gelegd zou kunnen worden, maar van God uit.
Dat contact is naar zijn wezen rein geestelijk. Want God is Geest. (Joh. 4 : 24). „niet, zooals de Statenvertaling zegt : „God is een Geest". Want God is niet een Geest onder de geesten. De Heere Jezus wijst juist op het zoozeer onderscheiden wezen God. God is Geest. Daarin en daardoor is Hij ten eenenmale en op een volstrekte wijze onderscheiden van alle schepsel. Het is dan ook een groote dwaling van de 19e eeuw, dat zij het Geest-zijn heeft vermenschelijkt. Anders gezegd, dat zij den mensch deed deelen in een Geest-wezen, dat alleen Gode toekomt. Van deze menschvergoding is een besmettende werking uitgegaan, waartegen met kracht moet worden opgetreden. Vóór alles zij gewezen op de heiligheid Gods. De religie heeft van doen met den Heilige Israels. Hij is de van alle schepsel in alles Onderscheidene, boven allen en in alles Verhevene, die een ontoegankelijk licht bewoont, de eenige en waarachtige God. Dat alles ligt in het ééne woord des Heeren : God is Geest. En, omdat wij nu geen geest zijn, — dat is heel wat anders dan geestelijk — kunnen wij van ons uit tot Hem niet genaken, al is Hij niet verre van een iegelijk van ons. Ja, al leven en bewegen wij ons in Hem en zijn wij in Hem. (Hand. 17 : 28).
Wij vermogen niet van ons uit met God in gemeenschap te treden, noch Hem te kennen, omdat Hij Geest is en wij met alle schepselen daarin van Hem tezamen onderscheideri zijn, dat wij geen Geest zijn, en alleen door den adem van Zijn Woord bestaan.
En toch is er besef van die geestelijke werkelijkheid in de wereld ; er is een religieus leven, ja, een gemeenschapsoefening met dien Heiligen God onder de menschen. Want God heeft zich geopenbaard en openbaart zich. Hij is naar den mensch uitgegaan om Zich aan hem bekend te maken reeds van den beginne. (Gen. 2 : 16). God heeft den mensch naar Zijn beeld geschapen. Daarom is de mensch geen Geest, maar het beeld van Zijn geestelijk wezen. Dit is op zich zelf een wonder van de scheppende majesteit Gods. Met'dit naar Gods beeld geschapen zijn hangt nu samen, dat ook de Godskennis van den mensch slechts een beeldmatige kan zijn, en daarom van de goddelijke zelfkennis wezenlijk onderscheiden. De menschelijke Godskennis draagt een symbolisch karakter, maar daarom juist zoo, dat aan de geopenbaarde Godskennis het besef eigen is van op de verheven geestelijke werkelijkheid betrekking te hebben. Niet zooals de aardsche kennis, die betrekking heeft op de dingen, die gezien worden, maar de geopenbaarde Godskennis heeft betrekking op geestelijke dingen, die niet gezien worden. En, zooals gezegd, het besef van deze betrekking is aan de openbaring eigen. Vandaar dat openbaring en geloof onscheidbaar aan elkander verbonden zijn. Geloof is in de openbarende daad, die tot het hart van den mensch doorgaat, begrepen. Geloof is tegelijk openbaring en vrucht van openbaring. Geloof is de teruggeleiding der openbaring. De Godsopenbaring gaat van God uit tot den mensch. Zij is een levende betrekking van God met dien mensch, waarin de goddelijke dingen gestalte aannemen voor dien mensch en in dien mensch. Geloof is de in dien mensch werkzame vrucht dier openbaring, waardoor hij gemeenschap oefent met de geestelijke werkelijkheid, welke niet wordt gezien. (Hebr. 11 : 1). In het geloof is tegelijk het besef dier gemeenschap, de zekerheid omtrent die geeslijke werkelijkheid en het besef van het geheel anders zijn dier geestelijke werkelijkheid gegeven.
Daarin is de geloofskennis onderscheiden van de kennis der dingen, die voor oogen zijn. De mensch is geen Geest, en geloof is geen Geest, maar geloof is niettemin een geestelijk verschijnsel, werking van een geestelijke relatie.
Sprekende over openbaring en geloof, hebben wij derhalve het oog op het persoonlijk godsdienstig leven. Daar ligt toch de kwestie". Alle godsdienstig leven gaat met geloof gepaard. Of dat geloof echt en in de waarheid gegrond, of in hoeverre dit in de waarheid gegrond kan zijn, laten wij nu in het midden. Er is ook een schijngeloof. Doch niemand kan ontkennen, dat alle religie met geloof en geloofsvoorstellingen gepaard gaat, hoe die ook mogen zijn.
En het religieus besef en geloof hebben het eigenaardig symbolische van betrekking te hebben op een geestelijke werkelijkheid. De religie is van huis uit dualistisch. Daarom kan ook niemand ontkennen, dat de religie, hoe dan ook, een betrekking met die geestelijke dingen onderstelt en dat zijn persoonlijk geloof, welke richting hij ook toegedaan zij, in persoonlijk contact met die geestelijke werkelijkheid rust.
Tenzij men zichzelf zekere wezensgelijkheid met God toeschrijft, — en dan verloochent nien tegelijkertijd het wezen der religie — kan men dat persoonlijk geestelijk contact alleen van Gods zijde en van God uit tot stand gekomen zien.
Waar van religie en voor zoover er van religie sprake kan en mag zijn, moet zulk een geestelijke betrekking of openbarende werking worden aanvaard.
Dit nu bedoelden wij, als wij boven opmerkten, dat men het met betrekking tot de hoofdzaak niet oneens kan zijn. Persoonlijk geloof stelt een persoonlijke betrekking met een geestelijke werikelijkheid, zooals men deze denkt of voorstelt, zelfs al zou die voorstelling product van een wijsgeerige rede of van verbeelding en niet van openbaring zijn.
Hierbij komt — dat behoeft niet gezegd — de waarheid in het geding, maar het gaat hier om de functie van het geloof als betrekking tot de geestelijke werkelijkheid, of wat men daarvoor houdt. En dit sluit in, dat persoonlijk geloof zulk een persoorilijlke betrekking onderstelt. Dat is het punt, waarover men het niet oneens kan zijn, tenzij men het religieus besef en de religie willens en wetens geweld aandoet.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's