De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Licht na duisternis

9 minuten leestijd

„En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was". Genesis 32 vers 31.

Bethel en Pniël — dat zijn twee plaatsen, die bij elkaar behooren en toch zeer onderscheiden zijn van elkander. Niet alleen komen ze voor in het leven van Jakob, maar zijn aan te wijzen in het leven van al 's Heeren kinderen. Bethel is Pniël nog niet ! Bethel staat meer in het teeken van den aanvang der bekeering. Pniël is meer de volkomen overgave der ziel. Bethel is de plaats, waar de Heere tot den zondaar komt en Zijn Verbond en Zijn weldadigheid aan hem groot maakt ; te Pniël zien we, hoe de zondaar tot God komt, in worstelend smeekgebed zich aan Hem vastgrijpt en als een verlorene zich leert overgeven aan zijn Redder. Te Bethel is Jakob nog de held, die in eigen kracht kan strijden, maar te Pniël is hij een zwakkeling, die alleen in Gods kracht overwint. Daar zal hij leeren de verdere doorleiding op den weg des levens, de verdieping van zijn geloofsbeslaan, door zichzelf geheel te verliezen en zich alleen den Heere over te geven.

Pniël is de worstelplaats, waar Jakob zijn groote levensstrijd heeft gestreden. Daar is hij geoefend in zelfkennis, in zelfverloochening en in zelfverwerping, — maar — daar is hij ook uit de diepte tot de hoogte der aanbidding opgerezen, want : „zijn ziel is gered geweest".

Wat was het Jakob bang, toen hij de Jabbok naderde ! Immers kwam Ezau, zijn broeder, hem tegemoet met 400 zwaargewapenden. Jakob heeft daarvoor maar één verklaring : hij komt, om met hem, den bedrieger, af te rekenen, want hij gedenkt aan Ezau's woord: „ik zal hém dooden". Wat zal Jakob doen ? Zal hij tot den Heere de toevlucht nemen ? Zal hij nu uit angst en vreeze roepen tot dien God, Die zelfs bij het naderen van den dood, volkomen uitkomst kan geven ? O, dat zou toch de weg voor hem geweest zijn tot redding, maar neen — hij tracht het aanvankelijk zoo lang mogelijk zonder God te stellen. Hij wil zichzelf uit die bange omstandigheid redden. Jakob verloochent ook hierin zijn natuur niet. Het toevluchtnemend geloof tot God is hier nog verre. Hij zal Ezau's hart voor zich winnen en zijn oog zoeken te verblinden met een rijk geschenk — hij zal zeer onderdanig met hem spreken en wie weet — dan komt alles nog wel in orde ! Wat een berekening, wat een vleeschelijke wijsheid !

Jakob staat hierin niet alléén, want hoe menigmaal spiegelt zich die toeleg ook niet af in ons leven. Ik denk aan een ernstige ziekte, die den dood voor oogen heeft en toch nog altijd spreekt van beterschap, van zijn kundigen dokter, van zijn levensvooruitzichten, maar — zwijgt van Hem, Die zegt: „Is er dan geen balsem, in Gilead en geen Heelmeester aldaar ? "

Ik denk aan anderen, die al hun vertrouwen stellen in de regeeringsmannen en in het huidige regeeringsbeleid en over hen meer spreken dan over God, Die toch alleen onze afkeeringen kan genezen en ons vrede en leven kan geven. En — in handel en wandel, op markt en fabriek, voor bureau en weegschaal, wordt list en bedrog aangegrepen, ja, zelfs aangeprezen, maar dat er een God is. Die naar waarheid in het binnenste vraagt, wordt liefst vergeten ! We kunnen zoo gemakkelijik in onze bedehuizen op 'n Zondagmorgen zingen:

„Vest op prinsen geen betrouwen. Waar men nimmer heil bij vindt",

maar, nauwelijks is men weer uit de kerk of — men kan moeilijk aan menig kerkganger zien of merken, dat hij in de heilige tegenwoordigheid des Heeren is geweest.

Denk niet, dat zulke dingen bij de kinderen des Heeren niet voorkomen — dat de wereld zich hieraan alleen schuldig maakt. Zie dan maar eens op Abraham in Egypte, op David inzake Uria, op Petrus in zijn heulen met de Joden. O zeker, de Heere vergeeft de ongerechtigheden van Zijn volk, maar uit onze zonde smeedt Hij vaak de roede, die ons moet kastijden.

Als Abraham liegt, brengt hem dat in grooter ellende. Als David 't zwaard tegen Uria keert, keert de Heere dit tegen Davids huis. Als Jakob list en bedrog aangrijpt tot hulpe, moet hij later door dit zelfde kwaad het meest worden getuchtigd.

De eigen natuur van Jakob treedt aan de Jabbok eerst nog naar voren. Hij zendt boden uit, buigt zich laag voor Ezau neer, spreekt op zeer nederigen toon en stelt een geschenk in Ezau's hand. Dan wacht hij met spanning op het antwoord van de boden. Maar neen, Jakob, gij moet leeren, dat het niet uw zaak is, maar dat het Gods zaak moet worden. Niet in uw kracht, maar in Gods kracht zult gij uw broeder overwinnen en zijn meerdere zijn: . Gij moet als een ander man het Kanaan binnengaan dan gij het verlaten hebt. Daarom moet hij er bij de Jabbok eerst geheel aan en moet hij zich leeren verliezen in God. Het gebed uit een verbrijzeld hart moet omhoog gaan : „Voer mij uit mijn gevangenis tot roem Uws Naams " Als hij het antwoord der boden ontvangt, als hem geen uitkomst blijkt, als het alles, letterlijk alles verloren is, dan vreest Jakob zeer en wordt het hem bang. Hij heeft gedaan, wat hij kon — heeft het uitgehouden, zoolang hij kon — heeft zijn natuur altijd laten heerschen, maar — nu wordt: zijn vleeschelijke kracht en wijsheid bij Pniël gebroken en leent hij, dat alleen in geestelijke kracht, door bidden en smeeken, de overwinning kan verworven worden.

Bij Pniël zien we, dat in een vleeschelijke, lichamelijke worsteling van man tegen man, Jakobs kracht wordt ten onder gebracht. In die vleeschelijke worsteling is Jakob de mindere, daarom wordt hij vernederd, gebroken, overwonnen, want zijn heup wordt hem verwrongen en als een kreupele zal hij verder het leven door moeten.

En toch — daar overwint hij, maar naar den geest, naar de diepte van het nieuwe leven om in zelfverlorenheid den weg des behouds — om in verlies winst, ja, de overwinning weg te dragen. Wat hij in zijn vleeschelijke worsteling verliest, dat wint hij aan geestelijke kracht en zóó leert hij het geheim des waren geestelijken levens kennen : ,,AIs ik zwak ben, dan ben ik machtig".

Om al verliezende te overwinnen, kent gij dat, lezer ? Wat is het een tijd van bange worsteling, van pijnlijk zielservaren, als wij 't voelen, dat wij in al onze plannen en berekeningen, in onze wenschen — ook vrome (!) er aan moeten ; als ons hoogmoedig ik verpletterd wordt en we als een verloren zondaar voor Jezus in de schuld komen ! In 't eerst willen we met de genade nog iets zijn, maar te Pniël leert God, dat Zijn voik ook met de genade nog niets is, wanneer het nog niet dood aan zichzelf is. Pijnlijk is 't, te Pniël zijn gestaltelijke vroomheid kwijt te raken, want o, 't is zulk een verschil als een vrome zondaar — of als een verloren zondaar gezaligd te worden. Bij 't laatste komen uren, ja dagen van worstelend gebed openbaar. Dan verstaan we zoo goed, wat we lezen van Jakob : ,,Doch Jakob bleef alleen over en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging." Als de ziel met God alleen is, kan er soms een banger strijd gestreden worden dan ooit op eenig slagveld met de wapenen is gevoerd, maar — dan wordt er ook een grootere overwinning behaald, want dan wordt een vrede der ziel ons deel, die alle verstand te boven gaat ; een kracht ervaren, die leert roemen in de verdrukking ; een zaligheid genoten, die den hemel in 't hart brengt en 't hart in den hemel. En, wat is 't kenmerk van den waren worstelaar, van den waren bidder ? Dat hij aanhoudt en nooit loslaat, ,,Ik zal U niet laten gaan tenzij Gij mij zegent."

Voor een kind des Heeren zal 't altijd weer een steunen, een pleiten, een wederkeeren, een hopen op Gods ontfermende liefde in Christus zijn en, al zou 't een worstelen blijven tot den dag des doods toe, toch vindt zulk een nog meer blijdschap in de droefheid naar God, dan in 't huppelem en dansen voor de wereld.

Te Pniël vindt ge de ware bidders, die uitzien naar den dageraad. Jakob moest wachten, totdat de dageraad opging. Wat zal die nacht voor Jakob lang geduurd hebben ! O, als de dageraad niet wil lichten aan den zoo donkeren horizon, is dat niet een reden te meer om u den Heere toe te betrouwen ? Naar mate de duisternis dikker wordt zal een kind, dat met zijn vader wandelt, zich vaster aan hem klemmen en dichter naast hem gaan. Zoo mogen ook Gods kinderen, temidden van duisternissen en donkerheên, zich aan den Heere vastklemmen aan de hand van Zijn heerlijke beloften. Dat doet ook Jakob, juist door't pleiten op die beloften heeft hij overwonnen. Daarin school zijn geestelijke kracht. God liet zich door Jakob overwinnen, door Zijn eigen Woord, door Zijn eigen beloften. God was te Pniël niets aan Jakob verplicht, maar Hij was daar alles wel aan Zichzelf verplicht. Toen Jakob den Heere bepaalde bij Zijn eigen Woord en beloften, kon hij zich vorstelijk gedragen en was de overwinning verzekerd; Heerlijk in zulk een harnas van Gods beloften te mogen  strijden. Die geestelijke wapenrusting past den kleinste zoowel als den grootste. Die past zwakkelingen als Jakob en helden als Abraham.

Welzalig als we alles zoo op den Heere mogen wentelen.

Dan zal het licht worden na duisternis, vrede worden na strijd, genade worden na zonde, blijdschap worden na droefheid, ruimte worden na beklemming, rust worden na vreeze. Dan zal de zon opgaan als men door Pniël gegaan is, dan is de dageraad daar, de dageraad van verlossing en bevrijding, de dageraad van vroolijkheid en licht voor alle oprecbte harten. Die dageraad komt pas na een inacht van worsteling. Die dageraad komt zeker voor alle worstelaars met God. Die daderaad zal ook heden komen als er worstelingen Gods geworsteld zijn. Zal die dageraad ook vrucht zijn van de duisternis van dezein tijd ? Zal de zon ook over ons opgaan, over ons volk, over onze kerk ? Ja, doch op voorwaarde, dat we eerst door Pniël gaan. Pniël alleen geeft de barensweeën voor een nieuwen tijd, voor een nieuwen dag. De vrucht van de Pniël worsteling zal licht zijn, voor ons volk, voor de Kerk, voor de wereld. God geve ons allen zulk een Pmiël. Dan zal de zon ons oprijzen, al is het, dat we hinkende zijn aan de heup ; dan ervaren we het:

„Want God, de Heer', zoo goed, zoo mild  Is t' allen tijd een Zon en Schild; Hij zal genaad' en eere geven "

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's