Huiselijke godsdienstoefening
Leer en leven hooren bij elkander. Zij zijn eigenlijk één. En het is goed, ze bijeen te houden. Calvijn handelt over het geloof en het geloofsleven. Deze mogen niet worden losgemaakt. Gereformeerde theologen hebben gesproken van de dingen, die geloofd en gedaan moesten worden. En het is gewoonte geworden, deze laatste afzonderlijk te gaan behandelen onder den naam : Christelijke of gereformeerde ethiek. Dit verdient echter geen aanbeveling. De methode van den Catechismus is een betere. Let maar eens op de behandeling van de Wet der Tien Geboden. Het is daarom zoo nuttig den Catechismus te leeren. Hij onderricht ons omtrent leer en leven. Waarom deze inleiding ?
Omdat ook de practijk dikwijls een groote distantie heeft teweeggebracht tusschen leer en leven. Men klaagt nog al eens over geringe kennis onder ons. Dit zou wel beter worden, indien men op den geestelijken saamhang van leer en leven meer acht gaf. Bovendien berooft men zich van zoovele bewijzen van Gods ongemeten goedheid, daar Hij zoo menigen zegen in het leven van persoon en gezin schenkt dengenen, die Hem zoeken.
Pas op voor werkheiligheid, hoor ik iemand opmerken. Maar wij antwoorden: Beter zulk een gehoorzaamheid, dan een nalatige ongehoorzaamheid, die slechts goddelooze vruchten kan afwerpen. Want als het waar is, dat de God der Schriften zelfs de woonplaats van een iegelijk onzer bepaalt, — en dat is waar —, dan heeft diezelfde God ons ook onder de prediking en dus onder den eisch van Zijn Woord geplaatst. En dan gaat die eisch naar ons uit en zullen wij daarvan rekenschap hebben te doen.
Als Hij wil, dat wij met al onze nooden en zorgen voor Zijn aangezicht komen, al onze bekommernissen op Hem, zullen werpen, dan kan slechts ons eigenwijs en trotsch hart zioh daartegen stellen en ons verhinderen dat kinderlijik te doen. Nergens gebiedt de Heere, dat wij eerst bekeerd moeten zijn, alvorens wij deze dingen betrachten. Zijin bevel gaat uit tot zondaren, die van de heiligheid en barmhartigheid Gods geen weet hebben. Hij roept een volk, dat Hem niet kent, opdat Hij zich bekend make.
Men klaagt over de zedelijke verwildering en verwarring van onzen tijd, over de moeilijkheden in de opvoeding onzer kinderen. Boeken worden daarover geschreven. En die klacht is niet van vandaag of gisteren. Zeker, de omstandigheden hebben niet nagelaten in de laatste jaren bijzonderlijk openbaring te geven aan die verwildering en verwarring. Diat zien wij niet over het hoofd. En het eischt onze zorg, en dat niet alleen met 't oog op de jeugd en de toekomst, maar ook aangaande de ouderen.
En toch houden wij het er voor, dat afgezien van deze dingen, die onze aandacht bij zonderlijk vragen, de moeilijikheden der opvoeding in alle tijden een voorwerp van ouderlijke zorg zijn. „Kleine kinderen, kleine zorgen; groote kinderen, groote zorgen".
Zoo kwamen wij tot de huiselijke godsdienstoefening.
Wat wij daaronder verstaan ?
Wel, de godsdienstoefening van het gezin. Wie vormen het gezin ?
Vader, moeder, kinderen, inwonende familieleden en de dienstbare leden van het gezin. Deze hooren er ook bij. Dat is Schriftuurlijke en dus Christelijke orde.
Godsdienstoefening van het gezin omvat deze allen tezamen.
Wie moet zulk een godsdienstoefening leiden? Dat ligt voor de hand : vader, of bij zijn ontstentenis moeder, en anders een lid der familie, hetwelk naar leeftijd en gave daarvoor is aangewezen.
Waarin die huiselijke godsdiehstoefening voorts zal bestaan ?
Dat kan zeer verschillend zijn naar de zoozeer verschillende omstandigheden, waarin 't. gezin verkeert. De wijze kent tijd en wijze en wijsheid is hierbij noodig.
In een gezin, dat rijk is aan kinderen en bijgevolg vele beslommeringen medebrengt, zij deze godsdienstoefening vóór alles kort, opdat de eerbiedigheid en ernst niet worden geschaad. Geen lange hoofdstukken worden gelezen. Men leze dan liever een gedeelte van het hoofdstuk. Geen langdradige besprekingen. Geen lange gebeden, maar kort en eenvoudig.
De korte stonde, welke men daarvoor bepaalt, worde getrouw en met eerbied waargenomen. En dan zóó, dat zoo mogelijk alle leden van het gezin daarbij tegenwoordig kunnen zijn. Dat zal dikwijls heel moeilijk wezen. Vader is mogelijk dikwijls van huis. De jongens moeten naar de naburige stad naar school. Vertrek en thuiskomst zijn van sommige gezinsleden in verband met school en arbeid soms zóó verschillend, dat het gezin aan de maaltijden zelfs niet compleet is.
Nog veel meer kon worden aangevoerd, waardoor men eigenlijk maar in het geheel niet denken kan aan huiselijke godsdienstoefening. Zondags bij den middagmaaltijd, ja, dan is vader gewoon den psalm van den Sabbath (Ps. 92) te lezen, óf het Hoofdstuk, waaruit de dominé gepreekt heeft. Misschien ook gaat hij ditmaal voor in gebed. Maar in de week ? Vader en moeder houden er de hand aan, dat erbij de maaltijden gebeden en gedankt wordt — en „dat men niet aanvalt als de beesten".
Wij hebben intusschen al een en ander genoemd, dat tot de huiselijke godsdienstoefening behoort. Het allergeringste is wel, dat er bij de maatijden gebeden en gedankt wordt. Maar in vele gevallen houdt het daarmede op, om van erger maar te zwijgen. Anderen onderhouden de gewoonte om, althans na den hoofdmaaltijd Gods Woord te openen en een gedeelte te lezen.
Indien dit eerbiedig geschiedt, zal het zijn vrucht niet nalaten en ook bijdragen tot de kennis van den inhoud des Bijbels. Het is als zoodanig reeds van groote beteekenis voor de sfeer van 't gezinsleven en voor de opvoeding zoowel van de jongeren als van de ouderen. En men wachte zich er voor dit voor een dooden vorm te houden, want het Woord zal zijn loop hebben en alles doen, waartoe God het zendt. Bij een gereformeerd belijden behoort ook de regelmatige opening van Gods Woord in het gezin. Wie dat nalaat, komt in zijn ouderlijke roeping te kort op een wijze, welke hij moeilijk zal kunnen verantwoorden.
Er zullen gezinnen zijn, waarin de huiselijke godsdienstoefening zich verder kan uitstrekken en waarin dit ook regelmatig geschiedt. Wij denken aan een gezamenlijk beginnen en beëindigen vaa den dag en aan de overige maaltijden.
Dat alles hangt samen met zooveel aangelegenheden, het gezin en zijn leden betreffende, die wij niet zullen trachten te beschrijven. De hoofdzaak, waarom het gaat, is deze, dat de huiselijke godsdienstoefening niet worde nagelaten en dat geen dag voorbij ga, waarop het huisgezin niet bij Gods Woord wordt bepaald. De Heere zelf maakt onderscheid tusschen de dagen, waarop wij al ons werk zullen doen en den Sabbath, dien Hij geheiligd heeft en geheiligd wil hebben. Wij zullen echter ons werk niet kunnen doen zonder Zijn genade en wij zullen zonder deze geen gezegende vruchten op onzen arbeid zien. Daarom zullen wij ook bij onzen arbeid het licht Zijns Woords en het gebed niet kunnen missen.
Vandaar dat wij van de huiselijke godsdienstoefening als vanzelf worden geleid tot de persoonlijke godsdienstoefening, oefening van den godsdienst in ons persoonlijk leven en in ons werk. En welk een oefening des gebeds en zegen daarin gelegen is, ervaart een iegelijk, die de dingen van het dagelijksche leven met al zijn beslommeringen kinderlijk voor den Heere brengt. En dit is een vrucht, die van de huiselijke godsdienstoefening valt in het leven van het gezin, welke niet alleen richting geeft aan een Christelije levensorde, maar naar de beloften des Heeren ook gedijen zal tot kennis van de zaligheid Gods in den Heere Jezus Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's