Gereformeerd of Doopersch
Als men het omtrent de hoofdzaak niet oneens kan zijn, hoe is men het dan niet eens ? Dat kan spoedig duidelijk zijn. Er is slechts één God. De Heere, de God Israels, is een eenig Heere. Daarom is er slechts één openbaring, éen religie, éen geloof.
Het geschil onder de menschen komt dan ook niet op uit de positie of negatie van een persoonlijke geloofsbetrekking, maar beweegt zich om wat men noemt : de waarheidsvraag. Er kan immers slechts één waarachtig geloof zijn. Daarom is de strijd om den godsdienst zoo scherp.
Men zal dit zoo in de heidensche veelgoderij niet aantreffen. Daar is iederen god een gebied toegedacht. Iedere stad heeft zijn god en het is in het persoonlijk en algemeen belang, dien god te eeren. Bij de veelgoderij kunnen de goden onderling strijd voeren, zooals b.v. bij de Grieken, die hun goden zagen als groote menschen met menschelijke ongerechtigheden en strevingen. Doch zoodra het besef van de eenigheid der godheid wederom doorbreekt, ontstaan allerlei oneenigheden en kwestiën onder de menschen. Hoe zou dat dan anders zijn in het Christendom, daar toch de Christelijke religie bij uitstek monotheïstisch, absoluut en rein geestelijk van karakter is.
Zoo kan er dus slechts één waarachtig Christelijk geloof zijn, hetwelk geboren wordt uit de levende betrekking tot den eenigen en waarachtigen God, den Vader van onzen Heere Jezus Christus. Derhalve draagt dat geloof een geheel eenig karakter in onderscheiding van alle ongeloof, bijgeloof en schijngeloof. En het geloof is een persoonlijke zaak, hoewel zóó, dat de ware Christgeloovigen één gemeenschappelijk geloof deelachtig zijn.
Het waarachtig geloof heeft als alle religie een mystieken kant, of liever een mystieken grond, juist omdat het rust in de gemeenschap met God.
Het is daarom niet vreemd, dat ieder in zijn geloof op eenige wijze die mystiek des geloofs verwerkelijkt wil zien en dat zij in het waarachtig Christelijk geloof slechts op één wijze en wel in de gemeenschap met Christus verwerkelijking vindt, zooals dat in de wedergeboorte geschiede.
Indien men nu bedenkt, dat een iegelijk geneigd is zijn eigen geloof voor het ware te houden, en in aanmerking neemt, hoe vele opvattingen zich in geloofszaken trachten te handhaven, dan kan men zich niet verwonderen, dat men elkander de waarheid betwist. Want het staat toch zóó, dat, als een ander de waarheid heeft, wij die aan ons eigen geloof moeten ontzeggen, indien het daarmede niet overeenstemt. Er kan slechts één waarachtig geloof zijn. Omdat men het op den grondslag der Christelijke religie op dit punt moet eens zijn, ligt het voor de hand, dat verschillende geloofsvoorstellingen op Christelijk erf een voortdurende bron van strijd en krakeel veroorzaken.
Tevergeefs predikt men van vrijzinnige zijde een soort Godsvrede, welke daarin zou bestaan, dat men elkander vrijheid van persoonlijke interpretatie toestaat, om dan in hetgeen men gemeenschappelijk heeft de eenheid te onderhouden.
In den grond der zaak kan zulk een standpunt slechts voortkomen uit twijfel en onzekerheid omtrent de waarheid des geloofs. Die waarheid ontglipt den mensch. Daarin is ook twijfel en zelfs negatie van de waarheid, zooals de kerk die overeenkomstig Gods Woord uit het geloof belijdt. En dat sluit wederom in, dat men aan zijn persoonlijk geloofsinzicht, zooal niet de waarheid, dan toch de waarschijnlijkheid of zuiverder benadering der waarheid toekent.
Daartegenover staat wederom, dat het waarachtig Christelijk geloof de zekerheid omtrent de waarheid in Christus in zich zelf draagt. En wijl het weet, dat die waarheid slechts uit kracht der wedergeboorte kan worden gekend; kan het geen waardeering van waarachtig geloof schenken aan een religie, welke in haar uitingen met het geloof der Heilige Schrift, althans op fundamenteele punten, in strijd is.
De zekerheid des geloofs brengt ons eindelijk dichter bij de kwestie Gereformeerd of Doopersch. In menig opzicht staan de Gereformeerden en de Dooperschen van huis uit ver van elkander, zoodat er van vermenging moeilijk sprake kan zijn.
En het is de vraag, of datgene, wat men in de kerkelijke practijk als niet Gereformeerd maar Doopersch aanwijst, in den grond der zaak wel Doopersch is. Wij ontkennen niet, dat er in verschillende streken van ons land, Doopersche neigingen moeten worden aangetroffen. De Doopersche beweging uit de dagen der Hervorming is niet zóo maar uit den grond gestampt. Doch het gaat niet aan om b.v. het piëtisme, dat hier te lande en elders weelderig wortel schoot, zonder meer Doopersch te noemen. Evenmin kan men de mystieke verschijnselen en het mysticisme, dat waarlijk niet alleen op kerkelijk terrein, maar ook daarbuiten wordt gevonden, tot een Doopersche neiging verklaren, al vertoont ook deze laatste daarmede verwantschap.
Het valt niet te ontkennen, dat de oude Mennonieten zich onderscheidden door afzondering van de wereld en door een piëtistische vroomheid. Wij houden het er dan ook veeleer voor, dat wij de Dooperschen als een verschijnsel moeten zien, dat naast andere vormen van piëtisme en mysticisme, zijn grond heeft in een eigenaardige psychische gesteldheid, welke bovendien niet zeldzaam, kan worden genoemd. Vaak zal deze zich uiten in tegenstelling met een zekere nuchterheid, die gemakkelijk overwicht geeft aan verstandelijke redeneeringen. Want hoewel dit niet in het algemeen zoo kan worden gezegd, leert de ervaring toch, dat het piëtisme veelal afkeerig is van wat naar theologie en geleerdheid zweemt.
Vandaar, dat innerlijk licht en bevinding in piëtistischen kring op den voorgrond treden en niet zelden tot een grond des geloofs of eigenlijk tot een grond der zaligheid worden gemaakt. De persoonlijke zaligheid — en niemand zal zeggen, dat dit geen hoog belang is — staat in het centrum. En daaruit volgt weer dat de vraag omtrent de waarachtigheid en de zekerheid afhankelijk wordt gesteld van de echtheid der beviniding. Om die echtheid te waardeeren, grijpt men dan weer naar de kenmerken van bevinding, waardoor het leven van godzalige voorgangers en menschen, die men voor zoodanigen houdt, wordt onderscheiden. Daaruit volgt weer, dat men elkander zoekt, en aangezien de kring der gemeenschap door het kenmerkend bevindingsleven wordt bepaald, blijft deze gewoonlijk klein.
Wij zullen de laatsten zijn om te beweren, dat onder dezulken geen waarachtig leven zou worden gevonden. Dat zij verre. Maar wij mogen niet nalaten er op te wijzen, dat er vele zielen zijn, die door eenzelfden aanleg gedreven, maar zonder een levend geloof, het ware bij die menschen onderstellen en zoeken, hen als exempel van het ware kiezen en aan hun eigen verstand en hart overgeleverd, tot een schijnvrome onverschilligheid vervallen, omdat zij ,,er buiten liggen".
Dit kan tot heel vreemde practijken voeren. Zoo komt het voor, dat men de huiselijke godsdienstoefening en persoonlijk Schriftonderzoek — zelfs Schriftlezing — nalaat, omdat men eerst licht moet hebben en er anders toch niets van verstaat.
Daarin komt een misverstand aan den dag, hetwelk hoogst bedenkelijke gevolgen voor de opvoeding der jeugd en mitsdien ook voor het kerkelijk leven moet hebben.
Want wel heeft de Christus gezegd : tenzij een mensch wederomgeboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet gien. Maar nergens heeft Hij gezegd, dat men in zijn onbekeerlijken wandel zal volharden en in onverantwoordelijke onverschilligheid neerzitten, totdat het licht komt. Zoo hebben ook de apostelen het niet verstaan. Integendeel. Petrus vermaant : „Wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uwe harten". (2 Petrus 1 : 19).
Dit is geheel andere taal dan die dergenen, die de goddelijke dingen verdraaien en op den kop zetten. En zullen wij dan nog herinneren aan het bevel, dat ons uit Gods Woord telkens weer tegenkomt : „Zeg het uw kinderen" ? ,,De geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen", en dergelijke woorden ? Zoo wordt onder den schijn van vroomheid en onder een schijndekking der waarheid de weg der waarheid eigenwillig afgesneden. Wie tot kennis van zichzelf is gekomen voor het aangezicht Gods, en aan de genade in Christus werd ontdekt, weet, dat de Heere niet vrome menschen, maar goddeloozen rechtvaardigt in den Zoon Zijner liefde. En hij leert het verstaan, dat de eenige grond der zaligheid in dien Christus is, in Wien de Heere Zijn onuitsprekelijke barmhartigheid heeft openhaard.
Deze bevinding is zeer zeker troostvol en bevestigt de hope, die niet beschamen zal. Geen geloof zonder bevinding. En deze is wel de voornaamste altoos weer terugkeerende bevinding, dat de mensch geneigd is altijd weer zichzelf te verheffen, om het telkens weer te verliezen in den deemoed, die Gode de eere geeft. De bevinding werkt lijdzaamheid en hope, maar zij zelve ondergraaft het voetstuk der vroomheid, die er een grond der zaligheid van maakt.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's