Financiën
Postgiro 138421
Eindelijk, zoo beluister ik, al is het dan ook in verschillende toonaard — eindelijk laat de Penningmeester eens iets van zich hooren. 'k Ben niet weinig nieuwsgierig wat hij te vertellen heeft. ''tZal wel niet veel moois wezen. Toch zou de rekening u kunnen meevallen. Wij hebben hoogst zorgelijke dagen achter ons liggen. Toen de eene Jobsbode na de andere ons kondschap deed van bittere ervaringen door allen schier opgedaan, toen was er maar eene gedachte welke ons rustig stemde :
Hij, die op Gods bescherming wacht. Wordt door den hoogsten Koning Beveiligd in den duist'ren nacht Beschaduwd in Gods woning.
Zou hierop niet mogen volgen, wat de Dichter van Psalm 91 er onmiddellijk aan verbindt :
Dies noem ik God, zoo goed als groot Voor hen die op Hem bouwen Mijn burg, mijn toevlucht in den nood, Den God van mijn betrouwen.
Het geheele verloop van onze financiën dwingt ons tot deze bekentenis : ,,daar valt alles wat menschelijk overleg aangaat geheel buiten. Daarover is het wakend oog van den hoogsten Koning gegaan. Hij heeft er over gewaakt. Had het afgehangen van onze zorg, zoo ware de uitkomst geheel omgekeerd verloopen.
Wat wij met deze enkele toelichting beoogen is niet anders dan Gode de eere te geven welke Hem toekomt.
Denkt niet dat in de bange jaren, welke achter ons liggen niet menig moment zich voordeed, waarin de vreeze ons bekroop : zal niet de vijandelijke greep worden gedaan, naar wat met zooveel zorg werd vergaderd, overgeschreven op zijn naam ?
Dat wij in dezen niet alleen stonden, bleek ons uit tal van brieven van onze vele vrienden. Men meende het zelfs zeker te weten. Dat kon niet uitblijven. Onze fondsen waren van eigenaars verwisseld. Zoo waren de gedachte-lijnen gespannen.
En toch luidt de werlkelijkheid heel anders. Wij hebben nog het volle bezit van wat wij bij den aanvang van deze gruwelijke oorlogsjaren het onze mochten noemen.
Het volledige bezit.
Dat wil nog iets meer zeggen, dan in deze drie woorden ligt besloten.
Dit klimt uit boven alle onze verwachtingen. Maar nu, wat er ook noodzakelijk op moet volgen. Het is mij niet wel mogelijk hierachter onmiddellijk een punt te plaatsen.
Bij niet weinige van onze lezers komt lichtelijk een gedachte om het hoekje gluren : gij zijt er dus als Penningmeester niet slechter op geworden. Uw kas is nogal ruim voorzien. Ik heb zoo'n stil vermoeden, dat er in de laatste maanden van het pas verloopen jaar nog wel eens een bizondere gift is ingekomen. Toen fladderden van alle kanten de briefjes van honderd. Gij zult er ok wel uw aandeel van gekregen hebben. Wij behoeven geen namen te noemen van corporaties, die alle gaatjes zagen volloopen. Natuurlijk behooren uw fondsen daar ook bij.
Gij noemt daarbij het woord ,,natuurlijk". Laat mij u daarop dadelijk van repliek diienen. Natuurlijk vallen de fondsen van onzen Gereformeerden Bond hier geheel buiten. Wij kregen, vanwege het bizondere karakter dat door onzen Bond werd ingenomen, geen cent. Nu heeft ook deze simpele toelichting geen andere bedoeling dan verkeerde veronderstellingen bij den wortel af te snijden. Onze inkomsten hebben in deze schrikkelijike jaren geducht geleden. Onze inkomende posten zijn vaak benauwend klein geweest. Er deden zich maanden voor, dat wij niets hadden te boeken. Iets, wat nooit voorkwam, was nu bezig regel te worden. Inkomsten weinige en daarbij klein in omvang.
Zou dit de sluitsom moeten worden ?
Neen hoor. Dat zou een scheeve voorstelling geven. Weet ge, hoe wij toch tot een andere conclusie mogen komen ?
Let nu op : Als de inkomsten verminderen, en ge gaat daarnaar niet de uitgaven regelen, zoo loopt de zaak vast.
Ziet, dat is wel gedaan. Niet door ons, niet door een besluit van het Hoofdbestuur ; neen, door wat de uitgaven ons elke maand lieten zien. Er waren zoo goed als geen studeerende jaargangen meer. Onze uitgaven bleven nog beneden onze inkomsten. Met andere woorden : wij hebben geen vreeze voor de toekomst : als God maar met ons is, gelijk Zijn bijstand ons tot nu nooit heeft begeven. Vandaar ons slotwoord, ontleend aan denzelfden Psalm :
Ik steun op God, mijn Toeverlaat, Dies heb ik niets te vreezen. Wie God vertrouwt, dien deert geen kwaad ; Uw tent zal veilig wezen.
Utrecht. Postgiro 138421.
P.S. Men zou mij een zeer groot genoegen doen, door de gelden, bestemd voor de fondsen van den Gereformeerden Bond, niet op mijn persoonlijke Giro te plaatsen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's