De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De opdracht der Kerk en haar belijdenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De opdracht der Kerk en haar belijdenis

9 minuten leestijd

REFERAAT GEHOUDEN OP DE JAAR VERGADERING VAN DEN GEREF. BOND 1943

1.

Handelen uit de opdracht der Kerk of leven uit haar belijdenis ? zoo luidt de titel van het jongste geschrift van Prof. Haitjema. Hij stelt die vraag als een tweeledige, omdat zij door sommigen zoo schijnt te worden gesteld en vindt daarin terecht aanleiding om aan te toonen, dat hier slechts een schijnbare tegenstelling is. Hier is geen óf-óf, maar het gaat om een en dezelfde zaak.

Intusschen is deze aangelegenheid zoo actueel, dat wij het thema : de opdracht der kerk en, haar belijdenis gaarne overnemen en tot uitgangspunt kiezen voor enkele beschouwingen ten aanzien van de kerkelijke vragen, die onze aandacht hebben. Wij zeiden : handelen uit de opdracht der kerk en leven uit haar belijdenis is een en hetzelfde. Het handelen uit de opdracht begint met getuigen en daarom met belijden. Belijden is de eerste openbaring der kerk, gelijk ook het bevel des Heeren klinkt: „Predikt het Evangelie, onderwijst alle volken, maakt hen tot discipelen". Prediken, wat is dat anders dan getuigen ? En waar het Woord wortel schiet, daar spruit het uit in belijden door woord en daad. Ook in dit belijden gaat de vervulling van de opdracht voort als een vrucht van het levend geloof.

Wie van de opdracht der Kerk spreekt, is reeds aan het belijden. Prof. Kraemer spreekt in zijn : „De nood der Kerk" van een „herontdekking" der kerk. Daarin ligt een belijdenis omtrent de ikerk, als een werkelijkheid, die er is, ook als wij die niet zien. Zij kan ontdekt en herontdekt worden. Wij denken aan de apostolische geloofsbelijdenis : „Ik geloof een, heilige, algemeene, Christelijke kerk" en aan de opmerking van Calvijn aangaande de kerk als voorwerp des geloofs. Het kan zoo zijn, dat er geen onderscheiding is tusschen de kinderen Gods en de wereld. Nochtans gelooven wij, dat God Zijn kerk in stand houdt. Hij wijst op de dagen van Elia. (Inst. IV, 1.1).

Die kerk kan alzoo ontdekt worden door het geloof, en waar zou zij dan anders ontdekt worden dan in de Heilige Schrift ? Daar ontdekken wij de kerk des Heeren en hoe zij in de wereld tot openbaring komt. Alleen het geloof kan tot de ontstellende ontdekking komen, dat de vergadering, die zich op aarde als kerk aandient, haar roeping verzaakt, omdat 't aangaande de kerk en haar openbaring uit Gods Woord wordt onderricht. Als Hilkia de Wet voorbrengt, ontdekt Josia, hoezeer zij werd verzaakt. En zoo is het ook met de opdracht der kerk. Er is reden om zich te verheugen in den roep, die ons herinnert aan de opdracht, opdat wij ons zullen bezinnen op het wezen der kerk. En wij mogen dankbaar zijn, dat hij weerklank vindt en tot bezinning leidt. De herontdekking der kerk moge in ons allen ontsteltenis wekken en ons allen schuldig stellen. Want als wij over de kerk spreken, raakt het allen, die bij de kerk zijn : Wij en onze vaderen hebben gezondigd. Wij zijn de kerk, die bij de kerk zijn, die door geboorte in de kerk gezet zijn, niet door menschen, maar door Hem, die ons het leven schenkt.

Herontdekking der kerk, dat is ook herontdekking van haar roeping en opdracht. Daarin is reeds belijden en niet alleen belijden van de leer der Schriften aangaande de kerk, maar ook een belijden van gemeenschap met de kerk in het verleden. Wie van een opnieuw ontdekken gewaagt, heeft ook gevonden, dat hij niet de eerste is, maar dat anderen hem voor zijn geweest. En zoo zeker het is, dat alleen de kerk de kerk kan ontdekken, zoo zeker wordt door herontdekking uitgedrukt, dat de afgedoolde kerk van heden in het verleden aan haar wezen en roeping is ontdekt geweest.

Hoe kan men dat weten ? Toch niet anders dan uit het belijden dier kerk in het verleden. Alleen daaruit kan men verstaan, dat zij van zich zelf getuigd heeft, zooals de Schrift van de kerk getuigt. Dat ligt trouwens reeds in de ontdekking der kerk gegeven, omdat zij de eene heilige algemeene is : Eén geloof, één doop, één Heere.

Opzettelijk gebruikten wij het woord : de leer der Schriften. De opdracht der kerk brengt ons bij de leer der apostelen en profeten. Het woord : leer, heeft bij velen geen goede reuk. Het staat in het teeken van dufheid, een magazijn van versleten goederen. „Niet de leer, maar de Heer", is een uitdrukking, die nog opgeld doet. Het misverstand, dat daarin schuilt, en de afkeer daardoor gewekt, kan ons slechts aansporen om met te meer nadruk er op te wijzen, dat het bevel des Heeren spreekt van onderwijzen, d.i. discipelen of leerlingen maken.

De eerste opdracht der kerk stelt een onderwijzende taak en bijgevolg een leer. Zij is een leeropdracht, een profetische taak, waarin onderwijs en opvoeding verbonden zijn : leerende hen onderhouden, al wat Ik u geboden heb. Woord en daad, leer en leven, liggen in de opdracht der kerik innerlijk verknocht, zoodat ook alles , wat met deze opdracht samenhangt, niet zal kunnen volbracht zonder betrachting der goddelijke leer.

Wij zouden geen bezwaar maken, indien de afkeer van de leer tegen een dood dogmatisme of leerheiligheid was gericht, of ook tegen menschelijke leerstellingen en inzettingen, wamt de waarheid Gods gaat boven alles. De kerk echter kan zonder belijden en belijdenis niet zijn. Dat volgt, zooals werd aangetoond, uit de opdracht der kerk.

De opdracht der kerk, herontdekking der kerk, — deze uitdrukkingen brengen ons in de eerste en voornaamste plaats bij de kerk, dat is die merkwaardige gemeenschap op aarde, welke geroepen is openbaring te zijn van het lichaam van Christus. Zij bepalen ons tegelijk bij een zichtbare vergadering op aarde en een onzichtbare geestelijke werkelijkheid, de gemeente des Heeren. Niemand kan over de zichtbare kerk spreken of hij handelt ook over de onzichtbare en omgekeerd.

Wie kerk zegt, zegt openbaring, en wie over haar opdracht spreekt, ving reeds aan te belijden en wordt door die opdracht aan het belijden gehouden. Hij staat onder de opdracht en geroepen tot dienstbaarheid aan den Heere der kerk.

Spreken wij nu over de kerk en haar belijdenis, dan is dat even bepaald als onbepaald, omdat wij nog niet aan een kerk denken, die wij als onze kerk nader aanduiden, en met haar belijdenis nog niet zekere vastgestelde formulieren op liet oog hebben.

Wij gaan dus uit van de kerk, waarop het geloof ziet. Deze kerk staat op het fundament der apostelen en profeten. Zij is nimmer zonder Gods Woord geweest, ook al had dit niet in alle tijden denzelfden omvang van liet Oude en Nieuwe Testament. De oudste kerk had slechts de paradijs-openbaring in het z.g.n. prot-evangelie. (Gen. 3 : 15). Haar belijden kon niet meer omvatten dan haar van Godswege was geopenbaard. En naarmate het profetische Woord is toegenomen, kon ook het belijden der kerk in aansluiting daarop meerdere klaarheid omtrent den centralen inhoud des geloofs erlangen. Die centrale inhoud echter is en blijft dezelfde : het evangelie der genade in den Christus der belofte. De kerk belijdt uit het profetische Woord en haar belijdenis is in den grond der zaak getuigenis van zijn waarheid door de inspireerende kracht van dat Woord, omdat het Gods Woord is.

Het belijden der kerk is geen zaak van dood intellectualisme, geen resultaat van onderzoek uitgaande van een z.g. waarheidsvraag. Het is een vrucht van den Heiligen Geest, die Gods Woord verzegelt. Dat Woord is niet alleen geïnspireerd, maar het doet ook inspireerende kracht uitgaan tot innerlijke overreding en geloof. En het geloof kan niet nalaten te spreken. Waar nu de kerk in het geloof en door het geloof openbaar wordt, gaat zij spreken en belijden. Zij begint haar leven te openbaren en haar roeping te vervullen in de onderhouding wan hetgeen zij geleerd heeft, in haar getuigenis en onderwijzing, in haar uitgang tot een wereld, die in duisternis wandelt. Zoo is het dus niet mogelijk scheiding te maken tusschen twee zaken, die zoo innerlijk verbonden zijn als belijden en beleven, leven uit het geloof en handelen uit de opdracht der kerk. Bepalen wij ons nog een oogenblik bij het belijden der kerk en vragen wij : Wat spreekt zij dan, wat heeft zij gesproken en wat zal zij spreuken ?

Zooals reeds gezegd : Haar belijdenis is altijd weer dezelfde, omdat het geloof der kerk een en hetzelfde geloof is in alle eeuwen en aan alle plaatsen, waar de kerk spreekt. Eén geloof, één doop, êén Heere. Zij belijdt gelijk zij geleerd heeft, zij belijdt* den Christus, zooals Hij zich geopenbaard heeft.

De Oud-Testamentische kerk leefde uit den Christus, die komen zou, en de belijdenis der Nieuw-Testamentische kerk sluit zich onmiddellijik aan bij de prediking der apostelen : Jezus is de Christus. Dit is het typisch apostolische thema : zooals blijkt uit de Pinksterrede van Petrus, uit de prediking van den apostel Paulus, (Hand. 13), uit die van Stefanus. Deze prediking gaat uit van het profetische Woord, van den Christus der profetie en grijpt op dien Jezus, dien de Joden gekruisigd hebben, getuigende, dat Hij de Christus is.

In dit thema ligt het hartvan de belijdenis der kerk: Jezus is de Christus, d.w.z. die Jezus, welke ons in de evangeliën wordt voorgesteld, is de Christus der profetie, in Wien alle beloften Gods vervuld zijn. Hij is de Beloofde, het zaad Davids, het vleeschgeworden Woord, de Zaligmaker.

Wie de prediking der apostelen volgt, zal erkennen, dat in deze belijdenis ook die der heilsfeiten begrepen is. Zij prediken den Christus, van Wien Petrus sprak : Jezus den Nazarener, een man van God onder ulieden betoond door krachten en wonderen en teekenen, die God door Hem gedaan heeft in het midden van u, gelijk ook gijzelve weet : dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood : welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoo het niet mogelijk was dat Hij van denzelven dood zoude gehouden worden" (Hand. 2 : 22 vv.).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De opdracht der Kerk en haar belijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's