De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Een zorgend God

8 minuten leestijd

Vernedert u onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhooge te zijner tijd. Werpt al uwe bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u. 1 Petrus 5 vs. 6 en 7.

Het waren zeer ernstige, veelbewogen tijden, die de Kerk van Christus in de dagen van den apostel Johannes doorleefde. Telkens komt de waarschuwing, om de wereld toch niet lief te hebben. Aan den strijd tegen den booze wordt zij herinnerd. Johannes spreekt zelfs van den antichrist, want wij lezen : Kinderkens, het is de laatste ure, en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zoo zijn ook nu vele antichristen gekomen, waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is. En zou dit woord ook nu in, onze, donkere, veelbewogen dagen niet veel te zeggen hebben ? De antichristelijke macht, die hoe langer hoe meer doordringt en grootere afmetingen aanneemt, openbaart zich in dezen tijd. Er is in den nood onzer dagen maar één weg ter ontkoming: "Tot de wet en tot de getuigenis". Ons volk moet wederkeeren tot den Heere, die verlaten is. Wat afvalt van den hoogen God, moet vallen, doch wat naar Hem vraagt en naar Hem alléén, vindt het leven. Het is een zeer dringende vermaning, waarmede de apostel Petrus tot de gemeente komt: Vernedert u onder de krachtige hand Gods. Wat wordt hier met die krachtige hand Gods bedoeld ? Zou dit niet de bedoeling zijn : „de openbaring van 's Heeren liefde, doch ook van Zijn heiligen toorn" ?

In de eerste plaats van Zijn liefde, in al de gunstbewijzen, zoowel van tijdelijken, alsook van geestelijken aard. Tijdelijk zijn de gunstbewijzen zoovele. lederen dag weer bij vernieuwing komt de Heere ons tegen met Zijn weldaden. Hij bewijst, dat in Hem ook de bron van allen natuurlijïien zegen ligt. Hij brengt redding uit den stoffelijken nood. Hij laat het ondervinden.

Waar Gij uw voetstap zet. Daar doet Gij 't al ten zegen dijen, Daar druipt het al van 't vet.

En geestelijk. Wel is het niet groot, als de Heere met Zijn krachtige hand de touwen en koorden komt los te maken en de ziel uitrukt uit het modderig slijk der zonde en ongerechtigheid. En ook na ontvangene genade nog gedurig een tafel komt toe te richten voor hongerige en dorstige zielen, teneinde zich in Hem te verkwikken en met Zijn vleesch en bloed verzadigd te worden.

Doch, met die krachtige hand wordt ook gezien op het lijden, dat de Heere over de Zijnen brengt, terwille van hunne zonden. De mensch van nature verzet er zich tegen met alle macht. Wat deinzen wij niet terug voor het lichamelijke lijden. Job zegt: Heeft niet de mensch een strijd op aarde, en zijn zijne dagen niet als de dagen eens daglooners ? Hoevelen gaan juist in onze dagen gebukt onder de zorgen der wereld. Wat is de strijd om het bestaan zwaar. Wat zal de toekomst ons brengen? Zullen wij aan de machten van het ongeloof overgeleverd worden? Wat kan die machtige hand Gods ons drukken.

Uie krachtige hand spreekt ons niet alleen van de almacht des Heeren, die ons ontneemt, wat wij niet missen willen, doch deze wijst ons ook op de almacht des Heeren, die voor de slaande hand doet nedervallen, zoodat wij moeten uitroepen : „Hij straft ons, doch naar onze zonden niet".

En nu zegt Petrus hier : „Vernedert u onder de krachtige hand Gods". Weet ge, wat hiermee bedoeld wordt ? Gods recht in den tegenspoed erkennen. Wat wordt dit weinig gevonden. De mensch meent, als het hem gansch en al niet naar den zin gaat, , dat hem het grootste onrecht wordt aangedaan. Hij meent op alles recht en aanspraak te hebben en vandaar al die klaagtonen, die gedurig opstijgen. Doch wanneer die krachtige hand Gods de ziel komt te bewerken, zóodat deze zich vernederen mag onder de tuchtroede des Heeren, dan kust hij de roede, dan erkent hij Zijn lankmoedigheid nog in de toediening der straf. Dan is het loutere goedheid, die gansche weg, die met hem gehouden wordt.

Welnu, in de zelfvernedering onder de krachtige hand des Heeren zegt de geslagene ziel: Heere, het kan niet anders, het mag niet anders. Want als de Heere Zijn volk komt te leeren zich te vernederen, dan breekt Hij alle hoogten af en werpt ze neer, en als de Heere hen door Zijn machtige hand daar gebracht heeft, dat zij zichzelf vernederen, zoodat zij ontbloot worden tot de fundamenten toe, leert Hij hen hooge waarde stellen in de borggerechtigheid van Christus. Doch wanneer die vermaning betracht wordt, dan volgt daarop een rijke belofte : „Opdat Hij u verhooge te Zijner tijd".

En waarin bestaat die verhooging ? Wel, dat de vrijmachtige God, die niets of niemand van noode heeft, alsof Hij iets zou behoeven, redenen uit Zichzelf neemt en in Zijn nederbuigende goedheid Zich komt te wenden tot zulk een, die zich heeft leeren kennen als de grootste der zondaren en die van nature een slavenkind was, komt te maken tot een Koningskind. En wanneer zal die verhooging plaats vinden ? Wel, immers te Zijner tijd. En nu kan de tijd wel eens uitblijven.. Nu toeft de Heere wel eens. Het is te Zijner tijd, als de Heere zich bij den een in de jeugd bij den ander in den grijzen ouderdom, als de allesoverwinnende God van Israël openbaart en doet bukken onder de krachtige hand des Heeren. Het is te Zijner tijd, dat de Heere zegt: „Ik doe het niet om uwentwil, doch alleen om Mijns en Mijns grooten Naams wil". Dan, als de Heere de ziel komt te verhoogen, zinkt de ziel er onder weg en één uur zich in den Heere te verlustigen, daarin ligt meer blijdschap dan in hetgeen de wereld komt aan te bieden. En nu zien wij verder met welk een zorgend God de Kerk te doen heeft. Hoor maar, hoe Petrus het uitroept: „Werpt al uwe bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u".

Wat of dit beteekent, dit werpen der nooden op den Heere ? Sommigen meenen, dat dit de beteekenis is : den Heere aan te loopen in het gebed en alle nooden en bekommernissen den Heere voor te dragen. En, o zeker, nu is dit niet buitengesloten, doch het gaat nog verder. Het wil zeggen, dat men met alle moeite en jammer zich aan den Heere overgeeft, dat men zich sterkt in den Heere. En met welk een aandrang wordt dit gezegd : Werpt al uwe bekommernissen op Hem. Welnu, al die bekommernissen kunnen wij samenvatten in het woord van den dichter :

Duizend zorgen, duizend dooden. Kwellen mijn angstvallig hart.

En nu kan het wel eens schijnen, alsof alls dingen tegen zijn en de weg hoe langer hoe moeilijker wordt. Doch vergeet het niet: de Heere weet het, waarom Hij het doet. Het mes moet bij den een wel eens dieper in de wonde gezet worden als bij den ander. Toch zal het einde wezen :

Gij hebt mijn bang geschrei Veranderd in een blijde rei.

Want zoó zegt Petrus: Hij zorgt voor u. In het tijdelijke, maakt Hij het wel, ,,zoodat men zich wel eens weg moet schamen, dat men zulke ongoedertierene gedachten van den Heere gekoesterd heeft. Maar ook in den weg des geestelijken levens zorgt Hij voor al Zijn volk. Als de weg gaat door de woestijn des levens, door de barre zandwoestijn, dan komt Hij als een zorgend God nog Elim en palmboomen te beschikken, waar zij verkwikt worden. Het manna des hemels laat Hij nederdalen, het water doet Hij uit den rotssteen des heils te voorschijn treden. Hij zorgt voor hen als die God, die niet moede en mat wordt om de Zijnen te ondersteunen. Hij zorgt voor hen, als straks de ure des doods daar is ; dan zal het wezen, dat Hij de Zijnen door den doodsjordaan zal leiden, om altoos met den Heere te zijn.

Hebt gij reeds eenige kennis aan dit volkomen vertrouwend overgeven aan, den Heere ? Gij zijt misschien niet onbekommerd geweest, wat uw aardsche belangen betreft. Maar zijt gij wel eens bekommerd geweest over deze ééne vraag: Hoe zal ik eenmaal rechtvaardig voor God kunnen bestaan ? Dat deze vraag u maar uitdrijven mag tot den Heere, opdat gij ervaren moogt:

0p uw noodgeschrei Deed Ik groote wond'ren.

En weet gij te spreken van die zorg des Heeren, hoe de Heere uit loutere genade redenen uit zichzelf heeft genomen ? Veel kan u drukken; de zorgen nemen toe. Toch geen nood. Als gij al uwe bekommernissen op Hem moogt werpen, dan zult gij het ervaren : „Hij zal het maken". Laat de nacht van bekommernissen wel eens lang duren, God volk gaat den morgen der verlossing tegen ! Want aldaar zal geen nacht zijn.

(Rijssen)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's