De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gereformeerd of Doopersch

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gereformeerd of Doopersch

7 minuten leestijd

Augustinus of Pelagius

Reeds in de Middeleeuwsche kerk verwekten de tegenstellingen tusschen Augustinus en Pelagius een heftigen strijd. Augustinus loochende terecht de macht van den natuurlijken mensch tot eenig goed. Hij kwam op voor de rechtvaardigmaking door het geloof alleen, zoo klaar en duidelijk als voor de Hervormers nog geen uitlegger van de brieven van Paulus dat had gedaan.

Daarentegen loochende Pelagius de erfzonde. Hij leerde een vrijen wil van den mensch in dien zin, dat hij van nature in staat was al of niet zondeloos te leven. De menschelijke rede is bekwaam tot Godskennis en zedelijk leven.

En hoewel het Pelagianisme werd veroordeeld, dit beteekende echter niet, dat Augustinus' leer werd aanvaard. Het Pelagianisme is eigenlijk nooit verdwenen. Het leeft door alle eeuwen heen voort. Ook in onzen tijd. Alle tegenstanders der praedestinatie zijn er mede behept. Ook de strijd die op de Dordtsche Synode van 1618/19 werd beslist, was een strijd tusschen het Augustinisme der reformatoren — om het zoo eens uit te drukken — en de moderne Pelegianen. Daarom ging het weer over de praedestinatie en den vrijen wil. De rechtvaardigmaking door het geloof alleen kwam in het gedrang. De leer van den vrijen wil brengt immers altijd weer de verdienstelijke werken en werkheiligheid met zich mede.

Op Pelagiaansch standpunt is de zaligheid een vrucht der genade Gods en der verdienstelijke werken tezamen. Daarom spreekt men van synergisme (samenwerking). De gereformeerde belijdenis is altoos opgekomen voor de leer der praedestinatie, de rechtvaardigmaking door het geloof alleen, als een genadedaad Gods naar het voornemen van Zijn wil. En alles wat naar een saamwerking van God en mensch, naar verdienstelijkheid van 's menschen werken en werkheilighéid zweemde, heeft zij afgewezen.

Daarentegen vallen de tegenstanders der gereformeerde religie altijd weer over de leer der praedestinatie en stooten zich aan de uitverkiezende genade Gods. Het ligt dan voor de hand, dat zij in het gezelschap van Pelagius worden gevonden en den mensch meer toeschrijven in de geestelijke dingen dan hem volgens Gods Woord toekomt.

Zooals wij reeds opmerkten, blijven die tegenstellingen voortleven, zooals een nadere beschouwing van de kerkelijke twisten kan aantoonen.

Het is echter niet onze bedoeling om de kerkelijke twistgedingen in de historie te volgen en tot zulk een bewijs aan te voeren. Doch wel meenen wij, dat ook de verschijnselen, die als Doopersch worden aangeduid, met deze tegenstelling direct verband houden. De reformatie legde, zooals wij reeds eerder hebben opgemerkt, den nadruk op de persoonlijke verkondiging. Het persoonlijk geloof trad op den voorgrond. Ik geloof, wat de kerk gelooft, kreeg een geheel ander accent. Roomsch en Protestant kan belijden : ik geloof wat de kerk gelooft, maar dan is dat nog niet hetzelfde. De Roomsche neemt het onfeilbaar geloof der kerk in uitwendigen zin. Hij houdt haar leer voor de alleen goede en volkomene en zonder zich daarvan in alle deelen rekenschap te geven, belijdt hij : ik geloof, wat de kerk gelooft. Wat en hoe dat is, weet de alleen-zaligmakende Moederkerk, die over hem waakt.

De Protestant ziet op het onfeilbaar geloof als geestelijke grootheid en op de kerk als 't geestelijk lichaam des Heeren. Doch als hij zegt: ik geloof, dan doelt hij op den geestelijken inhoud van zijn persoonlijk geloof en in de overtuiging van zijn overeenstemming met het geloof der kerk en de gemeenschap der heiligen. De kerk geeft in haar belijdenis getuigenis van haar geloof en de geloovige getuigt met haar, naarmate hij uit hetzelfde geloof leeft. Het waarachtig geloof toch is een persoonlijke en levende relatie met Christus en de dingen, die des Geestes Gods zijn.

Wat is nu het geval ?

Alle leden der kerkelijke gemeenschap staan echter niet in het levend geloof der kerk, en voor zoover zij dit deelachtig zijn, zijn zij in de dingen des geloofs niet gelijkelijk voortgeschreden. Er zijn er ook, die door opvoeding en onderwijs geleerd, het geloof der kerk uit gehoorzaamheid en verstandelijk aanvaarden. Wij bedoelen niet scheiding te maken tusschen ware Christenen en hypocrieten in de kerk, maar beperken ons tot de onderscheiding. Wij kunnen en mogen de scheiding niet maken, want het oordeel is ons niet gegeven, maar de onderscheiding kunnen wij niet nalaten. Schrift en belijdenis gaan ons daarin voor. Er is ook trouwens voor ons menschen geen onderscheid tusschen waar en valsch geloof, zooveel kunnen die op elkander gelijken. Zoo past ons een oordeel der liefde jegens degenen, die in leer en leven met de goede belijdenis overeenkomen. Maar nu het verstandelijk geloof.

Ook daarin zijn trappen en onderscheidingen. Hoever gaat het verstandelijk geloof ? En hoeveel waarachtig geloof kan met een verstandelijk belijden gepaard gaan, zonder nog de zaligmakende genade van Christus te kennen?

Wij kunnen al deze werkingen des geloofs niet wegen en meten. Wel moet worden aangenomen, dat iemand, hoewel hij de voornaamste stukken der leer en den hoofdinhoud des Bijbels van huis uit en door het onderricht der kerk kent, zich bij de kerk voegt, omdat hij er bij behoort, zelfs prijs stelt op de orthodoxe prediking en vasthoudt aan de traditie, terwijl hij van den weg der zaligheid alleen van hooren zeggen afweet. Hij zal ook kunnen zeggen : ik geloof, wat de kerk gelooft, al drukt hij zich wellicht wat anders uit: ik houd mij bij de leer der vaderen, of iets van dien aard.

Zoolang het geen levende zaak voor hem is, berust die houding op een of ander uitwendig gezag, mogelijk het gezag der in zijn omgeving heerschende traditie, mogelijk op gezag van menschen, die hij voor godzalige menschen houdt. Hij verschilt daarin dus niet bijster veel van den Roomschen belijder, of het moest zijn, dat hij minder vertrouwen op en daarom ook minder behoefte heeft aan de beschermende vleugelen der zaligmakende kerk, omdat hij daarvoor weer te veel Protestant is.

Dat protestant zijn gaat evenwel nog verder, kan althans nog verder gaan, want er is ook een protestantisme, dat de kerk voor een heilsinstituut houdt. Luther noemde de kerk een ziekenhuis.

En het protestantisme gaat verder, wanneer men vasthoudt aan den eisch van persoonlijk geloof en persoonlijk deelgenootschap aan de genadegiften Gods in Christus Jezus geschonken.

En nu kan, wat men noemt de Doopersche neiging, naar voren komen. Persoonlijk geloof, dat beteekent immers innerlijk licht, wedergeboren zijn door den Heiligen Geest, bekeerd zijn, tot het volk behooren, uitverkoren zijn.

Het mag alles zoo zijn, maar als men dat nu mist en niet kan getuigen, zooals die menschen, of zooals men het soms uitdrukt die ,,goeie" menschen, wat dan ? Bidden kan men niet, want wat beteekent het gebed van een „dood" mensch ? Een verstandelijk gebed zonder geloof. Staat er niet: dat het gebed des rechtvaardigen veel vermag?

Zoo komt men in een moeilijk parket. Dan toch vasthouden aan de zuivere leer, voor zoover men die kent. En dan valt het accent op de verkiezende genade. Men moet uitverkoren zijn.

Het geloof is een gave Gods. Het is Gods werk en geen menschenwerk. Vooral geen werkheiligheid. Geen pelagianisme. De mensch is een verloren schepsel. Zoo staat men aan den kant der praedestinatie en tegen het pelaganianisme, vaak met een gelatenheid, die aan de bekende uitdrukking „stokken en blokken" herinnert en de faam eener „doode orthodoxie" verbreidt.

Intusschen kan men soms ontdekken, dat die orthodoxie niet zoo dood is, als men onderstelt; maar dat zij het zoekt bij de vrome menschen en zich naar hun bevinding afmeet en richt, omdat zij geacht worden het te hebben, wat zij zelf missen.

En niemand zal ontkennen, dat hier een bron ligt van vele dwalingen, een mengeling van waarheid en droomen, van geloof en bijgeloof, omdat men aan de tucht des Woords is ontwend.

Op dezen akker schiet tusschen de tarwe menig onkruid op, dat zijn wortel heeft in de volksziel en en velerlei ketterijen en wangestalten voortbrengt.

Het gaat dus niet over een doode orthodoxie, want orthodoxie is nooit dood. Zij wordt alleen zoo genoemd door degenen, die er het leven niet in kunnen ontdekken. Maar de zooeven geteekende geestesrichting valt niet meer onder de orthodoxie Zij teekent een vorm van niet-orthodoxie, met een vreemd woord de heterodoxie. En ook deze is niet dood, maar een voortdurende bedreiging van de zuivere leer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Gereformeerd of Doopersch

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's