Gereformeerd of Doopersch
Augustinus of Pelagius
Aan de andere zijde, kan zich aan een verstandelijk belijden der uitverkiezende genade een werkheiligheid verbinden, die door en door pelagiaansch is. Ook dat komt voor. Men erkent wel, dat een mensch dood is in zonde en misdaden, maar men leeft als een monnik — zij het dan niet in een klooster — dan toch ten opzichte van verschillende geboden van Sclirift en traditie. Mogelijk, dat men dit een dood pelagianisme zou willen noemen en wellicht is het ook niet zoo dood, als men het op den keper beschouwt, maar het is er.
Dit soort pelagianisme schijnt een ontaarding van den puriteinschen geest. Het geloof toch wordt openbaar in de werken des geloofs. En dit omvat niet alleen de werkzaamheid in het gemoed, waaronder vooral het gebedsleven, want zij treedt ook naar buiten. Zij zoekt de gehoorzaamheid aan Gods geboden en neemt vaak een wettisch karakter aan. Het geloof schrijft den mensch echter geenerlei verdienste toe. Het betracht de gehoorzaamheid ook niet om zich voor God te rechtvaardigen, maar omdat 't de eere Gods zoekt. Met Pelagianisme heeft dit niets uit te staan. De puritein wordt gedreven door een nauwgezetheid, die streeft naar een leven uit de Schrift en bij de Schrift. Weliswaar wordt de puritein bedreigd door geestelijke hoogmoed en gerechtigheid en staat hij ook na aan het piëtisme, doch de waarachtige technische vroomheid is op zichzelf een eerbiedwaardige levensopenbaring, welke het Christendom onderscheiden van de wereld en oprechte navolging neemt.
De eigenlijke drang van het puriteinsche leven is de strijd tegen wereldgelijkvormigheid in eigen hart en in heel zijn levensopvatting, zoowel met betrekking tot het huisgezin, als in het openbare leven. De huiselijke godsdienstoefening wordt in eere gehouden. Dansen en wereldsche spelen worden geweerd uit den huiselijken kring en daarbuiten vermeden en bestreden. Eenvoud en degelijkheid zijn kenmerken van het puritanisme. Eenvoud in kleeding. Geen overbodige sieraden, maar eenvoudig en sober, zonder de deugdzaamheid uit het oog te verliezen. Ook is spaarzaamheid een kenmerk van den puritein, hetwelk hem — soms niet ten onrechte — als gierigheid wordt aangewreven.
Helaas kan de puriteinsche vroomheid ook tot een vorm worden, waaraan de levende drang des geloofs ontbreekt. Zulk een uitgehold puritanisme nu mist de eerbied afdwingende echtheid en kracht en loopt gevaar naar een vormendienst af te glijden, die een ijdelen steun biedt aan het pelagiaansche hart. Het wordt werkheiligheid en deze openbaart zich onbetwistbaar in de geestelooze twistvragen omtrent het al of niet geoorloofd zijn van dit of dat te mogen doen. Niets meer van de geloofskracht, die staat in de vrijheid van Christus. Zulk een vormendienst herinnert in alle opzichten aan het beeld van den Pharizeër, dat ons door de Heilige Schrift wordt geteekend, en die zoo menig bestraffend woord uit den mond des Heeren ontving.
In deze ontaarding van de puriteinsche leefwijze ontstaan de vragen, die velen tot een juk worden en zelfs tot allerlei dwaasheden aanleiding kunnen geven, die anderen tot een steen des aanstoots en tot ergernis zijn. Het een zoowel als het ander ten koste van de waarheid.
Het lust ons niet daarvan voorbeelden aan te voeren, hoewel zij voor de hand liggen. Wie kent ze niet? Enkele nog altijd actuëele kwestiën moeten echter worden aangeroerd, als het rijden en reizen op Zondag, e.d.g. Oud gebruik rechtvaardigt vrijwel algemeen, dat de afgelegen dorpsgenoot met zijn wagen des Zondags naar de kerk rijdt. Het rijwiel heeft in menige plaats het welnemen der traditie geërfd, doch niet zonder bezwaar. De auto bleek reeds vóór den oorlog een welkome vervanger van paard en rijtuig om den predikant naar de vacature te brengen
Openbare vervoermiddelen zijn nog steeds belast en dit vindt waarschijnlijk zijn logischen grond in de overweging, dat naar den eisch het openbaar vervoer op den rustdag behoorde stil te staan en dat ieder ernstig Christen zich onthoudt van buiten strikten noodzaak op den Zondag te reizen.
Doch er zijn er veel meer en neteliger ook. Mag men een gouden ring dragen? De trouwring heeft, dank zij zijn symbolischen zin, een recht boven het sieraad en deelt dat eenigermate met het bruidstoilet. Maar overigens staan de sieradiën niet in goeden reuk. En dat heeft zijn oorzaak. Het meest typeerend en daarom sprekend bewijs, dat hier reëele geestelijke overwegingen in het geding zijn, ligt wel daarin, dat men zich zal wachten om zich met sieradiën op te smukken, als men ten Avondmaal gaat. Men gevoelt, dat dit onvoegzaam is en in strijd met de heiligheid der zaak.
Geen sieraad of gewaad kan ons zondig bestaan voor God bedekken, Wien alle dingen naakt en geopend zijn, en het wordt al voor Zijn heilig aangezicht tot ijdelheid. Daarin ligt de diepste grond van den puriteinschen eenvoud en deze is ernstig genoeg om ter harte te worden genomen. Men wachte zich echter voor een eigengerechtigheid, welke onder den schijn van eenvoudigheid zich zelf verheft boven zijn naaste, die door zich op te schikken, openlijk uiting geeft aan zijn ijdel gemoed. Ook de uitwendige eenvoud kan een bedeksel van inwenidigen hoogmoed zijn. Het hart van den mensch is arglistig. Men zegt wel, dat eenvoud een kenmerk is van het ware, maar juist daarom kan de eenvoud worden aangegrepen om den schijn te dekken en zijn ware gestalte te verbergen. De puritein en de pharizeër kunnen in één mensch samenhuizen en met elkander over hoop liggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's