De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gemeente-op bouw

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gemeente-op bouw

9 minuten leestijd

in de Classicale Vergadering

Volgens bericht van het Weekblad dd. 6 Febr. j.l., is het de wensch geweest van de werkgroep Kerk en Gemeenteopbouw om een zevental vragen in de Classicale Vergaderingen besproken te zien.

Intusschen heeft die vergadering plaats gevonden. (13 Febr. j.l.). En de kerkeraden hebben eigenlijk geen gelegenheid gehad om zich grondig rekenschap te geven van de gestelde vragen. Maar het begin is er. Gemeenteopbouw komt in de kerk. De kerkeraden kunnen aan het woord komen over de verschillende vraagpunten. Gemeenteopbouw is toch in de eerste plaats een zaak van de kerkeraden.

Ook „de Gereformeerde Kerk" van 14 Febr. j.l. wijst er op, dat het eigenlijk abnormaal is, dat er in de kerk een opzettelijke bijzondere beweging voor gemeenteopbouw werkzaam is". „De ambtsdragers zijn immers aan de gemeente gegeven „ „tot den opbouw des lichaams van Christus", voegt zij er aan toe.

Wij hebben ook reeds een en ander maal in denzelfden geest geschreven.

En nu de vragen. Wij laten ze hier volgen :

1. Is de classis ervan overtuigd, dat de nood der Kerk nog een werkelijkheid is ?

2. In de classis bereid deze nood als gemeenschappelijke schuld van alle groepeeringen te aanvaarden ?

3. Wil zij van dit besef blijk geven door het opnemen en met kracht doorzetten van het kerkelijk gesprek der richtingen, teneinde zoo een weg te zoeken om - te komen tot een gemeenschappelijk belijden met woord en daad tegenover alle antichristelijke machten, ook van deze dagen ? Hoever is het gesprek in de classis gevorderd ?

4. Is zij bereid dit gesprek en dit samenwerken te doen geschieden in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en op den bodem der belijdenisgeschriften?

5. Is er in de classis bereidheid Kerk te zijn voor het geheele volk en de middelen te zoeken om de zendingstaak, die hieruit voortvloeit, te volbrengen ? Wat is er in dit opzicht reeds in de classis gebeurd ?

6. Is er in de classis besef dat alleen een gemeente, die de Avondmaalsgemeenschap onderhoudt, in staat zal zijn in deze tegenwoordige wereld deze taak aan te vatten, zonder zelf wereld te worden ? Hoe staat het in de classis met de Avondmaalsviering en wat wordt er gedaan om aan eventueele misstanden in dit opzicht tegen te gaan ?

7. Zijn er in de classis bijzondere vragen, op het gemeenteopbouwwerk betrekking hebbende, die  aan de Synode moeten worden doorgegeven ?

Overzien wij deze vragen, dan zijn belangrijke dingen aan de orde gesteld. Niemand heeft dan ook kunnen verwachten, dat deze zaken in één vergadering zouden worden afgehandeld. Daarom spreken wij van een begin. Kerkeraden en classes hebben hier heel wat werk.

Zoo noemen de vragen : de nood der kerk, de gemeenschappelijke schuld, het kerkelijk gesprek, de kerk voor het geheele volk, de Avondmaalsviering, bijzondere vragen.

1. De nood der kerk.

Is die nog een werkelijkheid, en is de classis daarvan overtuigd ?

Het komt er maar op aan, wat men bedoelt met den nood der kerk. Zonder twijfel ziet men op de kerk als openbaring van het lichaam van Christus, dus op de kerk, zooals die in de Ned. Herv. kerk verschijnt, zooals zij zich voordoet.

Is die openbaring in overeenstemming met het wezen der kerk ?

Deze vraag brengt ons midden in de betrekkelijkheid. Ten allen tijde zal daaraan veel mankeeren, zooals ook de levensopenbaring van den persoonlijken Christen onvolkomen en gebrekkig is.

Van nood kan dan ook slechts worden gewaagd, als de distantie tusschen openbaring en wezen zoo groot wordt, dat de kerk schier onherkenbaar is afgeweken. In dit opzicht is de gangbaar geworden uitdrukking : „de kerk moet weer kerk worden", zoo typeerend, dat wij daaraan weinig hebben toe te voegen. Die zoo spreken, moeten toch wel onder den indruk verkeeren, dat de afstand tusschen zijn en behooren te zijn, tusschen zijn en aan haar wezen beantwoorden, heel groot is.

Wij komen als vanzelf weer aan de kenmerken der kerk, hoewel men daarover weinig hoort:

1. Waar het Woord zuiver wordt bediend.

2. Waar de sacramenten worden bediend overeenkomstig hun instelling.

3. Waar de tucht wordt onderhouden.

Ad 1. Wat beteekent dat ? Zuiver bediend.

De eene vraag roept de andere op. Wie maakt uit, wat onder zuivere prediking zal worden verstaan ?

Natuurlijk de kerk; zal men antwoorden. Of het woord natuurlijk hier zoo op zijn plaats is, betwijfelen wij, maar laat mij dan zeggen : naar de orde maakt de kerk het uit.

Dat beteekent alzoo, dat niet iedere predikant voor zich zelf bepaalt, wat hij voor zuivere prediking wil houden.

De kerk maakt het uit.

Welke kerk ?

Kan een kerk in nood dat doen ? Een kerk, die begint te ontdekken, dat zij in nood is ? Een kerk, die van haar eigen belijdenis is vervreemd ?

Men gevoelt wel, dat dat zoo niet gaat.

Moeten dan enkele mannen dat maar voor de kerk uitmaken ?

Dat gaat ook niet.

Dan is er ook geen weg, dan terug naar de belijdenis.

2. De gemeenschappelijke schuld.

Telkens weer komt men daarop terug.

En het is waar : de schuld ligt daar. En laat ons beginnen die schuld als gemeenschappelijke en ook als de onze te erkennen. Maar dan vragen wij, komt het Gemeenteopbouw toe ons daarop te wijzen ? De schuld en de schuldvraag zijn in de eerste plaats kerkelijke zaken. Het is goed en noodig, dat die in kerkeraad, classis en synode onder het oog wordt gezien. Maar wie is Gemeenteopbouw, dat het aan de verantwoordelijke organen de schuldvraag voorleggen kan ? Geschiedt dat namens de Generale Synode ? Dan zouden wij nieenen, dat zij andere wegen heeft om de kerk bij deze zaak te bepalen.

Wij willen hierop geen zout leggen, maar de formuleering van de vraag is reeds zoo eigenaardig : „den nood als gemeenschappelijke schuld der groepeeringen aanvaarden". Men wil geen groepeeringen of rich­tingen erkennen, maar eischt, dat de richtingen elkanders schuld tot een gemeenschappelijke maken. Moeten dan de orthodoxe groepen de schuld der vrijzinnigheid tot de hare maken en omgekeerd ? En bedoelt zulk een schuldaanvaarding niet anders dan een inleiding te zijn Op het kerkelijk gesprek?

Zou het dan niet beter zijn, als men eerst die schuld der groepeeringen eens duidelijk uitsprak ?

En denkt men er wel ernstig genoeg over, dat in de eerste plaats de predikanten door de schuldvraag worden getroffen ? De invloedrijke plaats door den predikant in kerkeraden, classis en besturen ingenomen, stelt generaties van predikanten verantwoordelijk voor den gang van zaken. Het zijn in de eerste plaats de predikanten der groepeeringen, die aan het welbewust zoeken en drijven, aan het gewillig medeloopen, kortom aan de kerkelijke politiek van hun voorgangers hebben te denken en, indien daarvoor aanleiding is, hun schuld op zich te nemen.

Er wordt gesproken van de kerk, de kerk en nog eens de kerk. En wij willen niet zeggen, dat de predikanten de kerk zijn, maar zij zijn de leidslieden der kerk. Men wil, dat de kerk weer kerk zal zijn. Zoo kan men — en dat zijn wederom de leidslieden — de schuld nog grooter maken, indien de ernst ontbreekt om te breken met persoonlijke en groepsinzichten, die onvereenigbaar zijn met een openbaring der kerk naar haar wezen.

Alles wat men ondernam in strijd daarmede, is schuld, terwijl ieder oprecht streven om te zoeken, wat bevorderlijk kan zijn aan de saneering van het kerkelijk leven, toch moeilijk als schuld kan worden aangewreven.

De zaak is nu eenmaal zoo, dat er sedert 1816 altijd mannen zijn geweest, die de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift op den grondslag der belijdenis hebben gepredikt. En het valt ook niet te ontkennen, dat zij steeds een macht tegenover zich hebben gevonden, die daarvan niet waren gediend en welbewust een anderen koers dreven.

Men kan nu wel zeggen : isolement, partijschap en wat men verder in liet midden brengen wil, doch aan wie de schuld ? Aan degenen, die op een hoop gedreven werden, of aan hen, die tot geen prijs een orthodoxe kerk wilden ?

Dat zijn zoo enkele vragen, die opkomen, als men van de gemeenschappelijke schuld der groepeeringen gaat spreken.

3. Het kerkelijk gesprek.

Het heeft er zoo den schijn van dat men wil zeggen : Welnu, wij aanvaarden de gemeenschappelijke schuld, laten wij nu tot gemeenschappelijk belijden komen door met elkander te spreken.

De orthodoxie is zich zeer wel bewust, dat de vrijzinnigheid ook haar een probleem stelt. Zoo dom of zoo eigenzinnig is de orthodoxie niet om niet te begrijpen, dat een gezond kerkelijk leven oplossing van dit vraagstuk vraagt en wel een kerkelijke oplossing, d.i. een oplossing in kerkelijken weg.

Indien de vrijzinnigheid van haar kant een begrijpen der orthodoxie toont, zal er een weg zijn. Want dit staat toch onbetwistbaar vast, dat de kerk, die zich als kerk openbaart, een orthodoxe kerk zal zijn. Men kan toch moeilijk een gezond kerkelijk leven op heterodoxen grond denken.

Dan komt de vraag, wat bedoelt gij met orthodox? Zeggen wij, orthodox is in overeenstemming met de Heilige Schrift, dan zijn de meeningen zoozeer verdeeld als de opvattingen van de Heilige Schrift. Het wordt schier nog moeilijker, als men zegt: orthodox is in overeenstemming met Gods Woord. Dan komen allerlei vrijzinnigheden los, die er geen oog voor hebben, dat Gods Woord Gods Woord blijft ook in de profetische d.i. de menschelijk-profetische gestalte, waarin het der kerk werd toebetrouwd.

Uit dien hoofde kan het huidig gesprek niet uitmaken, wat als orthodox zal gelden, zonder terug te gaan op de reformatorische belijdenis. Zelfs, indien men op eenig punt zou meenen, dat die belijdenis in strijd ware met Gods Woord, zou men dit moeten laten rusten tot den tijd, waarop de kerk mondig zou zijn om daarover te oordeelen.

De aanhangers der z.g. nieuwe theologie zouden mogelijk de vrijzinnigen nog overtreffen in dergelijke gravamina.

Daarom kan orthodoxie slechts bedoelen gereformeerd overeenkomstig het beeld, dat ons in de confessie der kerk wordt voorgesteld. En zoo kan b.v. een opvatting van het dogma, en van verschillende dogmata, zooals die door de z.g. nieuwe theologie wordt verdedigd niet als gereformeerd gelden.

De eenige doelstelling van het kerkelijk gesprek zou dus kunnen zijn om elkander te vinden in het reformatorisch geloof. Zal de kerk zich als kerk openbaren, dan zal zij in dat geloof moeten openbaar worden. En in dat geloof zou men alleen de eensgezindheid kunnen vinden, die men zoekt. En daaruit zou een andere theologie geboren worden dan het wijsgeerig-theologisch mengelmoes, dat sommigen als een nieuwe theologie uit den bakoven van dezen tijd voortbrengen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Gemeente-op bouw

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's