Wat moeten wij doen?
Als wij dat zoo vragen, kan dat moeten een verschillenden zin hebben. Het vraagt een beslissing op grond van wat in zeker geval noodig is, terwijl wij het niet duidelijk zien, maar het kan ook zien op een zedelijken grond. Wat zijn wij schuldig te doen ? Wat behooren wij te doen ?
Zoo staan wij telkens voor beslissingen in het leven, in onzen arbeid, in het gezin, in de gemeente en in de saamleving.
En als wij nu zoo vragen : wat moeten wij doen ? is er een zoeken naar motieven, die ons tot een handelen kunnen leiden, dat verantwoord is voor God en het geweten
De kerkelijke zaken stellen ons in dezen tijd telkens weer voor deze vraag. Wat moeten wij doen ? Wat moeten wij b.v. doen ten aanzien van Gemeenteopbouw ?
Sommige menschen zijn heel spoedig met hun antwoord gereed: Niets doen. Maar, of zulk een negatief standpunt verantwoord is?
Zoo zijn er ook gemeenten, die ten aanzien van de kerkelijke vragen van onzen tijd een negatief standpunt innemen. Zij volharden in den sleur en bekommeren zich weinig over de dingen, die geschieden, alsof zij er heusch niets mede van doen hebben.
Het negatieve standpunt vindt echter ook zijn oorzaak in onwetendheid en wantrouwen. Er zijn er, die gevoelen, dat er wat gedaan moet worden, maar zij weten niet, hoe het aan te pakken.
Wat moeten wij doen ?
Moeten wij de gedelegeerden van Gemeente-Opbouw b.v. ontvangen in den kerkeraad?
Waarom zou men die niet ontvangen ?
Er kan toch niets tegen zijn om van gedelegeerden eens te vernemen, wat zij voor boodschap aan den kerkeraad hebben ?
Wij hooren, dat zulke bezoeken wel eens ontaarden in twistgesprekken. Het is best mogelijk. Ook wordt gezegd, dat Gemeente-Opbouw een eigen theologie zou hebben. Dat kan, kerkelijk gedacht, geenszins ernstig worden genomen. En als een gedelegeerde zijn eigen theologie aan een kerkeraad zou willen opdringen, is dat vanzelfsprekend buiten de orde.
Daarom doet de kerkeraad goed, zich te bezinnen op zijn eigen taak en verantwoordelijkheid. De kerkeraad staat voor de gemeente en is voor de uitvoering van zijn taak en roeping verantwoordelijk. En wat de leer betreft, heeft de kerkeraad, die zich beroept op Schrift en belijdenis, een vasten grond onder de voeten. Dit standpunt is trouwens kerkelijk juist en onbetwistbaar.
Gemeenteopbouw kan trouwens niet verder gaan dan wat het ook zegt na te streven : de activeering van het kerkelijk leven. Het kan de kerkeraden daartoe opwekken, maar het heeft geen recht om te doen, wat des kerkeraads is. De kerkeraad is en blijft verantwoordelijk voor de zorg der gemeente en de kerkeraad heeft zich daarvan terdege rekenschap te geven.
Activeeren! Wat bedoelt men daarmede ? Als men het geheel der kerkelijke actie zoo overziet, zou men den indruk krijgen, dat activeeren beteekent, menschen aan het werk zetten, en omdat men niet voor allerlei werk, dat men gedaan wil hebben, menschen heeft, krijgt men ook wel eens den indruk, dat activeeren beteekent menschen uit hun werk halen.
Men wil o.a. ook allerlei werk, dat de kerk had behooren te doen, doch niet deed, nu eens zelf gaat ter hand nemen door haar eigen organen. Daartoe behoort dan in de eerste plaats, dat de kerkelijke organen en de ambten zich rekenschap zullen geven van velerlei nooden en wantoestanden, die mede oorzaak hebben genomen in de nalatigheid dier organen en ambten.
Dan en in zoover beteekent activeeren alzoo de kerkelijke organen en ambten aan hun roeping herinneren en tot werkzaamheid stimuleeren.
Daartegen nu kan niemand bezwaar maken, tenzij dan het bezwaar, dat zulk een vermaning en stimulans noodig is. Want dat komt op de organen en ambten, — en nu houden wij vooral op de kerkeraden aan — dat komt op de kerkeraden neer.
Een kerkeraad, die in zijn arbeid volijverig bezig is, heeft geen drang tot activeering noodig. Dat zullen de gedelegeerden dan ook wel opmerken.
Als het er nu heelemaal om gaat, is gemeenteopbouw in de allereerste plaats het werk van den kerkeraad en niet van een commissie Wij hebben dan ook reeds opgemerkt, dat Gemeenteopbouw het werk niet kan doen of overnemen, en zich hoogstens kan bepalen tot stimuleeren en — indien men daarvan gediend wil zijn — tot het geven van raad.
Ter voorlichting van de kerkeraden is het daarom wel goed wat meer op de practische vragen in te gaan. Werk, dat de kerk had behooren te doen en dat zij heeft nagelaten, met het gevolg, dat het niet gebeurde of door anderen buiten den kerkeraad — want het gaat in de eerste plaats om den kerkeraad — werd ter hand genomen.
Als Gemeenteopbouw nu zou komen zeggen : „Ziet eens, kerkeraad, dat en dat laat gij maar over, maar het ligt op uw weg om dat te doen. Kunt u dat niet eens ter hand nemen ? Wat dan ? Dan gaat het er niet in de eerste plaats om, wie die mannen zijn, die zulke dingen komen zeggen, maar, of het juist is, dat de kerkeraad voor een onbetaalde rekening wordt geplaatst. En dan geldt het de verantwoordelijkheid van den kerkeraad.
Kom nu niet met verontschuldigingen : de richtingen, de plaatselijke gesteldheden, en nog veel meer. Het kan alles waar zijn, maar daar komt het alweer: „Wil en onze vaderen". En nu, wat doen wij ?
Is het dan niet zoo, dat de kerkeraden zich veleriei zaken niet aangetrokken hebben: in- en uitwendige zending, de jeugd, om slechts een paar voorname punten te noemen ?
Vele onzer gemeenten hebben ter plaatse geen overwegende moeilijkheden met de richtingen, en verheugen zich in een eensgezinden kerkeraad. En toch hebben zij niet altijd aanleiding gevonden om hun aandacht te geven aan vraagstukken van jeugd en inwendige zending, hoewel die toch wel aanwezig was.
Wat er dan gedaan kan worden? De zorg voor de geestelijke en zedelijke opvoeding der jeugd. Wij hebben een Zondagsschool, een knapenvereeniging, een meisjesvereeniging, een jongelingsvereeniging, een mannenvereeniging. Wat wilt gij nu? Ja, de Zondagsschool is er, omdat de heer A. of Mejuffrouw B. zich daarvoor indertijd veel moeite heeft gegeven en omdat er nog altijd eenige dames en heeren worden gevonden, die dat werk voortzetten. Het gaat immers goed. Wij hebben zelfs een ouderling, die met groote liefde dat werk doet, hoor ik hier en daar. (Ik vraag maar niet, hoeveel onderwijzers of onderwijzeressen der Christelijke School zich hiervoor geven Loflijke uitzonderingen daargelaten, heeft de ervaring mij geleerd, dat dit uitzonderingen zijn).
En verder, wij hebben onze vereenigingen. De jongelingen vergaderen in de consistorie en de meisjesvereeniging ook. Een ander merkt op, dat een onderwijzer of een onderwijzeres zoo vriendelijk is de leiding te nemen.
En wie komen daar dan ? Zoo ongeveer de gansche jeugd of althans het meerendeel ? Wij weten wel, dat zulks lang niet altijd en overal het geval is. Zou dat alles nu niet geheel anders worden, als de kerkeraad zich de zorg voor de jeugd eens ging aantrekken.
De Zondagsschool b.v. geeft onderwijs in Bijbelsche geschiedenis. Dat is toch, als het er op aan komt, kerkelijk onderwijs en behoort dat althans te zijn. Als zoodanig behoort het onder ambtelijke leiding te staan, d.w.z. onder leiding van den kerkeraad en onder zijn verantwoordelijkheid. Wij kunnen wel klagen over den afval van de jeugd, maar zijn wij verantwoord ?
Hieraan ontleene men geen gebrek aan waardeering: van het onderwijs der Zondagsschool. Wij weten, dat dit in menig geval nog gezaaid heeft tot geestelijke vrucht..
Dat kan alleen een reden zijn om dit onderwijs ernstiger te nemen.
En daarom zouden wij willen advizeeren, dat de kerkeraden dit niet aan een bestuur of vereeniging overlaten, maar met de leiding eens overleg plegen om het werk aan den kerkeraad te verbinden, opdat deze de verantwoordelijkheid op zich neme. De tegenwoordige leiding kan het werk als commissie van den kerkeraad namens dezen en onder zijn verantwoordelijke leiding voortzetten En de kerkeraad kafl de zaak als een zaak der geheele gemeente behartigen. Ook voor de Zondagsschool-leiders zou dit een gewenschte oplossing voor vele moeilijkheden meebrengen. Hun werk kreeg een officieel kerkelijk karakter.
En aangezien de meeste onzer Zondagsscholen in een Bond vereenigd zijn tot behartiging van centrale belangen zou het aanbeveling verdienen deze hoofdleiding in het verband te betrekken namens en voor de gezamenlijke kerkeraden.
Hetzelfde zou ook ten aanzien van de andere jeugdvereenigingen kunnen worden betracht, opdat geheel deze zorg kerkelijk worde behartigd.
Daarmede is de zaak echter nog niet in goede orde. Want, indien men de jeugdvereenigingen bereid vindt tot medewerking — en dat zal ongetwijfeld het geval zqn, — dan zou de overgang van vereenigings- en bondsbestuur tot commissie van den kerkeraad of van de kerkeraden haar arbeid nog niet tot dien van de kerkeraden maken.
Daartoe zal het noodig zijn, dat de kerkeraden een of meer mannen, die daarvoor de gaven, het vertrouwen en de toewijding hebben, als ouderling in hun midden opnemen. Veeal zullen deze onder degenen, die zich thans voor dat werk geven, kunnen worden gevonden.
Alleen op zulk een wijze zou de zorg voor de jeugd gebruik kunnen maken van de krachten, die het middel eener vereeniging hebben aangegrepen om zich het lot der jeugd aan te trekken en zou het tot de zorg der geheele gemeente worden gemaakt, gelijk het ook behoort te zijn.
Dat, wat de jeugd betreft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's