De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Democratie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Democratie

9 minuten leestijd

Democratie en democratisch is ook een woord, dat in dezen tijd veelvuldig wordt genoemd als een uiting van de nieuwe richting. Ook hiervan geldt echter, dat er geen nieuws is onder de zon. Het woord verraadt zijn Grieksche afkomst, beteekent volksregeering en herinnert aan de politieke geschiedenis van net Oude Hellas. In de nieuwe geschiedenis ontleent het zijn kracht aan den geest van de Fransche Revolutie. Deze toch brak met de Christelijke leer aangaande het gezag der Overheid, zijnde deze Gods dienaresse. Niet van boven af, maar van onderen op zou het volk geregeerd worden. De stem des volks zou gehoord worden en de volkswil zou de richting aangeven.

Nu komen dergelijke omkeeringen in de fundamenteele beschouwingen aangaande het gezag niet dan geleidelijk tot practische toepassing. De traditie van het verleden is gewoonlijk sterk genoeg om zich nog in allerlei opzichten te handhaven en ziet haar bolwerken slechts door den tijd afgeknaagd worden en langzaam verdwijnen. En naarmate de traditie hechter wortelt in de onvergankelijke levensorde zal zij een blijvende reactie vertoonen tegen alles wat daartegen ingaat.

Toch biedt de geschiedenis van de 19e eeuw de onmiskenbare teekenen van den veranderden geest in de staatsinstellingen, die zij zag opkomen. Wij wijzen slechts op de parlementen, die in den naam volksvertegenwoordiging daarvan reeds getuigenis afleggen. De leden der Staten-Generaal worden vertegenwoordigers des volks. Zij worden uit en door het volk verkozen. En ofschoon men niet direct tot algemeen kiesrecht overging, werd dit in den loop der jaren toch een feit en werd het kiesrecht en zelfs de kiesplicht tot alle mannen en vrouwen uitgebreid. Weliswaar heeft de klassenstrijd eenerzjjds de doorvoering van het algemeen kiesrecht bevorderd, maar anderzijds de doorvoering ener democratische practijk, zooals men die nastreeft, tegengehouden. Deze bedoelde toch alle onderscheid van stand en rang uit te wisschen, althans in velerlei opzicht. En niemand kan tegenspreken, dat de klassenstrijd dit onderscheid in menig opzicht heeft verscherpt. Vandaar het streven om een eind te maken aan den strijd der klassen en de democratiseering door te voeren. In dit licht gezien bedoelt demoderne democratie dus niet wat nieuws, maar zij wil zich in een nieuwe phase zetten. Daarbij komt, dat de ontwikkeling van het fascisme, nationaal-socialisme en communisme, een dictatuur in het leven heeft geroepen, die den spot drijft met alle democratie en met de waardeering der persoonlijkheid. Want, hoe het ook zij, democratie kan uit haar aard slechts steun vinden in de waardeering der persoonlijkheid, zij het ook dat het democratisch stelsel in zijn binding aan algemeen kiesrecht zijn kracht zoekt in het partijwezen.

De dictatuur, zoo hebben wij ervaren, heeft geen waardeering voor de persoonlijkheid. Zij geeft een beeld van tyrannie, dat aan den almachtigen heerscher van de oudheid herinnert en mogelijk nog erger. En hoewel de verwarring des tijds en de zedelijke verwildering der volken een krachtige en zelfbewuste hand der regeering eischt, schijnt men, beducht voor dictatoriale neigingen, met te meer klem democratie te roepen. Intusschen krijgt men den indruk, dat de Duitschers toch wel eenige besmetting van de Duitsche methoden hebben achtergelaten. Men vraagt zich dan af, of het wel ernst is met de democratie, die men roemt. Daar komt bij, dat men het personalisme niet aan de democratie, maar aan het socialisme verbindt, hetwelk in zijn consequenties de persoonlijke vrijheid slechts kan beknotten.

Een democratie, die onder invloed van de Fransche Revolutie staat, legt bovendien meer op de gelijkheid dan op de persoonlijkheid den nadruk.

Wie dan verder met de leuze eener democratie optrekt, bevindt zich in een gemengd gezelschap van vrijzinnig-democraten, sociaal-democraten en Christen-democraten, die zich onder den invloed van een eenheids-idealisme zoeken te vereenigen in de Partij van den Arbeid.

Hoe staat de Christen tegenover de democratie ? De Christelijke politiek heeft zich weliswaar uitingen veroorloofd, alsof zij krachtens haar beginsel democratisch is, en sommige verdedigers van een Christelijke politiek kwamen de moderne democratie in hun vooruitstrevende redeneeringen zeer nabij Wij hebben hierin altijd misverstand en gevaar gezien en daarop ook gewezen.

Misverstand, omdat datgene, wat men dan als democratie verdedigde, in de Christelijke levenspractijk uit geheel andere gronden opkwam dan de moderne democratie. Als twee menschen hetzelfde zeggen, is het nog niet hetzelfde. Dat geldt ook hier. Als een Christenmensch democratie zegt, heeft dat principieel beoordeeld een anderen inhoud. Maar wordt dat altoos gevoeld en onderscheiden? In ieder geval geeft het aanleiding tot misverstand. En daarom is er een gevaar in om op een hellend vlak te komen. De moderne democratie staat in diametrale tegenstelling met de fundamenteel Christelijke belijdenis, dat de Overheid Gods dienaresse is en met de erkenning van dezen grondsteen voor alle menschelijk gezag.

Deze tegenstelling mag nooit uit het oog verloren. De Christen kan niet over dit bezwaar heenstappen. Hij kan en mag dit fundament niet prijs geven om dan welbewust een democratie te bouwen op het beginsel der volkssouvereiniteit.

Wanneer hij zich rekenschap geeft van zijn belijdenis aangaande de Overheid, zijnde Gods dienaresse, dan staat daar achter de belijdenis van Gods souvereiniteit als Schepper en Onderhouder van hemel en aarde, en van Christus als Koning der koningen.

Wat heeft deze belijdenis met de Fransche Revolutie gemeen ? Niets dan het zondige menschenhart, dat geneigd is op den troon van God te gaan zitten.

Uit de belijdenis van Gods souvereiniteit volgt geen democratie (volksregeering), maar Theocratie (Godsregeering). Krachtens deze belijdenis is een Christen geen democraat, maar Theocraat in gezin, maatschappij en staat. Hij vraagt niet, wat is mijn wil, wat is de wil des volks, maar wat is de wil des Allerhoogsten ?

Daarvan mogen wij ons wel eens terdege rekenschap geven om naar dat richtsnoer te handelen, en daarvoor moeten wij durven uitkomen.

De democratie heeft zich van meet af gesteld tegen de regeering der priesters en de machtigen en heeft ook in het klassieke heidendom een anti-religieusen tendens. Wetten en instellingen — zoo hield men het volk voor — waren uitvindingen der priesters, gelijk ook de goden, om het volk te binden. Zoo stelde men de democratie tegen de aristocratie (de regeering der machtigen en voornamen).

Die antireligieuse trek is aan de democratie eigen gebleven. Zjj neemt ook tegen de Christelijke religie een negatieve, zoo niet een afwijzende houding aan. Maar, zoo vraagt men, hoe kan dan een Christen van democratie spreken en hoe noemen sommigen zich zelfs Christen-democraat ?

Vooreerst een opmerking over de theocratie. Want ook deze leidt tot misverstanden. Er zijn theocraten, die evenzeer misleidende theorieën verkondigen. De directe Godsregeering is een geestelijke werkelijkheid: „God de Heere regeert", is een geloofspsalm. Alle dingen zijn in Zijn hand. Alles wacht op Hem, Hij bekleedt de leliën des velds. Hij spijzigt de vogelen des hemels en geeft ons ons dagelijksch brood. Hij bepaalt de plaats onzer inwoning.

Een nauwgezet geloofsleven bevestigt dit alles als ontwijfelbare werkelijkheid en drijft uit tot een kinderlijk gebedsleven en — tot ijverigen arbeid.

Want, — de wetenschap, dat de Heere ons geeft ons dagelijksch brood — sluit de ordeningen Gods niet uit, maar bevestigt die. De landman bewerkt den akker, de mensch gaat uit tot zijn arbeid. Zoo is het ook met de regeering. God regeert, maar Hij wil, dat onder de menschen een goede orde, politie en justitie worden onderhouden.

Gelijk Christus Zijn kerk regeert en daarbij wil gediend zijn door de geestelijke ambten, zoo regeert de Heere de wereld door het ambt der Overheid in al zijn functiën en ordeningen : de ouders in het gezin, en die over anderen gesteld zijn naar hun ordeningen. Derhalve heeft alle regeering onder de menschen een geestelijk en zedelijk karakter, en steunt op een geloof, hetzij dan op het geloof in den God der Schriften, of op het geloof in den mensch en zijn idealen. Naar een van die twee is alle regeering onder de menschen gericht.

Zoodra wij van de regeering onder de menschen spreken, hebben wij met menschen en menschelijke opvattingen van doen. En zooveel kan reeds duidelijk zijn, dat wij van theocratie op aarde dan slechts middellijk spreken. Het belieft God ons te regeeren door menschen, maar voor den mensch ligt de eisch, dat hij vraagt naar den geopenbaarden wil Gods.

De Christelijke religie is de religie der persoonlijkheid. „Wie zegt gij, dat Ik ben ? " Zij stelt den mensch tegenover Gods heilig aangezicht, ontdekt hem aan zich zelf, aan zijn bestemming, aan zijn verantwoordelijkheid in alle levensverhoudingen. Zij roept hem tot bekeering, verantwoording en gehoorzaamheid en tot dienstbaarheid. In dit alles wordt de persoonlijkheid tot bewustzijn gewekt en geeft daaraan kracht en moed om te staan in de roeping des geloofs. Met toepassing op den apostel Paulus werd dit door een Schriftonderzoeker kernachtig uitgedrukt: „Voor God een worm, voor de menschen een adelaar". Iets daarvan kenmerkt de groote mannen, die God aan Zijn kerk heeft geschonken en teekent de kracht des Evangelies in de wereld en de Christelijke levensopenbaring. In het gemeenschappelijk handelen draagt ieder Christen zijn persoonlijk deel, ook op het openbare terrein des levens. Hij onderwerpt zich aan de leiding, maar overweegt zijn verantwoordelijkheid en spreekt zijn woord mede. Hij eert de overheden om Gods wil, maar weigert de gehoorzaamheid, welke hij voor God en zijn geweten niet kan verantwoorden.

Dit alles geeft aan de Christelijke levensopenbaring iets, dat op democratie gelijkt, maar er innerlijk principieel van onderscheiden is en daarvoor niet kan en mag worden ingeruild op straffe van den geestelijken bodem der theocratie te verliezen en af te zinken in het heidendom. Uit dien hoofde moet men dan ook niet van democratie, als ware deze van huis uit Christelijk, spreken. Een waarlijk Christelijke levensorde biedt de goederen, die de democratie niet geven kan en voorkomt en modereert alle bezwaren, die haar in de practijk aankleven. Zij onderhoudt een burgelijke gerechtigheid, welke een waarborg biedt voor de vrijheid der persoonlijkheid, omdat zij een rechtsorde bepaalt naar de normen der goddelijke zedewet, opdat een iegelijk uit zijn arbeid kan leven en zijn roeping vervullen.

Dat bedoelt de Heilige Schrift met een stil en gerust leven, waarom zij ons ook gebiedt voor de overheden te bidden, en waarmede zij ons voor de taak stelt naar ons vermogen gezamenlijk te betrachten wat aan zulk een orde bevorderlijk is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Democratie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's