Dogmatiek
openbaringSchepping - openbaring
II.
Geen theologie zonder openbaring. Hoe zou er in deze wereld over God gesproken kunnen worden, als er geen openbaring ware ?
Op welk een god, zou dan het spreken over een god betrekking hebben ? Mogelijk zal Iemand zeggen, dat dit dan een maaksel van de menschelijke verbeelding zou zijn. Ei zoo, maar dan kan de openbaring ook wel een stukje verbeelding zijn, zoodat wij ons toch bezighouden met een fantasie.
Met die verbeelding heeft men nog weinig beweerd. Want hoe verbeeldt een mensch zich een god, als God er niet is, of, zoó Hij er is, als Hij zich niet openbaart ?
En mensch kan zich zooveel verbeelden als hij wil, maar al zijn verbeelding raakt aan eenig ding, dat in zijn bewustzijn aanwezig is. Zonder iets, waaraan hij vastklampt, kan de verbeelding geen uitgangspunt voor haar vlucht nemen. En hoe kan de verbeelding van den rnensch uit tot een godheid vluchten, die in den hemel wordt gezet, als hij van geen godheid en van geen hemel weet ?
Zelfs de verbeelding heeft een goddelijk steunpunt noodig om daartoe te kunnen geraken.
Weer een ander zegt, dat de idee eener godheid eigenlijk een verheffing van den idealen mensch is, een vergoddelijking van den mensch. Maar wij vragen alweer : Als die mensch van uit de ervaring zijner onvolkomenheid een ideaal van een volkomen mensch zich voorstelt, waarom denkt hij dan aan een vergoddelijking, als hij geen God kent en als er geen God zou zijn.
In dit alles is iets, dat met het uitgangspunt geen ernst maakt. Want immers gaan dergelijke onderstellingen er van uit, dat er geen God em geen openbaring zou zijn. Hield men dit voor oogen, dan zou men de onverklaarbaarheid en onhoudbaarheid van zijn eigen verbeelding inzien. Men zou voor het probleem staan: Hoe kom ik aan het besef van een boven de wereld verheven God ? Want dat valt niet te ontkennen, dat het Godsbesef met het gevoel van zulk een verhevenheid en van afhankelijkheid gepaard gaat.
En dan staat men voor het stuk der openbaring. Er moet een betrekking, zelfs een levensbetrekking zijm tot die verheven wereld, waarvan aan het Godsbesef eenig gevoelen gepaard gaat. Het is dan ook niet vreemd, dat het geloof aan openbaring aan de religie gepaard gaat, ook in het heidendom. Het heidensch gemoed heeft besef van de verhevenheid der Godheid, en toch gelooft het ook aan de manifestatie der Godheid in de wereld. In dat opzicht verraadt het nog een trek, die op het Theïsme wijst, al is het waar, dat de manifestaties der Godheid, welke zij meenen waar te nemen, in een veelgodendom opgaan.
Bewijst dat geloof aan goddelijke manifestaties op zich zelf reeds een zekere heenwijzing naar openbaring, er zijn heidensche godsdiensten, die in de overleveringen der priesters en in heilige boeken hun Godsopenbaring bewaren.
Het openbaringsgeloof is een kenmerkend verschijnsel der religie.
Het gevoel van afhankelijkheid, dat aan het Godsbesef gepaard gaat, wijst voorts op een levensbetrekking. Het leven zelf staat niet alleen in het teeken der openbaring, maar is openbaring. Het gevoel van afhankelijkheid is een levensgevoel. Wij zijn in ons zijn als zoodanig afhanklijk. Ons zijn is openbaring van een goddelijke daad. Ons bestaan getuigt van een gezet zijn in het leven, van een bron en oorsprong.
De vraag vanwaar? wordt in het afhankelijkheidsgevoel in de richting van het antwoord gewezen. Afhankelijk van die geheimzinnige macht, zoozeer, dat het gevoel van afhankelijkheid met zekere vrees gepaard gaat, een vrees, die bij het heidendom tot levensangst wordt. Ook in het moderne heidendom speelt die levensangst een beduidende rol. Het is een kenmerk van onzen ontkerstenden tijd, dat de levensangst velen benauwt. Het verlaten van de Christelijke levensorde, de vervreemding van het geloof in den God der Schriften, wekt deze primitieve gevoelens, zooals men dat noemt, op. Zelfs heeft men welbewust de brute instincten in den mensch tot heerschappij gebracht, onbewust van haar verderfelijke gevolgen voor de saamleving en met verachting van de heilzame beteugeling van de menschelijke of onmenschelijke bestialiteit, welke in de gehoorzaamheid aan de religie der Schriften ligt besloten.
Van dit alles gaat een beroep uit op het Christelijk geweten om moedig en krachtig het Evangelie te zetten tegen den geest van het moderne heidendom, en als één man op te komen voor den eisch van Gods Woord. Het is geen tijd om ledig neer te zitten, of elkander te verbijten en te vereten om allerlei op zich zelf belangrijke dingen, die bij de groote vragen der tijds toch in het niet verzinken.
De huishouding der moderne wereld is hopeloos vastgeloopen in haar eigene idealen, en dreigende wolken spannen zich saam aan het zwerk. De pilaren schudden en de vastigheid ontbreekt. De wereld wankelt als een dronken man en de geestelijke machten, die in de lucht zijn, broeden op onheil en verwarring. Dat alles behoeft het waarachtig geloof en de rust des geloofs niet te verstoren en dat doet het ook niet. Al wankelen de fundamenten der aarde, zingt de Bijbelsche dichter, ik zou niet vreezen. Doch het beteekent niet, dat wij moeten slapen en dat wij in vrome onverschilligheid moeten neerzitten. Maar het beteekent wél, dat het positief belijdend Christendom het geluid van de ramshoorn moet vernemen en zich heeft te vergaderen onder de banier van het kruis : „Tot de Wet en tot de getuigenis". Want wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is.
Het gevoel van afhankelijkheid, een levensbetrekking, een besef althans, dat heenwijst naar den Schepper. De schepping der wereld is het begin der openbaring Gods. De mensch kan het onderdrukken, want hij kan de waarheid ten onder houden (Rom. 1 : 18 vv.), maar dan is er een onderdrukken van wat zich aan hem opdringt en tot een tweestrijd in zijn binnenste voert. Een onderdrukken van het besef, dat heenwijst naar den Schepper, Zijn goddelijke kracht en heerlijkheid. Want de mensch strijdt tegen God en tegen zich zelf. In dit alles is reeds openbaring. Ook dat besef heeft zijn onpeilbare dieptewerking, welke de mensch in zich zelf niet kan doorgronden. Het is een gegevene, waarop hij stuit, dat hij vindt in zich zelf en als tegenover zich zelf, een mysterieuse Autoriteit. Hij kan weigeren te buigen, maar het feit kan niet worden geloochend, dat het er is. Hoe naïef ook die verhalen mogen zijn, het besef van een goddelijke heerlijkheid en kracht werkt door in de scheppingsverhalen der volkeren.
Deze betooning van een algemeen religieus gevoel heeft in de geschiedenis aanleiding gegeven tot een; z.g. natuurlijke theologie. Het woord zou in zijn onschuldigheid geen bezwaar behoeven te geven. Maar de zin, daaraan onder invloed van de rationalisten gegeven, maakt ook zelfs het woord onbruikbaar voor den theoloog. Daarom moeten wij dat in de theologie mijden. Er kan toch geen sprake zijn van een Godskennis, welke de menschelijke rede uit zich zelf zou kunnen voortbrengen. Uit dien hoofde hebben wij den nadruk gelegd op de openbaring, welke ten grondslag ligt aan het algemeen besef der Godheid.
Wij hebben daartoe een reden temeer, vooreerst, omdat de Heilige Schrift duidelijk zegt, dat God het hen heeft geopenbaard (Rom. 1 : 19), maar dan ook, omdat de z.g. nieuwe theologie zich met grooten nadruk tegen alle natuuriijke theologie verzet — en dat met recht —, doch — en daarin wijkt zij af van de leer der Schrift, — zij ontkent ook het moment der openbaring in het algemeen religieus beseffen en gevoelen.
Overigens is de z.g. natuurlijke theologie niet van Christelijken oorsprong. Wij wezen reeds op de heidensche mythologie. De gedachte aan een natuurlijke theologie is ontleend aan de Grieksche wijsbegeerte.
En het ontoelaatbare van een natuuriijke theologie schuilt ook in een echt Grieksch element, n.l. de gedachte, dat de menschelijke ziel, met name het redewezen, aan de Godheid verwant, van goddelijke natuur, zou zijn. En dat is het nu juist, wat de Christelijke theologie moet afkeuren en uitstooten, daar de Heilige Schrift de wezensgelijkheid of verwantschap van God en mensch niet alleen niet leert, maar op het wezensonderscheid van Schepper en schepsel zeer nadrukkelijk wijst.
Deze Grieksche inslag is nog een reden te meer om niet van natuuriijke theologie te spreken en haar ook niet te erkennen. En met te meer klem stelle men de openbaring, welke de theologie als algemeene openbaring onderscheidt, daartegenover.
III
Schepping - openbaring
Zooals wij hebben aangetoond, wijst het algemeen religieus besef naar de schepping. Uit theologisch oogpunt kan men de zoo onderscheiden algemeene openbaring arm noemen. Zooals werd opgemerkt, heeft zij de menschheid geïnspireerd tot mythologische voorstellingen aangaande den oorsprong der dingen, scheppingsverhalen, kosmogonieën, ook theogonieën en verhalen over den oorsprong van den mensch, van ontdekkingen, b.v. van het vuur en van de wetenschap, die ook aan de goden worden toegeschreven. Bij de veelheid der goden werden ook de verschillende levensterreinen onder hun leiding en bescherming gezet.
De theologische zin van dit alles gaat niet verder dan dat althans het besef van een betrekking tot de goddelijke dingen daarin spreekt.
Tot een eigenlijke theologie heeft het Heidendom het niet gebracht, omdat de kennis van den persoonlijken God daaraan ontbreekt. Het religieuse leven, dat uit het heidendom opkomt, werpt zich op de natuur en de machten, die zich daarin manifesteeren en als goddelijke machten en goden worden vereerd. Vandaar dat Calvijn, die een open blik heeft voor den religieusen wortel in het algemeen gevoelen der Godheid; spreekt van valsche religie in onderscheiding van de ware. Waar het licht der profetische openbaring ontbreekt, kan de ware religie niet opbloeien. De profetische openbaring — men spreekt ook van bijzondere openbaring, draagt het karakter van een persoonlijke levensrelatie. God treedt in betrekking met den mensch. Het hart der openbaring ligt in een persoonlijke betrekking van den hoogen God met den mensch. Het ligt toch voor de hand, dat openbaring eerst dan openbaring is, als zij doordringt tot in het hart en voor zoover zij het hart van den mensch raakt en tot bewustzijn komt.
De van God uitgaande openbaring kan dus veel rijker zijn dan tot dezen of genen mensch doordringt — en dat is inderdaad ook het geval. Dat is toch niet alleen zoo in de dingen, die des Geestes Gods zijn. Het is ook zoo met de openbaring der werken Gods. Alle werken Gods zijn openbaringswerken, zooals ook door art. 2 der Ned. Geloofsbelijdenis wordt beleden, dat God gekend wordt door de schepping, onderhouding en regeering der wereld.
En hoewel wij allen in de wereld leven, hebben wij toch niet allen dezelfde kennis van al wat in de wereld is. Slechts datgene, waarmede wij in nauwere betrekking komen, neemt een plaats in ons leven in en wordt nader door ons gekend.
Zoo is het ook met al den rijkdom der profetische openbaring. Zelfs ook de uitverkorenen, die zich mogen verheugen in de kennis der zaligheid Gods, zijn niet gelijk in kennis der geestelijke dingen. De gaven zijn verscheiden.
Wie zal nu al de gangen der openbaring doorgronden ? Geen mensch. Daalt niet alle licht van den Vader der lichten en leeft niet alles, wat leeft, uit Zijn scheppende kracht ? Er is geen einde aan Zijn werken. En dat alles staat in het teeken Zijner openbaring.
Feitelijk leven wij gansch en al in de openbaring Gods. Waar Zijn scheppende kracht werkzaam is, daar is openbaring. Alle menschelijk streven naar wetenschap is in den grond der zaak onderzoek van de werken Gods en derhalve onderzoek in de openbaring. Hoe weinig is de mensch zich daarvan bewust en hoe weinig zien wij daarvan. De menschen spreken van ontmoeting, als een zeldzaam gebeuren, zoo eens een enkele maal. En het is waar, dat de persoonlijke ontmoeting van den heiligen God en Vader der barmhartigheid onder de millioenen der aarde een zeldzame is.
Ent toch — wij ontmoeten de goddelijke heerlijkheid en kracht den ganschen dag, zonder het schier op te merken. De hemelen verkondigen Zijn eer en het uitspansel Zijner handen werk.
Hoe weten wij dan, dat het toch zoo is ? Dat wij als blinden rondloopen te midden van het licht ? Dat wij de „gewone" dingen, maar zoo heel gewoon nemen, alsof zij eigenlijk met de openbaring niets te maken hadden ? Zijn wij dan ook blind voor de geestelijke dingen ? De Schrift zegt het: De natuurlijke, d.i. de gevallen aardsche mensch, verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. (1 Cor. 2 : 14).
Hebben dan degenen, die destijds in Judea en; Galilea woonden en den Christus ontmoetten, in Hem zoomaar den Christus Gods gezien ? Immers neen. Maar Petrus zag het, toen de Vader het hem openbaarde. (Matth. 16 : 17).
Hoe wij dan toch over deze geestelijke dingen kunnen spreken ?
Omdat God, de Heere, Zijn menschenkinderen onderricht aangaande Zijn Raad en werken en in de profetische openbaring tot hen is gekomen om Zich nader bekend te maken, zoodat zij Zijn hand kunnen opmerken! in de werken Zijner schepping en Zijner genade.
In de theologie noemen wij dat bijzondere openbaring. De Heilige Schrift echter maakt geen onderscheid tusschen algemeene en bijzondere openbaring. En dat wij die onderscheiding maken, hangt samen met onzen gevallen staat. Men heeft dat ook wel ingezien, maar, helaas, daaruit weer een verkeerde conclusie getrokken. Zoo heeft de meening in breeden kring postgevat, dat de bijzondere openbaring eerst na den zondeval tot ons kwam. Zelfs een theoloog als dr. H. Bavinck is die opvatting toegedaan. (Geref. Dogmatiek. Dl. I, blz. 357).
Daarin schuilt derhalve de gedachte, dat de mensch, zoo hij niet gevallen ware, geen bijzondere openbaring had noodig gehad. En daarin ligt weer de onderstelling, dat de mensch in rechtheid God uit Zijn schepping had kunnen leeren kennen. En dat weer zou men alleen kunnen verstaan, indien men hem een natuurlijk vermogen mocht toeschrijven.
Het is duidelijk, dat geheel deze visie er op zou uitloopen, dat een natuurlijke Godskennis volgens de orde onzer schepping regel zou zijn geweest.
Dr. Kuyper kan zich aan deze consequentie in het geheel niet onttrekken, daar hij de z.g. algemeene openbaring zelfs tot grondslag der bijzondere openbaring maakt. Hij noemt de Heilige Schrift dan ook een behulpsel en gebruikt het beeld van een kruk, die den mensch in het loopen moet helpen. (Encycl. d. H. Godgel. II, 315 vv.).
Dit nu is een standpunt, hetwelk principieel onjuist, wijl onschriftuurlijk, in theologisch opzicht verderfelijk is en tot velerlei verwarring moet aanleiding geven. Het moet toch duidelijk zijn, dat in zulk een voorstelling de bijzondere openbaring een abnormaal verschijnsel zou zijn, gezien in het licht van den staat der rechtheid en de orde der schepping. Naar die orde beoordeeld toch, zou de wijsbegeerte feitelijk op normalen bodem staan en — zij het dan ook door de zonde verduisterd — de oorspronkelijke en normale weg naar de theologie zijn.
Het laat zich reeds uit dit theologisch onjuiste standpunt verklaren, dat men in de kringen der Vrije Universiteit en in de Gereformeerde kerken daarvan de gevolgen moest ondervinden, zooals die zich voordoen in de onklare houding jegens de philisophie en de scolastieke neigingen, die zich openbaren in het kerkelijk twistgeding.
Onjuist noemen wij dat standpunt, wijl onschriftuurlijk. Maar dat moet worden aangetoond. Hoe kan dat anders dan bij de Heilige Schrift. Slaan wij dan Genesis 1 en 2 op en zien wij, dat God tot den mensch sprak. Gen. 1 : 28. Het ligt toch geenszins voor de hand, daarin te lezen, dat God den mensch schiep en hem aan zijn philosopheerende rede overliet, opdat hij zou verstaan uit de omstandigheden, dat hij de aarde moest vervullen en heerschappij hebben, en (in vs. 29) welk voedsel voor hem was en welk niet.
Er staat: „en God zeide tot hem" : Hoewel het spreken zeer verschillend kan zijn en op verscheidene wijzen geschieden, ligt het toch wel heel erg ver om het hier zoo op te vatten, dat de eerste mensch dit spreken Gods uit de hem omringende wereld zou hebben opgevangen. Het eenvoudige : „God zeide", verklaart wel niets aangaande de wijze waarop. Of daaraan een theophanie gepaard ging, of dat dit spreken langs den weg eener innerlijke ingeving plaats vond, staat er niet bij. In ieder geval kan het niet zoo geweest zijn, dat iets onbepaalds een iets of een het zeide ; maar God zeide.
Veel duidelijker is dit in Genesis 2. Omstandig wordt ons medegedeeld, dat God den mensch een woonplaats had bereid, den hof van Eden. En dan de omstandige bemoeienis van God. God zette hem in den hof. De boom der kennis moet hem onderscheiden aangewezen zijn. De Heere God gebood hem, zeggende : „van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten".
Gewoonlijk wordt in de theologie van een proefgebod gesproken. Wij kunnen die waardeering uit verschillend oogpunt niet deelen. Veeleer is hier sprake van een goddelijke inleiding van den mensch in den weg zijner bestemming. God zet den naar Zijn beeld geschapen mensch voor den weg des levens en des doods, die hem op conditie van gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid in de hand is gegeven.
God openbaart hier den pas geschapen mensch de religieus-ethische verhouding, waarin hij krachtens zijn scheping naar Gods beeld is gezet. De weg naar zijn bestemming is een weg van geloof en geloofsgehoorzaamheid. Niet de proef, of hij zal volharden, als zou God in deni hemel daarop toekijken, is het eerste en aangrijpende, maar de goddelijke zorg voor Zijn schepsel, die met den mensch als zedelijk wezen handelt.
En God heeft meer met den mensch gesproken, gelijk in vs.18 wordt medegedeeld. Bovendien, en dat bevestigt ons standpunt, Adam heeft wel geweten, dat God met hem had gesproken. Wij lezen toch niets van een openbaring aan de vrouw. Hoe kon Eva dan dit alles weten, zooals blijkt uit Genesis 3 : 1 vv, het gesprek met de slang.
Daar is slechts één verklaring voor: n.l. dat Adam zijn profetische roeping heeft verstaan en de woorden Gods had overgeleverd. Profetie en traditie behooren bij elkander. Het Woord tot den profeet Adam is een Woord tot de menschheid.
De Heilige Schrift laat derhalve slechts één "conclusie toe : De bijzondere, d.i. de persoonlijke en profetische, voor de menschheid bestemde openbaring gaat vooruit, en dat van Adam af en in zijn rechten staat. De mensch in rechtheid had geen Bijbel, geen boek, zooals wij, maar hij had het Woord Gods dat tot hem was gekomen en hij behield dat niet voor zich zelf alleen. De mensch had het Woord Gods om het te bewaren en dat Woord telkens vermeerderd door nieuwe openbaring, zou in de tent der kinderen Gods bewaard worden. Terecht heeft Calvijn opgemerkt, dat de mensch nimmer zonder het Woord Gods is geweest.
Het is daarom te betreuren, dat de theologen niet meer acht hebben geslagen op dezen leeraar der kerk, die klaar heeft ingezien, dat de mensch het boek der schepping eerst leert lezen bij het licht der bijzondere openbaring. (Inst. I. 6. 1).
De bijzondere openbaring is dus niet iets bijkomstigs, geen hulpmiddel of een kruk, aan de algemeene openbaring toegevoegd en daarop steunende, noch ook heeft zij eerst na den val een aanvang genomen, zooals sommigen leeren. Integendeel, de bijzondere openbaring is het brood des levens, hetwelk God van meet af den mensch heeft geschonken. De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle Woord, dat door den mond Gods uitgaat, heeft de hoogste Profeet en Leermeester, onze Heere Jezus Christus, gezegd. (Matth. 4:4). En het heeft ook Adam in rechtheid aan het Woord niet ontbroken.
Niet de algemeene openbaring is grondslag, maar de bijzondere openbaring is de zon, die over de algemeene opgaat, de vertolker en de lichtende fakkel. Ook dat wordt door de Heilige Schrift bevestigd. Zie Genesis 3:8: „En zij hoorden de stem van den Heere God, wandelende in den hof, aan den wind des daags", en vs. 10 : „En hij (Adam) zeide : „Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde".
Hoe kon Adam Gods stem in den wind hooren ? Toch alleen, als hij die stem kende. Welnu, hij kende de stem van God, die met hem gesproken had. Krachtens de bijzondere openbaring kon hij die opmerken in den wind des daags.
De Heilige Schrift leert ons dus niet, dat God den mensch onverlicht en ongewapend aan Zijn algemeene openbaring heeft overgegeven. Niet de wijsbegeerte is de normale weg naar de theologie, maar deze vindt haar beginsel en richtsnoer in de profetische openbaring. Daarmede is ook iedere poging om een natuurljke theologie te vindiceeren-, afgewezen en de weg der Godgeleerdheid bepaald.
Zoo is het dan ook bij het licht der Heilige Schrift, dat wij verstaan mogen, dat God zich in al Zijn werken openbaart en dat wij temidden van de openbaring leven, van Zijn heerlijkheid en alomtegenwoordige kracht omringd zijn, ook als wij dat niet opmerken of het ternauwernood beseffen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's