De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gevaren en perspectieven voor ons kerkelijk leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gevaren en perspectieven voor ons kerkelijk leven

9 minuten leestijd

Onder dezen titel deed Prof. G. C. Berkouwer dezer dagen een uitwerking van een causerie op de Reunisten-vergadering van de F.Q.I. te Kampen verschijnen bij J. H. Kok N.V., Kampen 1946.

Al heeft „ons kerkelijk leven" betrekking op het leven der Gereformeerde Kerken, zoo meenen wij toch, dat het voor het Gereformeerd kerkelijk leven in wijderen kring van belang kan zijn om van een en ander nota te nemen.

Prof. Berkouwer beperkt zijn belangstelling trouwens zelf ook niet tot de Gereformeerde Kerken, en terecht. Zijn eerste opmerking strekt reeds verder. Hij noemt twee factoren : de bevrijding uit den ontzettenden nood van den oorlog en het schisma in de Gereformeerde Kerken. Beide zaken gaan ook ons, Hervormden, aan. De bevrijding heeft allen, die den Christus der Schriften belijden, en alzoo de Kerken, voor geweldige vragen gesteld, en als het goed is, zal dit ons bij elkander moeten brengen.

Het is onze overtuiging, dat het er met de toekomst van de kerken niet rooskleurig uitziet, als dat niet geschiedt. En daarom is de bevrijding met haar vragen niet alleen een zaak, die de Gereformeerde Kerken treft.

Evenmin het schisma, omdat het aantoont, dat er iets niet in den haak is in de ontwikkeling van het Gereformeerd kerkelijk leven daar, gelijk dat in de Hervormde kerk sedert lang reeds niet in den haak is geweest.

Daaruit is toch het schisma van '34 en '86 geboren. Want al wil men aan gene zijde niet weten van een schisma, de feiten toonen aan, dat Afscheiding en Doleantie tot scheurkerken hebben geleid. Eerst de erkenning daarvan kan tot genezing leiden.

Het doet ons dan ook genoegen, dat Prof. B. reeds in de derde alinea van de kerk spreekt: Welke zal de plaats zijn van de kerk in deze nieuwe wereld, vraagt hij. Hoe zal en moet ze spreken in den eenheidsroep van dezen tijd en in de vragen om het verlossende woord ?

Deze vragen zijn onze vragen, het zijn de vragen, die ons kerkelijk leven beroeren en bezig houden. En al verstaan wij, waarop de „eenheidsroep" in de eerste plaats doelt, wij zouden niets liever wenschen dan dat allen, die den Christus der Schriften belijden, elkander zochten in ootmoedige gehoorzaamheid aan Hem, die om de eenheid der Zijnen bidt.

Prof. B. raakt aan de beschuldigingen van verwording der Gereformeerde Kerken en gewaagt van een zedelijke crisis van ongehoorde afmetingen. Wij verheugen ons niet in die beschuldigingen, maar wij verheugen ons in de oprechtheid, die hier aan het woord is. Wij hebben als Hervormden allerminst reden om ons te verheffen op een gezond kerkelijk leven, maar wij gevoelen het als een verlichting, dat een toon als deze in de Gereformeerde Kerken wordt gehoord.

Zijn er niet veel meer vragen dan die over doop en verbond? Is niet de wereld in nood en zijn niet de vragen van zending, evangelisatie en jeugd primair en meer urgent ? — zoo vraagt Prof. B. (blz. 8).

Wij meenen, dat hij gelijk heeft. Dat zijn immers de vragen, die zich ook aan ons opdringen en welke bijna hartstochtelijk aangegrepen, velen zoozeer innemen, dat wat meer theologische bezinning aan ons kerkelijk leven ten goede zou komen.

De Gereformeerde Kerken lijden aan de ziekte der scolastica, doch ook de Hervormde kerk wordt blootgesteld aan een scolastieke besmetting van een uitheemsche theologie, welke wel niet Kuyperiaansch, niet minder gevaarlijk is.

In de Gereformeerde Kerken komt de strijd over Doop en Verbond o.i. niet in de eerste en voornaamste plaats op uit theologische belangstelling, al heeft de kerkelijke kwestie uitteraard die belangstelling ook. Zelfs moet worden toegegeven, zooals Prof. B. aantoont, dat die vragen ook elders in discussie zijn.

Veeleer schuilt de aanleiding tot dezen strijd in de kerkelijke kwestie zelf, en in de kerkelijke en politieke situatie sedert 1886 ontstaan. Het teere punt van gescheiden kerk te zijn staan hier in het centrum. Ware de toestand in de Hervormde kerk zoodanig geweest, dat daarin geen plaats meer ware gebleven voor de religie der belijdenis, had zij door verwerping of wijziging der confessie in Remonstrantschen zin haar gereformeerd karakter radicaal verloochend, wellicht waren de kerken van 1886 tot een gereformeerde kerk uitgegroeid, die mogelijk tot een volkskerk ware geworden.

Onder erkenning van den onmiskenbaren invloed der Doleantie op kerkelijk en staatkundig terrein, kan onzerzijds niet worden betwist, dat zij, ondanks de ontplooiing vam een krachtig kerkelijk leven tot zulk een hoogte niet is gestegen. Hoewel het overdreven klinkt om van een Kuyperiaansche secte-kerk te spreken, kan het niemand ontgaan, dat zij door het gevaar wordt bedreigd in secte-kerken uiteen te vallen.

Secte-kerk of geen secte-kerk, de Gereformeerde Kerken stonden en staan nog altijd sterk onder den invloed van dr. Kuyper. Zij dragen niet alleen een Kuyperiaanschen stempel, waarvan ook de neo-Calvinistische theologie de kenmerken draagt, maar de wijziging van art. 36 geeft uitdrukking aan een staatkundige binding, welke niet zonder gevolgen kon blijven voor de kerkelijke vraagstukken. Ondanks het interkerkelijk-karakter der Anti-revolutionaire partij, vond deze toch in de Gereformeerde Kerken haar geestelijk draagvlak en machtigen rugsteun.

En niemand zal dat gering achten. Integendeel. Van de kerk moet de profetische kracht en inspiratie uitgaan tot de handhaving van een Christelijke levensorde. En de geschiedenis heeft duidelijk aangetoond, dat de inzinking van het kerkelijk leven op den voet wordt gevolgd door ontkerstening van de saamleving in sociaal en politiek opzicht.

De groote mate van zelfbewustzijn aan deze kerkelijk en politiek stevig georganiseerde volksgroep eigen, beantwoordde tevens aan een sterk ontwikkeld gevoel van saamhoorigheid. En nu ontgaat het aan geen geestelijk leidsman, dat een generatie, die bij machte is een krachtig kerkelijk leven te ontplooien, geen waarborg in zich zelf draagt, dat twee, drie generaties later een even sterk geloof zullen onderhouden. De Christelijke roeping om dat met alle kracht te bevorderen en de eensgezindheid te bewaren, welke alle Christenen behoort te bewegen, is bewust of onbewust in de Gereformeerde Kerken gesterkt geworden door de politieke situatie, waarin haar leden verkeerden.

En nu vragen wij ons af, of deze factoren niet mede van invloed zijn geweest op de theologie van doop en verbond, welke gericht op de onderhouding der kerkelijke gemeenschap, een bolwerk tegen scheuring bedoelde te zijn. Het gevaar is niet denkbeeldig gebleken, dat men in scolastieke beschouwingen zou verward raken, die tenslotte op scheuring moesten uitloopen. Wars van hoogkerkelijk idealisme, waaraan een volkskerk bloot staat is het gereformeerd protestantisme van huis uit aangewezen op de geestelijke gemeenschap en moet het voor de kerkelijke eenheid en gemeenschap steun zoeken in de handhaving der confessie en de daarop gebouwde theologie.

Dit laatste nu brengt het gevaar mede, dat een presbyteriale kerkorde allengs kan worden overkoepeld door een hoogkerkelijke theologie, tengevolge waarvan zij rijp wordt voor een hoogkerkelijke organisatie met al hare gevolgen o.a. afscheiding en richtingsstrijd.

In de ontwikkeling van de natuurlijke theologie onder invloed van het rationalisme in de 17e en 18e eeuw hebben wij een historisch voorbeeld van dezen ontwikkelingsgang.

Wij laten thans in het midden of de leer van een veronderstelde wedergeboorte in de Gereformeerde Kerken al of niet officieele kerkleer is, maar wijzen er op, dat zulk een leer een voorbeeld zou zijn van wat wij hoogkerkelijke theologie noemen.

Zoo kan men ook een hoogkerkelijke verbondsleer aanhangen. Hoogkerkelijk wordt een theologie, zoodra de persoonlijke geloofsbetrekking wordt gegeneraliseerd, d.w.z. algemeen wordt gesteld. En hoe men dat nu ook beredeneert, zulk een hoogkerkelijke theologie draagt de kiemen van remonstrantisme en pelagianisme in zich.

De spanningen worden door de generaliseerende overspanning opgeheven om plaats te maken voor een uitgehold formalisme en een theoretisch geloof, of zoeken een kunstmatigen uitweg in een werkheilig Christendom. Inmiddels wordt het waarachtig geestelijk leven uitgedreven en op het conventikel aangewezen. Van zulk een generalizeerend streven zal men zich in de Gereformeerde Kerken niet kunnen vrij pleiten. En de gevolgen manen ook ons tot bezinniag. Met al deze gevaren wordt de Hervormde kerk bedreigd door de Barthiaansche scolastiek, welke een origineel exempel van hoogkerkelijke theologie biedt. Onder den dekmantel van een eschatologische dialectiek strekt zij haar hoogkerkelijkheid over de gansche wereld uit, gelijk dat ten duidelijkste kan blijken in haar beschouwingen over de leer der praedestinatie. Haar overkoepeling reikt zoó hoog, dat in beginsel zelfs de onderscheiding van kerk en wereld moet wegvallen en heel de wereld tot een corpus Christianum wordt gemaakt. Immers de aardsche mensch valt in den tijd onder het aspect der verlorenheid (Ezau), onder het aspect der eeuwigheid is hij verkoren (Jacob). Deze leer wordt ook ten onzent verkondigd. Een dergelijke dialectische overspanning kan niet nalaten velerlei nieuwe spanningen op te roepen, zelfs onder de aanhangers van deze theologie en binnen haar eigen kader. De reacties daarvan worden in verschillend opzicht, ook in het kerkelijke, sociale en politieke leven, waargenomen. Men denke aan de verschillende denkbeelden over de verhouding van kerk en staat en over de plaats van een Christenmensch in het openbare leven, over 't streven naar synthese tusschen Christendom en humanisme en over de tegenkanting tegen „Christelijke" organisatie.

De critiek van Barth op den kinderdoop doet daarentegen vreemd aan en schijnt in lijnrechten strijd met bovengemelde opvatting van praedestinatie. Eschatologisch gezien, mochten wel alle menschen gedoopt worden, zou men zoo zeggen.

Toch wil hij den doop aan het geloof binden en daarmede wordt, zooals Prof. B. opmerkt, weer een breuk geslagen en een scheidslijn ingevoerd, welke tot een dubbel kerk-aspect voert. (Vgl. blz. 21). Prof. B. spreekt van uitwendig en inwendig verbond, 't Is de vraag, of dit op de visie van Barth van toepassing kan zijn. 't Gaat er slechts om, wat men onder geloof wil verstaan hebben.

En dan ? Vormen de gedoopten, dat zouden dan de volwassenen en geloovigen zijn, de kerk ? Behooren de ongedoopte kinderen ook tot de kerk ? En de overige ongedoopten? Waartoe worden deze gerekend ?

Hier is een tweeheid, welke de voorstelling oproept, dat de gansche menschheid een soort uitwendige kerk zou vormen, met daarin een belijdende kerk. Deze voorstelling zou inderdaad verschillende verschijnselen, die zich onder de aanhangers van deze theologie voordoen, kunnen verklaren. Wil men van uitwendig en inwendig verbond spreken, dan zou het uitwendig verbond de gansche wereld omvatten en het inwendig verbond de in Bartschen stijl gedoopten.

Een en ander moge aantoonen, dat de gereformeerde belijders wat anders te doen overblijft dan scheuring en tweedracht te zaaien en dat zij geroepen worden tot bezinnen en handelen krachtens het gemeenschappelijk geloof.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Gevaren en perspectieven voor ons kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's